Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
419991 - HA ZA 12-654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht van besluit van de gemeente jegens een derde die als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 419991 / HA ZA 12-654

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B. Fresco te Voorburg,

tegen

de openbare rechtspersoon

GEMEENTE RIJSWIJK (ZH),

zetelend te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. F. Sepmeijer te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 mei 2012, met 9 producties;

- de conclusie van antwoord, met 10 producties;

- het tussenvonnis van 25 juli 2012, waarbij de rechtbank een comparitie heeft gelast;

- de door mr. Fresco op 11 oktober 2012 overgelegde twee brieven van mr. A.G.A. Rappard aan [eiser] van 6 februari 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar geweest van een pand aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand), dat hij tot 1 februari 1979 als winkelpand heeft geëxploiteerd, waarna hij het pand is gaan verhuren. Op het pand rustte destijds conform het bestemmingsplan Oud Rijswijk de bestemming "detailhandel".

2.2. [eiser] verhuurde het pand via zijn makelaar R. Kulk (hierna: Kulk). In 2002 toonde mevrouw [A] (hierna: [A]) belangstelling om het pand te huren, mits in het pand horeca mocht worden gevestigd. Hiertoe heeft Kulk bij de Gemeente geïnformeerd of er een vrijstelling voor horeca zou kunnen worden verleend. In reactie hierop heeft de Gemeente bij brief van 29 mei 2002 aan Kulk onder meer het volgende medegedeeld:

"Wij verlenen in principe vrijstelling voor vestiging van lichte horeca op de eerste bouwlaag in het winkelpand [adres] te [woonplaats] mits er wordt voldaan de volgende voorwaarden:

(...)

- de vrijstelling wordt verleend aan de eerste gebruiker/huurder van het pand."

2.3. Bij brief van 16 juli 2002 heeft de Gemeente aan [eiser] het volgende bericht:

"De vrijstelling voor lichte horeca, zoals het college van B&W voornemens is te verlenen, is van toepassing op het gebruik van het pand.

Dit betekent dat als vrijstelling wordt verleend voor uitoefening van een bepaalde bedrijfsactiviteit deze vrijstelling hieraan gekoppeld is. Indien er een andere bedrijfsactiviteit zal gaan plaatsvinden

- gewijzigd gebruik van het pand - vervalt de vrijstelling."

2.4. [eiser] heeft het pand met ingang van 1 december 2002 verhuurd aan [A], die in het pand een eetcafé heeft gevestigd. In de huurovereenkomst is ten behoeve van [A] een koopoptie opgenomen.

2.5. Bij besluit van 19 februari 2003 heeft de Gemeente aan [A] een aan haar als persoon gebonden vrijstelling voor vestiging van het eetcafé in het pand verleend.

2.6. Op 26 januari 2005 heeft [A] een "overname/koopovereenkomst inventaris" gesloten met de heer [B] (hierna: [B]) met het oog op het overnemen door [B] van de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst alsmede van het eetcafé per 1 februari 2005. Artikel 10 van de overeenkomst luidt als volgt:

"Het bedrijfspand aan de [adres] te [woonplaats] (ZH) heeft als bestemming horeca-eetcafé restaurant, het is de koper tevens bekend dat de exploitatie vergunningen persoon gebonden zijn en op naam van nieuwe eigenaar en of pachter zullen worden aangevraagd bij de gemeente Rijswijk."

2.7. Op 27 januari 2005 heeft [B] het pand van [eiser] gekocht. In de koopovereenkomst is onder meer bepaald dat [B] voor elke dag dat de notariële overdracht later zou plaatsvinden dan 1 februari 2005 een bedrag van € 109,30 aan [eiser] verschuldigd zou zijn.

2.8. Bij brief van 13 mei 2005 heeft [B] De Gemeente verzocht vrijstelling te verlenen voor het vestigen van lichte horeca in het pand. Bij brief van 15 juli 2005 heeft de Gemeente [B] onder meer medegedeeld dat zij niet voornemens is deze vrijstelling te verlenen.

2.9. Bij brief van 1 augustus 2005 heeft de (eerste) advocaat van [B] de koopovereenkomst met [eiser] ontbonden op grond van non-conformiteit, omdat [eiser] het pand niet had geleverd met een horecabestemming. Bij brief van 28 september 2005 heeft de (tweede) advocaat van [B] "de nietigheid" van de koopovereenkomst ingeroepen op grond van dwaling.

2.10. Bij brief van 11 oktober 2005 heeft de Gemeente aan [B] alsnog een objectgebonden vrijstelling verleend voor het vestigen van lichte horeca in het pand.

2.11. Tussen [B] en [eiser] is bij deze rechtbank een gerechtelijke procedure gevoerd, waarbij [B] in conventie betaling heeft gevorderd van € 440.365,68 wegens (met name) wanprestatie onder de koopovereenkomst. In reconventie heeft [eiser] betaling door [B] gevorderd van € 109,30 per vanaf 1 februari 2005 dag tot de dag dat [eiser] het pand aan een derde zou hebben verhuurd of verkocht, alsmede een contractuele boete van € 41.000,- op grond van de koopovereenkomst.

2.12. Bij vonnis van 31 januari 2007 heeft de rechtbank in conventie de vordering afgewezen en in reconventie [B] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van

een contractuele gebruiksvergoeding van € 28.117,90 en een contractuele boete van

€ 41.000,-.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, zo begrijpt de rechtbank dat zij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht verklaart dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld;

II de Gemeente veroordeelt om bij wijze van voorschot op de schadevergoeding aan hem een bedrag van € 120.000,- te betalen;

III de Gemeente veroordeelt tot vergoeding aan hem van zijn verdere schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV de Gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2. Hieraan legt [eiser], samengevat, de volgende stellingen ten grondslag. Aangezien hij zich niet kon vinden in de bij brief van 29 mei 2002 (r.o. 2.2) gestelde voorwaarde dat de vrijstelling persoonsgebonden zou zijn, heeft [eiser] een gesprek met de Gemeente gevoerd, waarna laatstgenoemde de brief van 16 juli 2002 (r.o. 2.3) heeft gestuurd. Gelet op deze brief en het gevoerde gesprek mocht [eiser] ervan uitgaan dat de vrijstelling objectgebonden zou zijn in plaats van persoonsgebonden. In afwijking hiervan heeft de Gemeente bij besluit van 19 februari 2003 (r.o. 2.5) aan [A] een persoonsgebonden vrijstelling verleend. Van dit besluit heeft [eiser] eerst kennisgenomen nadat hij het pand aan [B] had verkocht. Door het besluit van 19 februari 2003 heeft [eiser] zijn afspraak met [B], dat het pand een horecabestemming had, niet kunnen nakomen. [B] heeft geen, althans onvoldoende verhaal geboden voor de aan [eiser] bij vonnis van 31 oktober 2007 (r.o. 2.12) toegewezen vordering. Uiteindelijk is het pand op 31 oktober 2007 geleverd. Dat betekent dat [eiser] over de periode van 1 februari 2005 tot 31 oktober 2007 aanspraak kon maken op een gebruiksvergoeding van (1003 dagen x € 109,30 =) € 109.726,90. Daarnaast heeft [eiser] kosten moeten maken voor juridische bijstand van minimaal € 11.000,-. Zijn schade bedraagt dus minimaal

€ 120.000,-. Hiervoor is de gemeente aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.

3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

4.1. Naar de rechtbank begrijpt acht [eiser] de Gemeente schadeplichtig op grond van haar besluit van 19 februari 2003. [eiser] acht dit besluit jegens hem onrechtmatig aangezien hij zijns inziens ervan heeft mogen uitgaan dat de Gemeente een aan het pand in plaats van een aan de persoon gebonden vrijstelling voor horeca zou verlenen.

4.2. Voorop staat dat de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter meebrengt dat de civiele rechter dient uit te gaan van de rechtmatigheid van een besluit van een bestuursorgaan wanneer tegen dat besluit een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt en indien van deze rechtsgang geen gebruik is gemaakt of deze niet tot vernietiging van het besluit heeft geleid (HR 7 april 1995, LJN: ZC1700). Deze zogenoemde formele rechtskracht geldt in beginsel ook voor anderen dan degene tot wie het besluit is gericht, mits deze derden het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te maken van de bestuursrechtelijke rechtsgang (HR 8 september 1995, LJN: ZC1799).

4.3. In dit geval was het besluit van 19 februari 2003 aan [A] gericht, doch is [eiser] als eigenaar van het pand ongetwijfeld aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiser] heeft onder meer

gesteld dat hij de bestuursrechtelijke rechtsgang niet heeft kunnen benutten omdat hij niet in de gemeente Rijswijk woont en de Gemeente hem het besluit niet heeft meegedeeld. Dit baat hem echter niet. Gelet op artikel 6:11 Awb en de vaste jurisprudentie van de bestuursrechter (onder meer ABRvS 15 mei 2001, LJN: AN6754) had [eiser] immers, om niet in verzuim te raken, binnen twee weken nadat hij van dit besluit op de hoogte raakte (althans behoorde te zijn) bezwaar daartegen moeten instellen. Uitgaande van zijn eigen stellingen heeft [eiser] medio 2005 van het besluit kennisgenomen, toen [B] hem benaderde naar aanleiding van de afwijzende reactie van de Gemeente in haar brief van 15 juli 2005 (r.o. 2.8). Vast staat dat [eiser] de bestuursrechtelijke rechtsgang niet heeft benut. De rechtbank dient daarom ook jegens [eiser] uit te gaan van de rechtmatigheid van het besluit van 19 februari 2003.

4.4. Reeds op het voorgaande strandt de vordering van [eiser], zodat de rechtbank niet toekomt aan de bespreking van hetgeen [eiser] verder heeft aangevoerd.

4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De door de Gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen. De proceskosten aan de zijde van de Gemeente begroot de rechtbank als volgt:

- griffierecht: € 3.621,-

- salaris advocaat: € 2.842,- (2 punten à € 1.421,- volgens tarief V)

totaal: € 6.463,-

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 6.463,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis indien [eiser] deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis heeft voldaan;

5.3. veroordeelt [eiser] in de nakosten, begroot op € 199,- indien betekening noodzakelijk zal zijn en met € 131,- indien betekening achterwege blijft;

5.4. verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.?

type: 1554

coll:

??

??

6

Datum Uitspraak: 12-12-2012 Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage Zaaknummer: 419991 - HA ZA 12-654

Datum Opslag: 12-12-2012 Sector: Civiel Concipiënt: hofstra

Opmerking(en): Formele rechtskracht besluit jegens derde belanghebbende

419991 / HA ZA 12-654

12 december 2012

Datum Uitspraak: 12-12-2012 Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage Zaaknummer: 419991 - HA ZA 12-654

Datum Opslag: 12-12-2012 Sector: Civiel Concipiënt: hofstra

Opmerking(en): Formele rechtskracht besluit jegens derde belanghebbende