Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7063

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/6321
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Verordening markt- en staangeld 2011 gemeente Leiden ingeval van een standplaatsvergunning voor 12 maanden geldend vanaf 1 april in een lopend belastingjaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0042
V-N Vandaag 2012/2985
Belastingblad 2013/74
V-N 2013/8.18.9

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/6321

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

5 december 2012 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 25 juni 2012 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde aanslagen markt- en staangelden 2011.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [B].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij besluit van 1 april 2011 is aan eiser een standplaatsvergunning verleend voor het innemen van een vaste standplaats van maximaal 9 m2 op het [a-plein] te Leiden voor de verkoop van snacks. De vergunning is verleend met ingang van 1 april 2011 tot 31 maart 2012. De vergunning is verleend voor 1 jaar, tenzij deze drie maanden voor het aflopen van de vergunning wordt opgezegd.

2. Verweerder heeft met dagtekening 16 maart 2012 aan eiser voor het jaar 2011 een tweetal aanslagen markt- en staangeld opgelegd onder verwijzing naar voornoemde standplaatsvergunning. Een kwartaalaanslag met als aanslagnummer [nummer a] van € 618,84 voor de betreffende standplaats van 1 april tot 1 juli 2011 en een halfjaaraanslag met als aanslagnummer [nummer b] van € 1.002,69 voor de betreffende standplaats van 1 juli tot en met 31 december 2011.

3. Overigens heeft verweerder voor het jaar 2012 eveneens met dagtekening 16 maart 2012 aan eiser een jaaraanslag markt- en staangeld opgelegd, te weten voor de periode januari – december 2012, groot € 1.609,20.

4. Al deze aanslagen hanteren als grondslag 9 m2 standplaatsgrootte.

5. Eiser heeft tegen de aanslagen over 2011 bezwaar ingediend.

6. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren ongegrond verklaard en zijn de aanslagen gehandhaafd.

7. Niet in geschil is dat sprake is van een of meer belastbare feiten. Evenmin is in geschil de grootte van de standplaats. In beroep zijn partijen verdeeld over de vraag of de aanslagen staangeld 2011 naar de juiste maatstaf dan wel tarief zijn opgelegd.

8. Eiser stelt dat ten onrechte niet een van de aanslagen is ingetrokken nu beide aanslagen zien op het tijdvak oktober-december 2011. Voorts stelt eiser dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Verordening markt- en staangeld 2011. Meer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat ten onrechte niet is volstaan met het opleggen van één jaaraanslag, nu een aanslag voor een jaar tot een lager te betalen bedrag leidt dan de nu opgelegde twee aanslagen over 2011, nog afgezien van de in 2012 opgelegde jaaraanslag.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. De bij het opmaken van de aanslagen gemaakte vergissing betreffende de tijdvakken is volgens verweerder in bezwaar hersteld. Het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Verordening markt- en staangeld 2011 ziet slechts op de m2 die in gebruik zijn gegeven en niet op tijdsaanduiding of een periode. Verweerder wijst erop dat het opleggen van een kwartaal- en een halfjaaraanslag tot de goedkoopste oplossing leidt voor eiser. Voorts wijst verweerder op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van voornoemde verordening, op grond waarvan naar verweerders opvatting geen jaaraanslag kan worden opgelegd indien de vergunning niet over het hele kalenderjaar geldig is.

10. Artikel 4, tweede lid, van de Verordening markt- en staangeld 2011 (hierna: de Verordening) luidt als volgt:

“Voor de berekening van de markt- en staangelden wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt”.

11. Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder i, van de Verordening luidt als volgt:

“De betaling van staangeld geschiedt op de eerste aanvraag, en wel voor zover het per jaar wordt berekend, bij de aanvang van het jaar van het in artikel 2, tweede lid, sub b, omschreven gebruik of genot.”

12. Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de Verordening vermeld onder III, aanhef en onder 2:

“Het staangeld, bedoeld in het tweede lid, sub b., van artikel 2 (standplaats), bedraagt:

Indien sprake is van een standplaats, per m2

a. per dag € 1,94

b. per week € 7,69

c. per maand € 26,69

d. per kwartaal € 68,76

e. per half jaar € 111,41

f. per jaar € 166,94.”

13. Artikel 1 van de Verordening luidt – voor zover hier van belang - en als volgt:

Deze verordening verstaat onder:

(…)

d. ‘jaar’: een kalenderjaar, tot en met de laatste dag van het kalenderjaar;

e. ‘kalenderjaar’: de periode van 1 januari tot en met 31 december.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Verordening niet ziet op een tijdsperiode, nu de uitleg dat de bepaling wel - mede - ziet op tijdsperiodes leidt tot een niet uitvoerbare bepaling.

Een bepaalde tijdsperiode kan immers een gedeelte zijn van meerdere andere tijdsperiodes. Daarmee ontstaat een uitleg van deze bepaling die niet tot eensluidende conclusies over het te hanteren tarief leidt, reden waarom de rechtbank deze uitleg met verweerder verwerpt.

15. De stelling van eiser dat ten onrechte in bezwaar niet een van de twee aanslagen is ingetrokken, gelet op de bij de aanslagen genoemde tijdvakken, wordt door de rechtbank ook niet gevolgd. De enkele omstandigheid dat op aanslagnummer [nummer a] vermeld is dat het marktgelden betreft voor de periode oktober – december 2011 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die aanslag vermeldt immers tevens onder het kopje belastingsoort de vermelding 1-4 t/m 30/6 Stpl STAD [a-plein] 2011. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank de vermelding van de periode oktober- december een kenbare vergissing.

15. De meer subsidiaire stelling van eiser, dat ten onrechte geen jaaraanslag is opgelegd wordt tot slot evenmin gevolgd door de rechtbank. Vaststaat dat geen sprake is van een vergunning in het kalenderjaar 2011 geldig over de periode 1 januari tot en met 31 december. Dat het in plaats van de nu opgelegde halfjaaraanslag en de kwartaalaanslag opleggen van een jaaraanslag tot een lagere belastingplicht had geleid voor eiser kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. De in de Verordening neergelegde tariefstelling is gevolgd en de onderhavige financiële gevolgen voor eiser zijn niet zodanig dat reeds daarom geoordeeld moet worden dat de Verordening niet verbindend is. Met de toegepaste tarieven dient eiser over 2011 € 1.621,53 te betalen. Indien een jaaraanslag opgelegd had kunnen worden had eiser over het jaar 2011 een aanslag van 9 (m2) maal € 166,94 (jaartarief) zijnde € 1.502,46 dienen te betalen. Dit verschil is niet van dien aard dat dit gevolgen zou moeten hebben voor de verbindendheid van de belastingverordening.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Atwaroe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.

de griffier is verhinderd te tekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.