Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6818

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/37956
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste beroep vreemdelingenbewaring ongegrond. Bewoner tentenkamp uitgeprocedeerde asielzoekers Notweg Amsterdam.

Beroep gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Anders dan in het geval van eiser was in de gevallen van de andere bewoners van het tentenkamp die niet in bewaring zijn gesteld gebleken dat zij niet of niet binnen een redelijke termijn uitzetbaar waren. Nu eiser deze toelichting van verweerder niet heeft bestreden en hij zijn stelling dat sprake is van willekeur of van ongelijke behandeling van gelijke gevallen ook niet nader heeft onderbouwd, anders dan met de constatering dat het allen illegale uitgeprocedeerde vreemdelingen betroffen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van inhoudelijk gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld.

Verweerder kon oordelen dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eisers voorgenomen verblijf in de Jozefkerk is geen vaste woon- of verblijfplaats. Eiser heeft niet aangetoond dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om zelfstandig uit Nederland te vertrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 12/37956

V-nr: 273.976.9689

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1987], van (gestelde) Ethiopische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 30 november 2012 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 4 december 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 13 december 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig

T.K. Kinfe als tolk in de Amhaarse taal.

Overwegingen

Feiten

1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft vergeefs geprobeerd door middel van een asielaanvraag rechtmatig verblijf in Nederland te krijgen. Hij heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, maar dat beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 1 juni 2011 ongegrond verklaard.

Op 30 november 2012 heeft de burgemeester van Amsterdam een tentenkamp aan de Notweg te Amsterdam, alwaar uitgeprocedeerde asielzoekers aandacht vroegen voor hun verblijfssituatie, door de politie laten ontruimen. Eiser verbleef in dat tentenkamp, tezamen met ruim honderd andere vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Tijdens de ontruiming is eiser door de politie aangehouden, omdat hij werd verdacht van overtreding van artikel 7, aanhef en onder b en c, in samenhang met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet openbare manifestaties. In die artikelen is - kort gezegd - het handelen in strijd met een opdracht van de burgermeester aan degenen die een betoging houden of daaraan deelnemen om die betoging terstond te beëindigen of om uiteen te gaan, strafbaar gesteld.

1.2. Na zijn aanhouding en voorgeleiding is eiser op 30 november 2012 door de hulpofficier van justitie heengezonden. Aansluitend is eiser op 30 november 2012 om 20.37 uur overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Daar is hij opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw 2000 om zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie te onderzoeken. Uit het door de vreemdelingenpolitie tijdens de ophouding verrichte onderzoek kwam naar voren dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Vervolgens is eiser op 30 november 2012 om 21.18 uur op grond van artikel 59 van de Vw 2000 in (vreemdelingen)bewaring gesteld.

Beoordeling

2.1 Eiser heeft aangevoerd dat van alle mensen die in het tentenkamp zijn aangehouden, de meesten zijn heengezonden en dat een klein aantal in bewaring is gesteld. Het is onbegrijpelijk waarom eiser in bewaring is gesteld, terwijl vele anderen weer in vrijheid zijn gesteld. Eiser bevond zich immers in dezelfde situatie als de anderen in het tentenkamp. Net als eiser zijn zij uitgeprocedeerde asielzoekers, hebben zij geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikken zij niet over voldoende middelen van bestaan.

2.2 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij de ontruiming van het tentenkamp ruim honderd vreemdelingen strafrechtelijk zijn aangehouden en dat acht vreemdelingen aansluitend in vreemdelingenbewaring zijn gesteld. Bij elke vreemdeling is een individuele beoordeling gemaakt of het in dat geval gerechtvaardigd was een maatregel van bewaring op te leggen. Een belangrijk aspect bij deze beoordeling is het zicht op uitzetting. Ten aanzien van bepaalde landen, als bijvoorbeeld Irak en Somalië, ontbreekt het zicht op uitzetting dan wel is het zicht op uitzetting moeizaam, zodat vreemdelingen afkomstig uit die landen niet of minder snel in bewaring zullen worden gesteld. Naast het zicht op uitzetting worden alle andere omstandigheden van het individuele geval in aanmerking genomen. Zo kan in een geval waarin wel zicht op uitzetting bestaat, om andere reden toch worden besloten niet over te gaan tot opleggen van een maatregel van bewaring. Anders dan in de andere gevallen, waren er in het geval van eiser voldoende gronden aanwezig om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, aldus verweerder.

2.3 De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Voorop staat dat van schending van het gelijkheidsbeginsel of van het handelen in strijd met het verbod op willekeur vereist is dat inhoudelijk gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Wanneer gevallen niet gelijk zijn, kan een ongelijke behandeling dan ook gerechtvaardigd zijn. Dat vereist dan ook een zorgvuldige vergelijking van de inhoudelijke aspecten van de diverse gevallen.

2.4 Nu eiser deze toelichting van verweerder niet heeft bestreden en hij zijn stelling dat sprake is van willekeur of van ongelijke behandeling van gelijke gevallen ook niet nader heeft onderbouwd, anders dan met de constatering dat het allen illegale uitgeprocedeerde vreemdelingen betroffen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van inhoudelijk gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

3.1 Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser zich niet heeft gehouden aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, dat hij eerder een visum, besluit kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht blijkt Nederland te verlaten en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven, dat hij zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten, dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2 Eiser heeft betwist dat hij zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn identiteitsdocumenten, omdat hij nooit identiteitspapieren heeft gehad.

3.3 De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van de overige omstandigheden, die eiser niet heeft betwist, al heeft kunnen concluderen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, zodat deze beroepgrond geen nadere bespreking behoeft.

4.1 Eiser voert verder aan dat het zicht op uitzetting naar Ethiopië ontbreekt. Het is algemeen bekend dat ten aanzien van ongedocumenteerde vreemdelingen het contact met de Ethiopische autoriteiten met betrekking tot uitzetting naar Ethiopië zeer moeizaam verloopt. Daarmee ontbreekt het zicht op uitzetting op redelijke termijn, aldus eiser.

4.2 De rechtbank overweegt dat uit de antwoorden van verweerder van 16 februari 2012 en 6 september 2012 op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), die zowel bij partijen als bij de rechtbank bekend zijn, blijkt dat de Ethiopische autoriteiten in de jaren 2009, 2010 en 2011, in elk jaar één laissez passer (lp) hebben verstrekt. Verder blijkt dat in de periode van 1 januari 2012 tot 1 juni 2012 25 aanvragen om een lp zijn ingediend, maar dat deze aanvragen nog niet tot afgifte van een lp hebben geleid.

Verweerder heeft verklaard dat er in november 2012 overleg heeft plaatsgevonden tussen de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Ethiopische autoriteiten en dat de Ethiopische autoriteiten in dat overleg nadrukkelijk hebben aangegeven dat op basis van vrijwilligheid afgifte van een lp en terugkeer naar Ethiopië mogelijk is. Gelet op deze informatie en het feit dat in 2009, 2010 en 2011 wel lp’s zijn afgegeven, is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting naar Ethiopië niet ontbreekt. Dat de afgifte van lp’s door de Ethiopische autoriteiten in het verleden moeizaam is verlopen en dat in het verleden ook overleg met de autoriteiten heeft plaatsgevonden, maakt niet dat nu, voor de toekomst, de afgifte van een lp bij voorbaat niet te verwachten is. Dat in 2012 nog geen lp’s zijn afgegeven, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt voorts dat inbewaringstelling van een vreemdeling erop gericht is de vreemdeling te doen terugkeren naar zijn land van herkomst. Die maatregel maakt het mogelijk erop toe te zien dat de vreemdeling alsnog de van hem te verlangen inspanningen verricht met het oog op terugkeer. Dat betekent dat ook van eiser mag worden verlangd dat hij volledig en actief meewerkt aan zijn terugkeer. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met volledige en actieve medewerking het zicht op uitzetting ten aanzien van eiser niet ontbreekt.

5.1 Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een minder zwaar middel dan bewaring. Eiser zal bij opheffing van de maatregel opgevangen kunnen worden in de [locatie], waar ook andere personen uit het tentenkamp momenteel worden opgevangen. In die zin zal eiser een vaste verblijfplaats hebben waar verweerder hem kan bereiken.

5.2 Verweerder heeft naar voren gebracht dat op eiser al sinds de afwijzing van zijn asielaanvraag de vertrekplicht rust, maar dat eiser daaraan geen gehoor heeft gegeven en dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, zodat hij niet bereikbaar is.

Een tijdelijke opvang in de [locatie] is onvoldoende om aan te nemen dat eiser over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Dat hij geruime tijd in de [locatie] kan verblijven en kan worden getraceerd, is niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.

6. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

7. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. H Zimmerman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JP

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.