Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6971

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
Awb 11/16209
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tamil, 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Middelburg

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/16209

V-nummer: 273.913.5392

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde E. Derksen,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. S. Leijtens.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2011 (hierna: het bestreden besluit), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Op 11 mei 2011 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 september 2012. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.P. Shantan, tolk in de Tamil taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak één maal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [1983] en de Srilankaanse nationaliteit te bezitten. Op 7 december 2009 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij in de periode 2003-2007 gevangen heeft gezeten bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) omdat hij heeft geweigerd om de wapentraining te volgen. In deze periode heeft hij onder dwang moeten werken voor de LTTE. In november 2007 is hij ontsnapt nadat hij de LTTE heeft geholpen bij de herdenkingsdag op 27 november 2007. In december 2007 is hij teruggekeerd naar huis waar hij is ondergedoken. In oktober 2008 begonnen de bombardementen. Eiser is met zijn moeder en zijn jongste broer gevlucht. Betrokkene heeft verklaard zich over te hebben gegeven aan het Srilankaanse leger. Hij werd naar een vluchtelingenkamp gebracht. Zijn nationale identiteitskaart, een LTTE identiteitskaart en een identiteitskaart van zijn school zijn ingenomen. Vanaf maart 2009 werd betrokkene verhoord en mishandeld omdat hij werd verdacht van lidmaatschap van de LTTE. Door bemiddeling van een arts uit een vluchtelingenkamp is hij opgenomen in een ziekenhuis. In het ziekenhuis is hij zijn oom tegengekomen en heeft aan hem verteld wat hem is overkomen. Zijn oom heeft kunnen regelen dat eiser met de hulp van een tussenpersoon kon ontsnappen naar Colombo. Eiser stelt per schip naar Nederland te zijn gereisd.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt.

4. Eiser heeft onder verwijzing naar de zienswijze -samengevat- het volgende aangevoerd. Verweerder heeft hem ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) tegengeworpen. Niet is betwist dat hij nimmer reisdocumenten heeft gehad, zodat het ontbreken daarvan hem niet worden verweten.

Hij stelt dat de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties (bijvoorbeeld tussen het eerste gehoor en het nader gehoor) vanwege zijn gezondheidstoestand niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. Hij overlegt daartoe een brief van 18 mei 2011 van zijn behandelaars bij de Reinier van Arkel Groep.

Naar aanleiding van de overwegingen van verweerder met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van eisers rekrutering voor de “strijd” stelt eiser dat uit het ambtsbericht en uit andere bronnen blijkt dat de LTTE met regelmaat afweek van het quotum dat per gezin werd gehanteerd. Uit de beschikbare informatie kan niet worden opgemaakt hoe het quotum in de praktijk werd vormgegeven.

Voorts stelt eiser dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij van november 2007 tot oktober 2008 in zijn eigen woning heeft kunnen verblijven.

Met betrekking tot de overwegingen van verweerder over de duur van het verblijf in het ziekenhuis stelt eiser dat de behandelend arts hem niet eerder uit ziekenhuis heeft ontslagen omdat hij in een andere situatie dan de overige reguliere patiënten verkeerde. Eiser bekritiseert vervolgens de nieuwe overweging met betrekking tot zijn bewaking en de stelling dat er sprake is van een hoge mate van toeval wanneer zijn oom zijn verwanten komt bezoeken.

5. Eiser heeft ter onderbouwing van de navolgende gronden de volgende stukken overgelegd:

- Out of het Silence: New Evidence of Ongoing Torture in Sri Lanka 2009-2011, Freedom from Torture,

- Locked Away: Sri Lanka’s Security Detainees, Amnesty International, March 2012,

- Sri Lanka’s North II: Rebuilding under the Military, International Crisis Group, 16 March 2012,

- Treatment of Failed Asylum Seekers, Tamils Against Genocide, May 2012.

Eiser heeft vervolgens de volgende uitspraken en stukken overgelegd die betrekking hebben op asielprocedures van Tamils uit Sri Lanka :

- een verzoek van 16 augustus 2012, gericht aan deze rechtbank, nevenlocatie Rotterdam, om heropening van onderzoek van een naar Sri Lanka teruggekeerde asielzoeker, een verklaring van M.B.M. Mahir, Attorney-at-Law betreffende de detentie bij aankomst in Sri Lanka van een met name genoemde persoon,

- een proces-verbaal van 20 augustus 2012 van deze rechtbank, nevenlocatie Arnhem betreffende deze persoon,

- een uitspraak van 10 juli 2012 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenlocatie Haarlem,

- een uitspraak van 22 juni 2012 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenlocatie Arnhem,

- een uitspraak van 19 juni 2012 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenlocatie Zwolle,

- een uitspraak van 6 juni 2012 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenlocatie Zwolle,

- Statement of facts and questions van 15 maart 2012 van het Europese hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak N. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (nr. 16458).

Eiser heeft voorts geciteerd uit de volgende overgelegde persberichten:

- van 24 februari 2012, Human Rights Watch (HRW), Sri Lanka, Tamils gemarteld na terugkeer uit VK,

- van 13 maart 2012, Amnesty, Sri Lanka, illegale detentie houdt aan,

- 16 maart 2012: ICG, Sri Lanka, Opbouw Noordelijke Provincie, discriminatie en spanningen Tamils,

- 28 april 2012, TamilNet, Sri Lanka, Gedeporteerde Tamil vanuit UK gedood en arrestaties gedeporteerde Tamils,

- Mei 2012, Tamils against Genocide, behandeling teruggekeerde asielzoekers,

- 23 mei 2012, UK Parliament, Sri Lanka, motie over deportatie Tamils,

- 29 mei 2012, HRW, Sri Lanka, opnieuw marteling terugkeerders, UK moet deportaties stoppen,

- 31 mei 2012, The Independent, Sri Lanka, Deportatie vindt geen doorgang mogelijk marteling bij terugkeer,

- 31 mei 2012, The Independent, Sri Lanka, dreigende deportatie Tamils,

- 1 juni 2012, The Independent, Sri Lanka, Rechter houdt deportatie Tamil tegen,

- 7 juli 2011, Freedom from torture, Sri Lanka, Marteling LTTE verdachten gaat door.

Eiser heeft voorts nog het volgende overgelegd:

- een brief van 7 augustus 2012 van HRW (met bijlagen) gericht aan minister Leers,

- Kamervragen van Groen Links aan de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 28 augustus 2012 naar aanleiding van het bericht dat naar Sri Lanka uitgezette Tamils zijn gedetineerd en gemarteld.

6. Eiser stelt dat het risico op schending van artikel 3 van het EVRM dient te worden beoordeeld aan de hand van een lijst van risicofactoren zoals genoemd in de uitspraak van het EHRM van 17 juli 2008, NA tegen het Verenigd Koninkrijk, LJN: BF0248. Ten onrechte heeft verweerder deze factoren niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Verder miskent verweerder dat Tamils uit het Noorden die zich in Colombo vestigen in de verhoogde aandacht staan van de autoriteiten. Hij wijst daarbij op een rapport van de Schweizerische FlüchtlingsHilfe van 1 december 2010 en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2010: Tamils worden bij terugkeer op het vliegveld tijdens de ondervragingen blootgesteld aan behandelingen die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM.

Eiser heeft zich voorts nog beroepen diverse rapporten zoals het rapport “Out of the Silence: new evidence of ongoing torture in Sri Lanka 2009-2011” van de Britse organisatie Freedom from Torture.

Ook heeft eiser zich beroepen op WBV 2012/10 en heeft vervolgens nog diverse documenten overgelegd. Volgens eiser blijkt nu eerst dat terugkerende Tamil asielzoekers worden blootgesteld aan marteling op de luchthaven in Colombo. Niet is er louter sprake van een verslechtering van de behandeling maar er zijn concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het meest recente ambtsbericht van juli 2011 met betrekking tot de problemen die zij ondervinden bij terugkeer.

Eiser verwijst -onder andere- naar een bericht van The Independent van 1 juni 2012 en een persbericht van Human Rights Watch van 29 mei 2012. Uit een uitspraak van de Britse High Court of Justice van 31 mei 2012 blijkt dat dit persbericht de aanleiding is geweest om een uitzetting van Tamils op te schorten.

Ook heeft eiser ter onderbouwing van de situatie waarin terugkerende Tamils komen te verkeren een aantal uitspraken overgelegd.

In het licht van het voorgaande is volgens eiser verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aangewezen. Tot slot heeft eiser gesteld dat er concrete twijfels bestaan over de juistheid en volledigheid van het BMA-advies van 24 januari 2011 en verwijst daartoe naar de brief van 18 mei 2011 van zijn behandelaars en de mail van 28 augustus 2012 als reactie op het actuele BMA-rapport van 27 maart 2012. Schending van artikel 3 van het EVRM dreigt nu hij niet in zijn voormalige woonplaats een medische behandeling kan ondergaan. De hoofdstad Colombo is in dit kader geen binnenlands vestigingsalternatief voor eiser.

7. Verweerder heeft zich naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde stukken (bij fax van 12 september 2012 in het kader van artikel 83 van de Vw 2000) -samengevat- op het volgende standpunt gesteld. In het licht van het beroep op artikel 3 van het EVRM is in het bestreden besluit bezien of er sprake is van risicofactoren die aanleiding vormen om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. De overgelegde informatie doet geen afbreuk hieraan, omdat het relaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden en de banden met de LTTE niet aannemelijk zijn geworden. De rapporten waarin wel sprake is van banden met de LTTE kunnen om die reden buiten beschouwing blijven. De berichten over de behandeling van andere Sri Lankanen kunnen om dezelfde reden evenmin tot een ander oordeel leiden.

De stukken die zijn overgelegd zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het ambtsbericht van juli 2011 en aan WBV 2012/10. Niet elke Tamil loopt bij terugkeer risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Bepalend zijn de risicofactoren zoals genoemd in WBV 2012/10. Hiervan is echter in dit geval geen sprake, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

8. In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid het ontbreken van documenten waarmee zijn nationaliteit, identiteit en reisroute kunnen worden vastgesteld en het ontbreken van documenten waarmee hij zijn asielrelaas kan onderbouwen, aan eiser kunnen tegenwerpen. Verweerder heeft reeds om die reden kunnen komen tot de conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De rechtbank overweegt dat het niet aannemelijk is dat hij geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen welke hij volgens zijn verklaring per schip heeft afgelegd. Evenmin is aannemelijk dat hij geen informatie kan verstrekken omtrent (de naam van) het schip, haar bemanning, de lading en de vaarroute van Sri Lanka naar Nederland.

Het beroep (ter zitting gedaan) op twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van respectievelijk 25 april 2008 (LJN: BD1536) en 11 mei 2011 (LJN BQ4610) kan gelet op het voorgaande niet slagen.

Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

10. De stelling van eiser ter zitting gedaan, dat het niet op zijn weg ligt om nader te onderbouwen dat hij niet in staat was om te worden gehoord, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiser om aan te geven dat hij niet in staat was om verklaringen af te leggen. In het eerste gehoor alsmede in het nader gehoor zijn hiervoor geen aanwijzingen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser tijdens het nader gehoor werd bijgestaan door een medewerkster van VluchtelingenWerk die desgevraagd na afloop ook geen opmerkingen hieromtrent heeft gemaakt. Naderhand zijn evenmin correcties en aanvullingen ingediend waaruit het tegendeel valt op te maken. Verweerder heeft daarom op basis van hetgeen eiser heeft verklaard, kunnen komen tot een beslissing.

11. Vervolgens overweegt de rechtbank met betrekking tot de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden over de gestelde deelname van zijn broers aan de LTTE als volgt. Verweerder heeft op basis van de verklaringen tijdens het eerste gehoor en het nader gehoor de verklaring van eiser hierover in twijfel kunnen trekken. Immers, van belang hierbij is dat de feiten die in beide gehoren door eiser zijn verstrekt dusdanig tegenstrijdig zijn dat deze vraagtekens oproepen. Tijdens zijn eerste gehoor heeft eiser verklaard dat zijn oudste broer in 2005 bij gevechten voor de LTTE is omgekomen en dat zijn tweede broer zich een half jaar later bij de LTTE heeft aangesloten. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in 2000 met zijn studie moest stoppen omdat zijn beide broers zich bij de LTTE hadden aangesloten en dat hij daarom als oudste werd beschouwd die voor het inkomen zorg moest dragen. De verklaring van eiser dat hij in 2003 werd gedwongen om een wapentraining bij de LTTE te volgen en de reden die hij daarvoor geeft (zijn broers waren volgens zijn verklaring reeds bij de LTTE), heeft verweerder in het licht van het voorgaande kunnen betwijfelen. Immers, in 2003 had één van de broers zich blijkens een latere verklaring nog niet bij de LTTE aangesloten. Het voorgaande betekent eveneens dat verweerder de verklaring van eiser dat hij van 2003 tot 2007 in gevangenschap voor de LTTE heeft moeten werken ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Ook de verklaring dat hij vervolgens uit deze gevangenschap is ontsnapt en zonder problemen thuis heeft kunnen verblijven heeft verweerder mede in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig kunnen achten. Daarbij heeft verweerder mede in aanmerking kunnen nemen dat de LTTE basis in de buurt was en dat hij al eerder was opgepakt.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Sri Lankaanse leger hem vervolgens heeft verdacht van betrokkenheid bij de LTTE.

Daargelaten het voorgaande, verweerder heeft het verblijf in het ziekenhuis, gelet op de wijze waarop eiser over zijn bewegingsvrijheid, over zijn bewaking en over de eenvoudige wijze waarop hij kon ontkomen (zo kwam er toevallig een oom langs die de ontsnapping heeft geregeld), heeft verklaard, eveneens ongeloofwaardig kunnen achten. Nu het voorstaande in de zienswijze noch in beroep is weggenomen, heeft verweerder kunnen besluiten dat aan het relaas positieve overtuigingskracht ontbreekt en dat het asielrelaas daarmee als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag heeft.

13. Met betrekking tot het gestelde risico op schending van artikel 3 van het EVRM oordeelt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser een jonge Tamil is, dat hij afkomstig is uit LTTE gebied (het laatste bolwerk), littekens heeft, niet over documenten beschikt en een afgewezen asielzoeker is. De vraag dient te worden beantwoord of het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2011 over de terugkeer van Tamils naar Sri Lanka in het licht van al hetgeen door eiser is aangedragen nog wel actueel is en of de situatie niet wezenlijk veranderd is. Niet valt uit te sluiten dat personen met dezelfde kenmerken als eiser bij terugkeer op de luchthaven van Colombo een behandeling wacht die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Ook de recente Nederlandse zaken en uitspraken die eiser heeft overgelegd roepen vragen op over het risico dat Tamils zoals eiser lopen bij terugkeer naar Sri Lanka. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank hieromtrent niet volstaan met een opmerking ter zitting dat onduidelijk is wat er in die zaken speelde. De beoordeling of er sprake is van een reëel risico dient immers met grote nauwgezetheid (rigorous scrutiny) plaats te vinden. Hiervan is in dit geval onvoldoende gebleken.

14. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiser heeft overgelegd voldoende aannemelijk is geworden dat de situatie van terugkerende afgewezen Tamil asielzoekers in 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de in het ambtsbericht van juli 2011 beschreven periode. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

15. De overige beroepsgronden die met name betrekking hebben op de psychische situatie van eiser en de behandeling die hij daarvoor ondergaat kunnen buiten bespreking blijven.

16. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad €874,-- te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december

2012.

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State.