Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6985

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
374646 - HA ZA 10-3186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of kritische artikelen over klantenwerving van Pretium in het blad "Kassa Magazine" onrechtmatig zijn jegens Pretium; vrijheid van meningsuiting versus recht op goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 374646 / HA ZA 10-3186

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRETIUM TELECOM B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

advocaten mr. D.P. Kuipers en O.G. Trojan te 's-Gravenhage,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

OMROEPVERENIGING VARA,

gevestigd te Hilversum,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.S. Le Poole te Amsterdam.

Partijen worden hierna Pretium, de Vara en [gedaagde sub 2] genoemd. Gedaagden gezamenlijk worden ook aangeduid als de Vara c.s..

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding namens Pretium van 24 augustus 2010;

- de conclusie van antwoord van de zijde van de Vara c.s. van 15 december 2010 met producties 1 t/m 5;

- het tussenvonnis van 19 januari 2011 waarbij een comparitie van partijen ten overstaan van de meervoudige kamer is gelast;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Pretium van 19 januari 2011,met producties 1 t/m 31;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Pretium van 28 maart 2011 met producties 32 t/m 34;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van de Vara c.s. van 28 maart 2011 met producties 6 t/m 24;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 maart 2011, gedateerd 4 april 2011, waaraan gehecht de pleitnotities van de zijde van Pretium en van de Vara c.s., alsmede de in dat proces-verbaal genoemde brief van 23 maart 2011 van de zijde van Pretium met producties 35 t/m 38;

- de akte uitlaten en overlegging producties van de zijde van Pretium van 25 april 2012 met producties 39 t/m 41;

- de antwoordakte van de zijde van de Vara c.s. van 23 mei 2012;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Pretium van 1 november 2012 met producties 42 t/m 46 (aangeduid als akte uitlaten en overlegging producties (aangepast);

- de akte houdende overlegging producties van de Vara c.s. van 1 november 2012 (op de akte abusievelijk aangeduid als 1 november 2011) met producties 25 t/m 30;

- de akte eiswijziging van 1 november 2012 van de zijde van Pretium;

- de pleitnotities van Pretium van het pleidooi gehouden op 1 november 2012;

- de pleitnotities van de Vara c.s. van het pleidooi gehouden op 1 november 2012.

1.2. De Vara c.s. hebben op de pleidooizitting van 1 november 2012 te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de eiswijziging van Pretium. De eiswijziging - die verband houdt met het gegeven dat [gedaagde sub 2] inmiddels niet meer bij de Vara werkzaam is - wordt toegestaan. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Pretium Telecom exploiteert een Nederlands telecommunicatiebedrijf dat vaste telecommunicatiediensten aanbiedt in Nederland. Tot januari 2007 bood Pretium als zogenaamde 'Carrier Pre Select' (CPS)-aanbieder haar klanten de mogelijkheid om hun uitgaande telefoongesprekken via haar af te wikkelen. Het telefonieabonnement op het vaste net van KPN (het vastnetabonnement) liep in die gevallen nog wel bij KPN.

2.2. Als gevolg van de regulering van Wholesale Line Rental (WLR) door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) is het met ingang van januari 2007 voor CPS-aanbieders zoals Pretium mogelijk geworden om ook het vastnetabonnement op het telefoonnetwerk van KPN aan klanten aan te bieden.

2.3. Pretium werft, althans wierf in de voor deze zaak van belang zijnde periode, haar klanten via telemarketing. Deze telefonische werving wordt namens haar uitgevoerd door een aantal callcenters. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van zogenoemde "voicelogs" die het laatste deel vormen van het telemarketinggesprek, waarin de eerder in dat gesprek gesloten overeenkomst tussen aanbieder en consument wordt bevestigd en opgenomen.

2.4. De Vara is een publieke omroepvereniging. Zij zendt onder meer het televisieprogramma Kassa uit. Dit is een consumentenprogramma dat consumenten op kritische wijze wil informeren over producten en actualiteiten. Ook biedt het aan die consumenten een platform voor discussie en commentaar. Sinds oktober of november 2008 geeft de Vara ook een blad uit met de naam Kassa Magazine. Het blad verschijnt tweemaandelijks en bevat onder meer consumentennieuws, journalistieke verhalen en reportages.

2.5. [gedaagde sub 2] was tot in ieder geval 4 april 2011 werkzaam bij de Vara en eindredacteur van het programma Kassa.

2.6. Op 7 april 2007 werd in het televisieprogramma Kassa aandacht besteed aan consumentenklachten over Pretium, die door Kassa waren ontvangen. In het programma kwamen vertegenwoordigers van de Consumentenautoriteit en Stichting de Ombudsman aan het woord. In deze aflevering kwam meerdere malen aan de orde dat naast de Consumentenautoriteit en Stichting de Ombudsman ook KPN duizenden klachten over Pretium had ontvangen.

2.7. Naar aanleiding van de uitlatingen van deze vertegenwoordigers heeft Pretium de Consumentenautoriteit, Stichting de Ombudsman en KPN in kort geding gedagvaard en rectificaties gevorderd. In deze procedures zijn veroordelingen van alle drie de gedaagden tot rectificaties uitgesproken. Tegen deze kortgedingvonnissen is geen hoger beroep ingesteld.

2.8. In het decembernummer 2008 van het blad Kassa Magazine heeft [gedaagde sub 2] als Kassa-eindredacteur, in de rubriek "Consumentennieuws" een zelfgeschreven artikel gepubliceerd met als titel "Aan de bel". De aanhef van dit artikel (in groot lettertype) luidt voor zover relevant als volgt:

"Klachten of kritische stukken over telecombedrijf Pretium kunnen je zomaar op een fax van een van hun advocaten komen te staan, merkten De Telegraaf, KPN, de Ombudsman, De Gooi- en Eemlander, MAX, Radar, de Consumentenautoriteit - wat is er aan de hand met die firma? [gedaagde sub 2], als Kassa-eindredacteur ervaringsdeskundig, legt uit."

Het artikel zelf luidt, voor zover van belang, als volgt, waarbij de niet-geciteerde gedeelten tussen vierkante haken door de rechtbank zijn geparafraseerd.

"Er zijn maar weinig bedrijven waar ik, alleen bij het noemen van de naam al, een nare smaak van in de mond krijg. Sterker nog, als ik erover nadenk is het er eigenlijk maar één. Pretium Telecom. Een bedrijf dat de kroon spant als het gaat om klantonvriendelijk gedrag. Tenminste: als je de klachtenstroom mag geloven. En een bedrijf dat een vaste plek lijkt te hebben gereserveerd bij de rechtbank, voor het voeren van zaken.

[Volgt een weergave van de voorgeschiedenis van Kassa met Pretium]

Het weerhield Kassa er niet van om in april 2007 een uitzending te maken, geheel gewijd aan Pretium. Wat was er precies aan de hand? De verhalen van dupeerden waren gelijkluidend: na een telefoontje van iemand die zich volgens klagers voordeed als KPN-medewerker bleek de klant opeens vast te zitten aan een contract. Het bedrijf nam de telefoonlijn over en de vaak langlopende relatie van de klant met KPN werd verbroken. We maakten een uitzending waarin we lieten zien dat honderden mensen ongewild in de verkooppraatjes getrapt waren. Ze konden met geen mogelijkheid terug naar KPN. Want zo gemakkelijk zal zij klant waren geworden bij Pretium, zo onmogelijk bleek het te zijn om onder dit contract uit te komen.

[volgt een verslag van de voorbereiding van de Kassa-uitzending en een nadere beschrijving van de klachten tegen Pretium, alsmede een verslag van de uitzending zelf]

Daags na de uitzending zette de redactie zich schrap. Het programma was nogal vernietigend voor Pretium en we verwachtten dan ook een dagvaarding. Die volgde niet. Wel spande Pretium rechtszaken aan tegen alle partijen in die onze uitzending aan het woord waren geweest. Stichting de Ombudsman, KPN, de Consumentenautoriteit. Het advocatenkantoor leverde goed werk! Alle partijen werden veroordeeld.

[volgt een korte omschrijving van de redenen waarom de genoemde partijen veroordeeld werden, alsmede een omschrijving van media die Kassa na de uitzending benaderden]

Kort na het verschijnen van een aantal artikelen in De Telegraaf werd de krant voor de rechter gesleept. En opnieuw won Pretium. Weer op details. Want de kern van de klacht, de uiterst twijfelachtige manier van klantenwerving, bleef overeind.

[volgt een beschrijving van enkele andere media die door Pretium werden gedagvaard]

Zelfs PvdA-Kamerlid Mei Li Vos, die Kamervragen stelde over de onrustbarende klachtenstroom ontving een advocatenschrijven. Of ze de vragen maar even wilde terugtrekken.

[Volgt een korte omschrijving van een uitzending van het programma "De leugen regeert", waar zowel [gedaagde sub 2] als [A] aanwezig waren.]

Kort erna ontving ik op de redactie een dikke map waaruit bleek dat Pretium een nieuw rechterlijk gevecht had ingezet: na het veroordeeld krijgen van alle media die zich aan de misstanden rond de werving hadden gewaagd, was nu het internet aan de beurt. Duidelijk werd dat [A] (de directeur van Pretium, rechtbank) zijn pijlen nu gaat richten op internetfora waarop mensen hun beklag doen over zijn werkwijze. Die fora moeten leeg. En het lijkt nog te lukken ook. De eigenaar van de betrokken website was, zo bleek, gezwicht voor de advocatendruk en had nog voor aanvang van de rechtszaak zijn forum gewist.

[Volgt de stelling dat de angst bij media voor Pretium wijd verbreid is alsmede de - retorische - vraag wat er aan de hand is met Pretium]"

2.9. De Vara c.s. hebben het artikel "Aan de bel" niet voorafgaand aan de publicatie voorgelegd aan Pretium. In januari 2009 heeft Pretium tegen de publieke omroepvereniging Tros een kort geding aangespannen naar aanleiding van informatie over Pretium in het consumentenprogramma Tros Radar. Voor dat kort geding heeft Pretium op 26 januari 2009 als productie van de Tros een kopie van het artikel "Aan de bel" ontvangen.

2.10. Pretium heeft de Vara c.s. in kort geding gedagvaard en - onder meer - gevorderd dat de Vara c.s. het artikel "Aan de bel" rectificeren. Bij vonnis van 7 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage de vorderingen van Pretium grotendeels toegewezen en de Vara c.s. onder meer veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. De Vara c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het hof 's-Gravenhage. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2010 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vorderingen van Pretium alsnog afgewezen.

2.11. Naar aanleiding van deze uitspraak van het hof is in het maart-nummer van 2010 van Kassa Magazine een tweede artikel van [gedaagde sub 2] verschenen, onder de titel "De praktijken van Pretium (2)". In dat artikel is beschreven dat de Vara c.s. het door Pretium aanhangig gemaakte kort geding bij de rechtbank verloren, maar dat de Vara c.s. bij het hof alsnog gelijk kregen in het arrest van 12 januari 2010.

2.12. Pretium heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 12 januari 2010. Bij arrest van 16 december 2011 heeft de Hoge Raad de klachten van Pretium met toepassing van artikel 81 RO verworpen.

2.13. Naar aanleiding van een uitzending van Tros Radar, waarin gebruik werd gemaakt van met een verborgen camera gemaakte beelden bij een door Pretium ingeschakeld callcenter, teneinde de werkwijze van dit callcenter bij de telefonische werving aan de kaak te stellen, heeft Pretium zowel een kortgedingprocedure als een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen Tros. In de kortgedingprocedure zijn de vorderingen van Pretium door het hof afgewezen. De cassatieklachten van Pretium zijn verworpen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank 's-Gravenhage de vorderingen van Pretium tegen Tros bij vonnis van 11 juli 2012 afgewezen.

3. Het geschil

3.1. Pretium vordert - samengevat - na eiswijziging, dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht verklaart dat gedaagden journalistiek onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens Pretium door de artikelen in kwestie te publiceren, terwijl de daarin vervatte beschuldigingen geen steun vinden in de feiten;

II. gedaagden verbiedt de artikelen in kwestie, of delen daarvan, op enige wijze opnieuw te openbaren;

III. a primair: gedaagde veroordeelt tot plaatsing, op kosten van gedaagden, van een advertentie of 'advertorial' in twee door Pretium te kiezen nummers van het tijdschrift Kassa Magazine gedurende het eerste jaar na het in deze zaak te wijzen vonnis, welke advertenties/advertorials elk een volle rechterbladzijde van Kassa Magzine zullen beslaan en waarvan de inhoud door Pretium zal worden bepaald;

b. subsidiair, namelijk voor het geval de rechtbank de hiervoor onder IIIa omschreven vordering niet toewijsbaar acht, de Vara veroordeelt in twee door Pretium te kiezen nummers van het tijdschrift Kassa Magazine gedurende het eerste jaar na het in deze zaak te wijzen vonnis de navolgende rectificatie te plaatsen, goed leesbaar, evenwichtig verspreid en in normaal lettertype (waarbij de aanheft "RECTIFICATIE" driemaal groter dient te zijn dan de overige tekst), zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar, geëncadreerd over een volle rechterpagina:

"RECTIFICATIE

In een artikel in Kassa Magzine van december 2008 getiteld "Aan de bel" heeft [gedaagde sub 2], destijds eindredacteur van VARA Kassa, zich negatief en beschuldigend uitgelaten over de verkoopmethoden van Pretium Telecom. Vervolgens hebben de VARA en [gedaagde sub 2] deze beschuldigingen aan het adres van (Pretium, Rb.) herhaald in een artikel "De praktijken van Pretium (2)" in het nummer van maart 2010. In beide gevallen hebben [gedaagde sub 2] en de VARA nagelaten Pretium vooraf te informeren over de ophanden zijnde publicatie en is geen enkele gelegenheid tot een weerwoord gegeven.

De rechtbank Den Haag heeft in een bodemprocedure geoordeeld dat er geen grond bestaat voor de door [gedaagde sub 2] geuite beschuldigingen dat Pretium Telecom consumenten zou hebben misleid of dat er grote hoeveelheden (gegronde) klachten over Pretium Telecom zouden zijn. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde sub 2] en de VARA hebben nagelaten het noodzakelijke onderzoek te verichten en bovendien Pretium Telecom geen enkele mogelijkheid tot een weerwoord hebben geboden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde sub 2] en de VARA aldus onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens Pretium Telecom en heeft hen om die reden veroordeeld deze rectificatie te plaatsen en de door Pretium geleden schade te vergoeden.

Omroepvereniging VARA";

IV. de Vara gebiedt om binnen een week na het ten deze te wijzen vonnis op de bovenhelft (voor de pagebreak) van de hompage van de website van VARA Kassa gedurende zes maanden de in vordering III vermelde rectificatietekst, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar, goed leesbaar, evenwichtig verspreid en in normaal lettertype (waarbij de aanhef "RECTIFICATIE" drie maal groter dient te zijn dan de overige tekst), gecentreerd en geëncadreerd te plaatsen en geplaatst te houden;

V. bepaalt dat gedaagde(n) bij het niet of niet-volledig voldoen aan het onder I tot en met IV gevorderde ieder een onmiddellijk opeisbare dwangsom zullen verbeuren van € 25.000,= per dag;

VI. gedaagden, zowel hoofdelijk als gezamenlijk, veroordeelt tot vergoeding van de door Pretium geleden schade, nader op te maken bij staat;

VII. elke andere voorziening treft die de rechtbank in de onderhavige zaak passend acht;

VIII. gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. Pretium legt aan haar vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Het artikel "Aan de bel" in Kassa Magazine is onjuist en misleidend.

- [gedaagde sub 2] schrijft ten onrechte dat Pretium de rechtszaak tegen de Telegraaf "weer op details" heeft gewonnen en misleidt daarmee consumenten doordat hij deze verkeerd voorlicht over de inhoud van vonnissen. Het Hof heeft in die rechtszaak immers een gedetailleerde, maar niet de details betreffende, beoordeling van de relevante omstandigheden gegeven en de Telegraaf veroordeeld tot het plaatsen van een forse rectificatie. Met gebruik van het woordje "weer" wordt bovendien gesuggereerd dat Pretium ook de andere rechtszaken op details zou hebben gewonnen, terwijl de rechter in al deze zaken zorgvuldig heeft geoordeeld. De conclusie in het artikel "Aan de bel" betreffende de Telegraaf-zaak, inhoudende dat "de kern van de klacht, de uiterst twijfelachtige manier van klantenwerving, overeind bleef", vindt in elk geval op geen enkele manier steun in de feiten. [gedaagde sub 2] maakt niet duidelijk wat de twijfelachtige manier van klantenwerving precies inhoudt. Voor zover [gedaagde sub 2] bedoelt dat Pretium KPN klanten benadert en bij hen de indruk wekt dat namens KPN wordt gebeld, is in de eerdere procedures al geoordeeld dat deze beschuldiging geen steun vindt in feiten.

- [gedaagde sub 2] schrijft ten onrechte dat er een grote stroom klachten over Pretium is van consumenten. KPN heeft immers nooit de beweerde 2.500 klachten aan Pretium kunnen overhandigen. KPN heeft slechts 74 klachten aangereikt, die in 11 gevallen gegrond bleken. In de aan de Telegraaf opgelegde rectificatie heeft het Hof doen opnemen:

"evenmin is aannemelijk geworden dat KPN en de Consumentenautoriteit zijn overspoeld met (gegronde) klachten".

- [gedaagde sub 2] suggereert in het artikel ten onrechte dat de eigenaar van een website met negatieve content over Pretium zijn content slechts onder advocatendruk heeft gewist.

- [gedaagde sub 2] beweert in het artikel ten onrechte dat Pretium tracht Kamervragen in de doofpot te (doen) stoppen. Pretium had het Kamerlid Mei Li Vos slechts benaderd over een persbericht aangaande de Kamervragen en niet over de Kamervragen als zodanig.

3.3. Juridisch is volgens Pretium van belang dat zij er recht op heeft dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor haar negatieve publiciteit. In de omstandigheden van dit geval dient het belang van Pretium zwaarder te wegen dan het belang van Kassa Magazine om zich openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te laten. In dit geval brengen de volgende omstandigheden mee dat het belang van Pretium zwaarder weegt dan het belang van de Vara:

- [gedaagde sub 2] heeft een eigen onderzoeksplicht en mag geen zaken als feiten presenteren die niet feitelijk te onderbouwen zijn;

- [gedaagde sub 2] heeft nagelaten Pretium een weerwoord te bieden. Pretium is niet voor de publicatie benaderd;

- [gedaagde sub 2] heeft in het artikel bewust feiten verzwegen, verdraaid en gemanipuleerd met als enig doel Pretium in een kwaad daglicht te stellen.

3.4. De Vara c.s. voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Pretium. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Centraal in deze zaak staat het artikel "Aan de bel". Dit artikel is onmiskenbaar kritisch over Pretium. De teneur ervan is dat er vele klachten van consumenten over de telefonische wervingsmethode van Pretium binnenkomen, maar dat Pretium het, door zijn ongebreide procedeerlust, het de media - waaronder het programma Kassa - moeilijk maakt om over deze klachten te berichten. Op zichzelf is juist dat een dergelijk artikel de goede naam van Pretium aantast en daarmee schade toebrengt aan Pretium.

4.2. Aan de orde is daarmee de botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van de Vara c.s., welk recht meebrengt dat het de Vara c.s. in beginsel vrijstaat om op kritische wijze te berichten over de manier waarop Pretium klanten werft, en het recht op eerbiediging van een goede naam van Pretium. Het antwoord op de vraag welke van beide rechten in dit geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval (HR 8 april 2011, LJN BT8271, rov. 3.3.1.).

4.3. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat het publiek doorgaans een relatief grote betrouwbaarheid toedicht aan consumentenprogramma's als Vara Kassa. Aan de berichtgeving over bedrijven in zo'n programma kunnen derhalve relatief hoge eisen worden gesteld voor wat betreft de zorgvuldigheid van die berichtgeving (zie ook het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage in de zaak Pretium / Tros van 11 juli 2012, LJN BX1975, rov. 4.2.). Kassa Magazine, het medium waarin het artikel verscheen, is een "spin-off" van het programma Kassa. Ook aan de inhoud van Kassa Magazine zal daarom relatief grote betrouwbaarheid worden toegedicht door het publiek.

4.4. Toch gaat de vergelijking van het artikel met een uitzending van een televisieprogramma als 'Kassa' niet helemaal op. Van algemene bekendheid is dat zo'n uitzending (vaak op prime time) een groter bereik heeft dan een artikel in een magazine, dat in beginsel alleen door de abonnees en kopers van het magazine wordt gelezen. Daarnaast geldt dat het artikel, gezien de toonzetting ervan en het feit dat het artikel in de ik-vorm is geschreven, meer het karakter heeft van een persoonlijke ontboezeming dan van (objectieve) voorlichting aan consumenten. Niettemin kan ook aan een meer persoonlijk getint artikel in een consumentenmagazine in ieder geval de eis worden gesteld dat hetgeen daarin is opgenomen voldoende grondslag vindt in de feiten; journalisten dienen immers te goeder trouw en waarheidsgetrouw te werk te gaan. Onjuist is echter het standpunt van Pretium dat voor de vraag of [gedaagde sub 2] rechtmatig heeft gehandeld doorslaggevende betekenis toekomt aan de door de Raad van de Journalistiek uitgegeven Leidraad. De in die leidraad opgenomen regels vormen immers, naar volgt uit de zaak van Pretium tegen de Tros (HR 8 april 2011, LJN BT8271), geen rechtens aan te leggen criterium maar omstandigheden die in de regel gewicht in de schaal zullen leggen, maar niet doorslaggevend behoeven te zijn.

4.5. De rechtbank zal de bezwaren van Pretium tegen deze achtergrond in het onderstaande stuk voor stuk behandelen.

Omschrijving van rechterlijke uitspraken in "Aan de bel" onrechtmatig?

4.6. De bezwaren van Pretium tegen het artikel "Aan de bel" richten zich in de eerste plaats, zo begrijpt de rechtbank, tegen de wijze waarop [gedaagde sub 2] in het artikel de rechterlijke uitspraken heeft omschreven waarbij aan Stichting de Ombudsman, de Consumentenautoriteit en KPN veroordelingen tot rectificatie zijn opgelegd. [gedaagde sub 2] heeft ten onrechte vermeld dat Pretium deze zaken "op details" heeft gewonnen: het gaat om zorgvuldig gemotiveerde vonnissen waarbij de drie genoemde partijen forse rectificaties zijn opgelegd. Daarbij is [gedaagde sub 2] uit het oog verloren, aldus Pretium, dat zijn uitlatingen over deze uitspraken door de lezers van het artikel zeer serieus worden genomen; [gedaagde sub 2] moest er rekening mee houden dat de lezers zelf juridisch niet geschoold zijn en de onderliggende uitspraken zelf niet zullen lezen.

4.7. [gedaagde sub 2] heeft in het artikel "Aan de bel" terecht vermeld dat de zaken die Pretium aanspande tegen de Stichting de Ombudsman, de Consumentenautoriteit en KPN gewonnen zijn door Pretium en hij heeft, in de linkerkolom op pagina twee van het artikel, ook zeer beknopt samengevat waarom de rechter Pretium gelijk gaf ("De Ombudsman had het woord 'misleiding' niet mogen gebruiken, de Consumentenautoriteit had voor haar beurt gesproken, en KPN kon de 2.500 klachten niet allemaal in drievoud overhandigen."). Aan Pretium kan worden toegegeven dat de samenvatting van het vonnis in de zaak van Pretium tegen KPN wel zéér beknopt is, in die zin dat dat vonnis niet alleen gaat over het al dan niet bestaan of "overhandigen" van klachten over de werving door Pretium, maar ook over de schending door KPN van met Pretium gemaakte afspraken. Juist is echter wel dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat KPN onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er veel gegronde klachten waren over de verkoopmethode van Pretium. In zoverre is de samenvatting van het vonnis correct. Niet valt in te zien waarom [gedaagde sub 2] gehouden zou zijn in het artikel "Aan de bel" ook nader in te gaan op de verdere inhoud van het vonnis of op de vraag of KPN al dan niet afspraken met Pretium schond. Ook als juist is dat (ook) KPN zich niet vlekkeloos heeft gedragen, zoals Pretium in de processtukken op verschillende plaatsen benadrukt, stond het [gedaagde sub 2] vrij om te berichten over klachten over Pretium die bij hem bekend waren.

4.8. Verder geldt dat het een kwestie van interpretatie is in hoeverre uit de desbetreffende vonnissen kan worden afgeleid dat gewonnen is "op details". Van een vermelding van een feitelijke onjuistheid kan daarom niet gesproken worden. Het recht op vrije meningsuiting brengt mee dat [gedaagde sub 2] zijn interpretatie van een rechterlijke uitspraak wereldkundig mag maken en ook dat [gedaagde sub 2] zich kritisch mag uitlaten over rechterlijke uitspraken waar hij het niet mee eens is. Op [gedaagde sub 2] rust - anders dan Pretium betoogt - niet de verplichting om het publiek enkel op volstrekt objectieve wijze voor te lichten over rechterlijke uitspraken; daarmee zou de vrijheid van meningsuiting te zeer worden beknot.

4.9. Kennelijk heeft [gedaagde sub 2] met het artikel "Aan de bel" willen aangeven dat de desbetreffende rechterlijke uitspraken niet afdoen aan hetgeen hij als de kern van de zaak beschouwde, namelijk het feit dat - destijds - bij de Vara c.s. vele klachten bekend waren over de telefonische werving door Pretium, welke klachten inhielden dat consumenten zich misleid voelden. [gedaagde sub 2] schrijft: "En opnieuw won Pretium. Weer op details. Want de kern van de klacht, de uiterst twijfelachtige manier van klantenwerving, bleef overeind."

4.10. Volgens Pretium mocht [gedaagde sub 2] dit laatste niet schrijven, omdat hij niet duidelijk maakt wat de twijfelachtige manier van klantenwerving inhoudt. Voor zover [gedaagde sub 2] bedoelt dat Pretium de indruk wekt dat Pretium namens KPN belt, is al uitgemaakt dat die klacht geen steun vindt in de feiten, aldus Pretium.

4.11. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk wat [gedaagde sub 2] bedoelt met "de twijfelachtige manier van klantenwerving". [gedaagde sub 2] beschrijft immers op diverse plaatsen in het artikel wat de strekking was van de door Kassa ontvangen klachten over Pretium:

"In 2007 kwamen dagelijks meerdere mails in de Kassa-box met een steeds terugkerende klacht: 'Ik ben zonder dat ik dat wil, klant geworden bij Pretium Telecom en voel mij misleid'."

Verderop in het artikel valt te lezen:

"Wat was er precies aan de hand? De verhalen van gedupeerden waren gelijkluidend: na een telefoontje van iemand zich volgens klagers voordeed als KPN-medewerker bleek de klant opeens vast te zitten aan een contract. Het bedrijf nam de telefoonlijn over en de vaak langlopende relatie van de klant met KPN werd verbroken."

4.12. De stelling van Pretium dat al is uitgemaakt dat het onjuist is dat Pretium-medewerkers zich voordeden als medewerkers van KPN, en dat het daarom onrechtmatig is dat [gedaagde sub 2] de hierboven geciteerde uitlatingen deed, wordt verworpen. In het artikel wordt een beschrijving gegeven van de klachten. Dat is op zichzelf niet onrechtmatig. Wel moet daaraan de eis worden gesteld dat hierover naar waarheid wordt bericht, met andere woorden: de klachten moeten er wel zijn en ook de strekking hebben die [gedaagde sub 2] beschrijft in zijn artikel. Van [gedaagde sub 2] kan bovendien worden verwacht dat hij onderzoekt of de desbetreffende klachten enigszins serieus te nemen zijn. Daarmee komt de rechtbank aan de tweede klacht van Pretium.

Heeft [gedaagde sub 2] ten onrechte bericht dat er een grote hoeveelheid klachten over Pretium bestaat?

4.13. Pretium betwist dat [gedaagde sub 2], ten tijde van het schrijven van het artikel, kennis had genomen van een grote hoeveelheid klachten met de hierboven omschreven strekking. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat die klachten er waren. De Vara c.s. hebben als productie een groot aantal van deze klachten, zowel brieven als e-mails, overgelegd. De rechtbank heeft deze klachten bestudeerd en komt tot de conclusie dat inderdaad in een aanzienlijk deel van de klachten naar voren komt dat de klager het idee heeft gehad gebeld te zijn door een medewerker van KPN. In de ene klacht wordt dit pregnanter naar voren gebracht dan in de andere, maar een patroon als omschreven in het artikel valt in de overgelegde klachten wel degelijk te herkennen.

4.14. Voor zover Pretium zich op het standpunt stelt dat [gedaagde sub 2] alleen mag berichten over klachten waarvan is komen vast te staan dat ze "gegrond" zijn, stelt Pretium te hoge eisen. De rechtbank sluit zich op dit punt aan bij de conclusie van A-G Huydecoper voor het arrest in de kortgedingprocedure over het artikel "Aan de bel" (HR 16 december 2012, LJN BU3924):

"19. Overigens valt niet in te zien waarom een nieuwsmedium niet - naar waarheid - zou mogen berichten over het feit dat een bepaald verschijnsel tot veel klachten aanleiding geeft, en ook gedachten over de hieraan te verbinden gevolgtrekkingen zou mogen uiten, ook zonder dat vaststaat of de klachten gegrond waren. Het gaat om een maatschappelijk relevant feit. Het staat een ieder vrij om dat te signaleren, en ook om aan dat feit de gevolgtrekkingen te verbinden die men daar op redelijke gronden aan kan verbinden."

4.15. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat Pretium er kennelijk van uit gaat dat een klacht alleen "gegrond" is als sprake is van een handelen van Pretium in strijd met de regelgeving voor telefonische werving. De rechtbank deelt dat uitgangspunt niet; een consument kan zich ook onheus bejegend voelen door de wijze waarop een wervingsgesprek is gevoerd zonder dat regelgeving is overtreden. Ook over dergelijke klachten mag bericht worden.

4.16. De klachten waarover de Vara c.s. zelf beschikten vormden aldus voldoende feitelijke grondslag voor hetgeen door [gedaagde sub 2] in het artikel "Aan de bel" is vermeld, in het bijzonder de vermelding dat er een grote hoeveelheid klachten over Pretium bestaat. Daar komt nog bij dat Pretium niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de Vara c.s. een groot aantal klagers heeft benaderd teneinde na te gaan of de klachten serieus konden worden genomen.

4.17. Het is in dit verband, en anders dan Pretium betoogt, niet van belang of zich bij KPN daadwerkelijk 2.500 klagers gemeld hebben. [gedaagde sub 2] heeft in zijn artikel bovendien niet als feit vermeld dat KPN in een maand tijd maar liefst 2.500 klachten van onvrijwillige ex-klanten heeft ontvangen. Hij heeft slechts geschreven dat KPN "meldde" dat een dergelijk aantal klachten was ontvangen. Het feit dat KPN een dergelijke uitlating heeft gedaan, heeft Pretium onder 3.3 van de dagvaarding ook met zoveel woorden erkend.

4.18. Onjuist is dat [gedaagde sub 2] enkel over de klachten mocht berichten na Pretium eerst in de gelegenheid te hebben gesteld om de klachten te onderzoeken. Zoals hierboven reeds besproken, geldt immers niet als voorwaarde voor de rechtmatigheid van de berichtgeving in het artikel dat de klachten door Pretium gegrond zijn bevonden. De Vara c.s. voeren aan dat het hen niet, althans niet zonder meer, vrij staat om de klachten met de NAW-gegevens van de klagers door te spelen aan Pretium. Dit betoog komt de rechtbank juist voor. Pretium heeft bovendien niet toegelicht dat en op welke gronden het voor de Vara c.s. mogelijk zou zijn geweest om Pretium de klachten te laten onderzoeken.

4.19. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Pretium aangevoerd dat zij een 25-tal klachten, die abusievelijk niet (volledig) geanonimiseerd waren, heeft onderzocht en dat in ieder geval die klachten niet duiden op misstanden van enigerlei aard. De rechtbank zal om meerdere redenen aan deze stelling voorbijgaan. In de eerste plaats had Pretium, indien zij hierover een debat had willen voeren, deze stellingen eerder in de procedure gedocumenteerd naar voren kunnen en moeten brengen. De ordners met klachten had Pretium al geruime tijd in haar bezit; zij waren immers ook door de Vara c.s. in het geding gebracht in de kortgedingprocedure. Daarbij komt dat met deze stelling wederom over het hoofd wordt gezien dat voor de vermelding van het bestaan van klachten in een journalistiek artikel geen voorwaarde is dat die klachten gegrond zijn (bevonden). Tot slot lijkt Pretium er aan voorbij te zien dat het feit dat klagers (vrijwillig) klant bij Pretium zijn gebleven in het geheel niet meebrengt dat hun klacht over de telefonische wervingsmethode daarmee geen betekenis meer heeft.

4.20. Voor wat betreft de feitelijke grondslag van de hoeveelheid en de inhoud van de klachten in het artikel "Aan de bel" heeft het hof in de kortgedingprocedure nog gewicht toegekend aan bronnen, waaruit het bestaan van klachten blijkt, anders dan de in het geding gebrachte ordners met klachten. Het hof overweegt in rov. 4 onder meer:

"Ten tijde van de publicatie van het artikel "Aan de bel" was er al sprake van een structureel patroon, te herkennen uit de bevindingen van de Consumentenautoriteit aangaande de door haar bestudeerde transcripten van telefoongesprekken van twee callcenters uit begin 2007 en de resultaten van de opnamen met verborgen camera in het tv-programma Radar in september 2008."

4.21. Pretium heeft in de onderhavige procedure - in het bijzonder in haar akte uitlaten en overlegging producties voor de pleitzitting van 1 november 2012 - uitgebreid betoogd dat en waarom zowel de bevindingen van de Consumentenautoriteit, als de uitzending van Tros Radar niet kunnen bijdragen aan het oordeel dat er ten tijde van het artikel "Aan de bel" (gegronde) klachten waren als in het artikel omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft dit betoog geen bespreking, omdat reeds in de door de Vara c.s. overgelegde ordners met klachten voldoende feitelijke grondslag kan worden gevonden voor de in het artikel "Aan de bel" gegeven omschrijving van (de omvang van) de klachten.

4.22. Waar het gaat om de bevindingen van de Consumentenautoriteit, geldt bovendien het volgende. Pretium heeft overgelegd de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2011 (LJN BQ3528) in het beroep tegen de beslissing op bezwaar betreffende het sanctiebesluit van 4 december 2008 van de Consumentenautoriteit. Volgens Pretium biedt deze uitspraak geen enkele steun voor de beschuldigingen die de Vara c.s. in het artikel heeft geuit. Deze stelling is onjuist. Uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam volgt dat de Consumentenautoriteit voldoende heeft aangetoond dat eiseres niet voldaan heeft aan het vereiste om aan het begin van het gesprek duidelijk en ondubbelzinnig de identiteit en daarmee het commerciële oogmerk van het telemarketinggesprek mee te delen. De rechtbank Rotterdam overweegt hierover in rov. 2.4.5.6. als volgt:

"Immers - zoals verweerder (de Consumentenautoriteit, Rb.) heeft gesteld - blijkt uit de transcripts dat de callcenter-medewerkers aan het begin van de gesprekken volstaan met het vermelden van de bedrijfsnaam van eiseres (Pretium, Rb.), dat zij niet duidelijk uitleggen wat voor onderneming eiseres is en dat dit een andere aanbieder is dan KPN. Zij noemen direct na de introductie de naam van KPN en wekken de indruk dat er voor de consument, die een contract heeft met KPN, niets verandert. Volgens de callscripts wordt door de medewerkers vermeld dat de betreffende consument structureel teveel betaalt voor zijn abonnement. Vervolgens wordt aangegeven dat men goed nieuws heeft voor deze consument, namelijk dat hij in aanmerking komt voor een abonnementsverlaging. Daar wordt aan toegevoegd dat de consument gewoon blijft bellen zoals hij gewend is en de service, kwaliteit en de aansluiting allemaal hetzelfde blijven. Deze wijze van opbouw van het gesprek wekt de indruk dat het huidige vastnetabonnement van de consument verlaagd wordt en niet dat de consument een nieuw contract aangaat met een andere aanbieder.

(...)

Onder voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres te kort is geschoten in haar verplichting om de consument bij aanvang van het telemarketinggesprek zodanig te (laten) informeren, dat het voor de consument duidelijk is, dat hij van doen heeft met eiseres dat hem een commercieel aanbod wordt gedaan voor het afsluiten van een vastnetabonnement."

4.23. Deze overwegingen sluiten juist nauw aan bij de klachten die de Vara c.s. hebben ontvangen en die worden besproken in het artikel "Aan de bel": consumenten geven aan zich niet te hebben gerealiseerd dat zij met een nieuwe aanbieder in zee gingen, en voelen zich daarom misleid. Dat Pretium in het vonnis van 4 mei 2011 op bepaalde andere punten wel gelijk heeft gekregen, doet aan het bovenstaande niet af. Pretium stelt in dit verband nog dat andere telecom-bedrijven hogere boetes opgelegd hebben gekregen dan Pretium, maar die stelling is voor de beoordeling van dit geschil zonder enige relevantie.

4.24. Voor zover Pretium nog aanvoert dat de overwegingen in het vonnis van 4 mei 2011 niet kunnen bijdragen aan het oordeel dat de uitlatingen in het artikel "Aan de bel" voldoende feitelijke grondslag hebben, omdat [gedaagde sub 2] dit vonnis toen nog niet kon kennen, verwijst de rechtbank naar hetgeen A-G Huydecoper hierover heeft geschreven in zijn conclusie bij het arrest in de kortgedingprocedure over het artikel "Aan de bel" (HR 16 december 2012, LJN BU3924), bij welke overwegingen de rechtbank zich aansluit.

"26. Dit subonderdeel voert ook aan dat het hof slechts rekening had mogen houden met feiten die al ten tijde van de aan Vara c.s. verweten publicatie (aan Vara c.s.) bekend waren.

Hier lijkt mij, dat de klacht van een verkeerde rechtsopvatting uitgaat. Ik denk dat die rechtsopvatting steunt op een verkeerde uitleg van de leer van het EHRM, zoals o.a. blijkend uit de in alinea 13 hiervóór aangehaalde overweging.

27. De juiste uitleg van die leer lijkt mij deze, dat de gerechtvaardigdheid van een publicatie mede afhankelijk is van de mate waarin het gepubliceerde steun vond in de feiten waarover de voor de publicatie verantwoordelijken ten tijde van die publicatie konden beschikken.

Dat wil echter niet zeggen dat latere bevestiging van de juistheid van het gepubliceerde (aan de hand van later gebleken feiten) geen rol mag spelen. Dat de inhoud van een publicatie, waarvoor misschien ten tijde van het verschijnen daarvan nog onvoldoende feitelijke steun voorhanden was, later juist blijkt te zijn, vormt daarentegen onder vrijwel alle denkbare omstandigheden een rechtvaardiging (achteraf), ook waar die misschien ten tijde van de publicatie nog niet bestond.

28. Het omgekeerde geldt echter wel: als de beschikbare feiten op het moment dat een publicatie plaatsvindt, rechtvaardigen dat op dat moment een publicatie van deze inhoud wordt uitgebracht, wordt dat niet anders doordat achteraf andere feiten aan het licht komen die aantonen dat de aanvankelijke feitelijke basis tot verkeerde conclusies heeft geleid."

4.25. De bezwaren die Pretium heeft tegen de manier waarop in Tros Radar beelden zijn getoond die met een verborgen camera zijn gemaakt in één van de door Pretium ingeschakelde call-centers kunnen gezien het bovenstaande in het midden blijven, omdat zij niet relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Het verzoek tot aanhouding in verband met de uitspraak in de zaak Pretium - Tros is achterhaald, omdat de rechtbank 's-Gravenhage, na kennisneming van het ruwe opnamemateriaal, bij vonnis van 11 juli 2012 de vorderingen van Pretium tegen de Tros heeft afgewezen.

[gedaagde sub 2] suggereert in het artikel ten onrechte dat de eigenaar van een website met negatieve content over Pretium zijn content slechts onder advocatendruk heeft gewist.

4.26. Tussen partijen staat vast dat Pretium een kort geding aanhangig heeft gemaakt tegen een beheerder van meerdere websites, een zekere [B] (verder: [B]). Op deze websites bevonden zich tal van beschuldigingen aan het adres van Pretium. Volgens Pretium is het echter onjuist dat [B] de content van de websites onder advocatendruk van Pretium heeft gewist. [B] heeft namelijk een verklaring afgelegd waarin hij een beknopte samenvatting geeft van de wijze waarop hij Pretium in een kwaad daglicht heeft gesteld. Uit die verklaring blijkt dat [B] zich bewust is van het onrechtmatige karakter van zijn publicaties en dat hij op inhoudelijke gronden zijn ongelijk heeft erkend. Zo plaatste [B] zelf (verzonnen) klachten over Pretium op zijn websites om de discussie levend te houden, aldus Pretium.

4.27. Volgens de Vara c.s. is het artikel "Aan de bel" op dit punt wel degelijk feitelijk juist. [B] is immers overgegaan tot het leegmaken van zijn website en het plaatsen van de - in de kort geding dagvaarding gevorderde - rectificatie ná het ontvangen van de dagvaarding. Daarmee is hij wel degelijk gezwicht voor de advocatendruk, aldus de Vara c.s.

4.28. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde sub 2] de verklaring van [B] ten tijde van de publicatie van het artikel "Aan de bel" niet kende. Partijen zijn het er immers over eens dat die verklaring, die is gedateerd op 20 januari 2008, moet zijn afgelegd op 20 januari 2009 (zie het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 maart 2011). Het artikel "Aan de bel" is verschenen in het decembernummer van 2008. In de desbetreffende verklaring stelt [B] - zeer kort samengevat - dat hij voormalig werknemer is van KPN en een klachtensite over Pretium heeft opgezet, eigenlijk met geen ander doel dan te onderzoeken of het hem lukte met bepaalde technieken (zogenaamde SEO-technieken) een site met veel bezoekers te creëren. Hij heeft daarvoor negatieve berichten over Pretium van andere websites hergebruikt en bovendien zelf negatieve berichten toegevoegd. Uit de kortgedingdagvaarding komt dit motief en deze handelwijze van [B] niet naar voren; in de dagvaarding wordt met name ingezet op de feitelijke onjuistheid van de klachten over Pretium en over de toonzetting van één en ander. Vast staat voorts dat Pretium zelf de kortgedingdagvaarding aan de Vara c.s. heeft toegezonden en daarbij de - hiervoor genoemde - motieven niet onder de aandacht van de Vara c.s. heeft gebracht.

4.29. Tegen deze achtergrond moet beoordeeld worden of [gedaagde sub 2] onrechtmatig handelde door te berichten over de procedure tegen [B] op de wijze zoals hij deed en of van [gedaagde sub 2] kon worden gevergd dat hij nader onderzoek verrichtte. De rechtbank beantwoordt beide vragen ontkennend. Dat [B] de website kort ná het uitbrengen van de dagvaarding gewist heeft en de - in de dagvaarding gevorderde - rectificatie heeft geplaatst, is immers feitelijk juist. [gedaagde sub 2] mocht daaraan ook de conclusie verbinden dat [B] dit deed onder advocatendruk. Gesteld noch gebleken is dat [B] ook zonder de dagvaarding van plan was zijn site te wissen en een rectificatie te plaatsen, dit volgt ook niet uit zijn eerdergenoemde verklaring. Voor zover Pretium betoogt dat [gedaagde sub 2] meer onderzoek had moeten doen naar de motieven van [B], faalt deze stelling. Pretium heeft immers zelf de dagvaarding van [B] toegezonden aan de Vara c.s., kennelijk zonder verdere toelichting op de - later gebleken - motieven van [B]. Van de Vara c.s. kan dan niet worden verwacht dat zij nog nader bij Pretium informeren of zij daar soms meer van weet. Het is bovendien naar het oordeel van de rechtbank maar de vraag of Pretium in november 2008 zèlf op de hoogte was van de motieven van [B] als weergegeven in zijn verklaring, aangezien deze verklaring pas twee maanden later is afgelegd. Mogelijk wil Pretium betogen dat de uitlatingen van [gedaagde sub 2] onrechtmatig zijn, omdat achteraf is gebleken dat de motieven van [B] onzuiver waren. Voor dat geval verwijst de rechtbank naar het hierboven in punt 4.24 opgenomen citaat uit de conclusie van A-G Huydecoper (onder 28).

4.30. Het bovenstaande laat onverlet dat de berichtgeving van [gedaagde sub 2] over de rechtsmaatregelen van Pretium jegens [B] niet uitblinkt in genuanceerdheid. De grens van onrechtmatigheid is daarmee echter niet overschreden.

[gedaagde sub 2] beweert in het artikel ten onrechte dat Pretium tracht Kamervragen in de doofpot te (doen) stoppen.

4.31. Het standpunt van Pretium houdt in dat zij niet heeft geageerd tegen de Kamervragen als zodanig, maar slechts tegen het persbericht over die vragen. De Vara c.s. voert - kort gezegd - aan dat het persbericht niets anders inhield dan een feitelijke weergave van de vraag, zodat het persbericht en de vraag feitelijk niet van elkaar te onderscheiden waren. Pretium heeft deze stelling niet, althans niet gemotiveerd, betwist. In het licht van deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] niet onrechtmatig heeft gehandeld met zijn berichtgeving over de Kamervragen in het artikel "Aan de bel". De rechtbank sluit zich op dit punt aan bij het oordeel van het hof in de kortgedingprocedure en maakt dit tot het hare. Door Pretium zijn in de dagvaarding of de overige gedingstukken aangaande dit geschilpunt geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden, die meebrengen dat in deze bodemprocedure anders geoordeeld moet worden. Het oordeel van het hof luidt voor zover van belang als volgt (zie rov. 10):

"Het schrijven van de advocaat van Pretium betreffende het persbericht is door Pretium overgelegd als productie 33. Van de fractie werd een rectificatie geëist waarin zij uitspreekt dat de in het persbericht weergegeven Kamervragen Pretium ten onrechte in een kwaad daglicht plaatsen, dat de desbetreffende uitlatingen van de fractie geen reden is om aan te nemen dat Pretium wettelijke regels overtreedt. Wat de publicatie betreft werden niet slechts de meer gebruikelijke vormen verlangd, maar ook dat het rectificatiebericht, eveneens binnen 48 uur, verspreid zou worden onder alle Tweede Kamerleden en zou worden toegezonden aan de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Economische Zaken.

Hier werd dus geëist dat via de aangesproken fractie afbreuk aan de Kamervragen zelf werd gedaan. Dit rectificatieverzoek is van een principieel ander gehalte dan bijvoorbeeld een eis aan de fractie om te melden dat zij in verband met mogelijke schade voor het bedrijf in kwestie in dit geval de formulering van de Kamervragen niet één op één in het persbericht had mogen overnemen. Daarbij laat het hof overigens buiten beschouwing of, respectievelijk onder welke omstandigheden een dienovereenkomst geformuleerde rectificatie-eis, die op enigszins gespannen voet zou kunnen staan met het in beginsel openbare karakter van de Kamerwerkzaamheden, rechtens afdwingbaar is.

De conclusie is dat gegeven dit specifieke en ingrijpende karakter van de verlangde rectificatie [gedaagde sub 2] daarover in zijn artikel voldoende waarheidsgetrouw heeft bericht."

[gedaagde sub 2] had Pretium in de gelegenheid moeten stellen om op de in het artikel "Aan de bel" geuite beschuldigingen te reageren.

4.32. Los van de verschillende inhoudelijke bezwaren tegen het artikel "Aan de bel", die hierboven zijn besproken, beklaagt Pretium zich ook over de omstandigheid dat zij niet voor de publicatie over het artikel is geïnformeerd en niet in de gelegenheid is gesteld een weerwoord te geven. Er bestaat echter geen algemene regel die meebrengt dat een journalist die zich negatief uitlaat over een bedrijf altijd vooraf aan dat bedrijf een weerwoord moet vragen. Een dergelijke regel zou de vrijheid van meningsuiting te zeer inperken. Uit het bovenstaande volgt dat er voldoende feitelijke grondslag was voor de negatieve uitlatingen van [gedaagde sub 2] in het artikel "Aan de bel". Het vooraf informeren van Pretium had [gedaagde sub 2] derhalve niet op het spoor gezet van inhoudelijke onjuistheden in het artikel. Ook de kritische opmerkingen over de procedeerlust van Pretium maken het artikel niet onrechtmatig. Pretium betoogt terecht dat het haar vrijstaat om in rechte op te treden tegen haar onwelgevallige uitingen over haar bedrijf. Het staat de Vara c.s. evenzeer vrij om hun mening over de procedeerlust van Pretium wereldkundig te maken.

Het artikel "De praktijken van Pretium (2)"

4.33. Pretium stelt zich op het standpunt dat ook het vervolgartikel, gepubliceerd in het Kassa Magazine van maart 2010 onder de titel "De praktijken van Pretium (2)" jegens haar onrechtmatig is. De gevorderde rectificatie ziet immers op beide artikelen. Ter comparitie heeft Pretium haar bezwaren tegen het tweede artikel toegelicht. Volgens haar is dat artikel onrechtmatig omdat het een herhaling van de in het eerste artikel geuite beschuldigingen bevat. Ook is onjuist dat Pretium wordt verweten dat zij aan de vrijheid van meningsuiting tornt en klachten niet serieus neemt. De Vara c.s. hebben ten verwere aangevoerd dat het artikel slechts feitelijke juistheden en opinies bevat.

4.34. Naar het oordeel van de rechtbank is de kern van het tweede artikel dat de Vara c.s. bij het hof in de kortgedingprocedure alsnog gelijk hebben gekregen. Dat is feitelijk juist en derhalve niet onrechtmatig. Voor het overige heeft het artikel dezelfde strekking als het eerste artikel en behoeft het dus geen aparte bespreking.

Afronding

4.35. Het bovenstaande brengt mee dat de vorderingen van Pretium worden afgewezen. Pretium zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De Vara c.s. hebben aanvankelijk betoogt dat Pretium met de onderhavige procedure misbruik van procesrecht maakte. De Vara c.s. heeft dit standpunt bij gelegenheid van de comparitie van 28 maart 2011 laten varen. De rechtbank gaat er van uit dat de Vara c.s. daarmee ook hun standpunt dat een volledige proceskostenveroordeling moet volgen hebben laten varen; de aangekondigde specificatie van de (volledige) proceskosten is uitgebleven. De rechtbank gaat daarom uit van het liquidatietarief. De kosten aan de zijde van de Vara c.s. worden conform dat tarief begroot op € 263,= aan griffierecht en € 2.486,= aan salaris advocaat (5 1/2 punten x het toepasselijke tarief van € 452,=). De gevorderde wettelijke rente over de kosten kan - als onbestreden - worden toegewezen als gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Pretium in de kosten van het geding, aan de zijde van de Vara c.s. begroot op € 2.749,=, alsmede in de nakosten, begroot op € 131,= indien geen betekening van het vonnis plaatsvindt, danwel op € 199,= indien betekening plaatsvindt, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten en de nakosten ingaande op de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis;

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.