Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6813

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
430560 / HA RK 12-660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking. Wrakingsgronden: door zonder overleg en instemming van partijen in zijn rolbeschikking van 2 augustus 2012 aan te kondigen kennis te zullen nemen van het dossier van een collega in een andere zaak, heeft de kantonrechter er blijk van gegeven deze zaak niet onbevangen en onbevooroordeeld te behandelen. Verder is de rechterlijke onpartijdigheid in het geding, omdat de kantonrechter in zijn rolbeschikking van 2 augustus 2012 bovendien heeft besloten dat door partijen ter comparitie op kernpunten diende te worden gepleit. Hierdoor is verzoeker in zijn recht op pleidooi beknot.

De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan nu er tussen de rolbeschikking van 2 augustus 2012 en het wrakingsverzoek ter comparitie van 31 oktober 2012 bijna drie maanden zijn verstreken. Het betoog van verzoeker dat hij heeft gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek tot het moment van de comparitie, omdat hij eerst zeker wilde weten dat de kantonrechter ook daadwerkelijk het andere dossier had gelezen, wordt verworpen. De kantonrechter had immers al in de rolbeschikking van 2 augustus 2012 aangekondigd het dossier tot zijn beschikking te hebben ter zitting, zodat verzoeker op dat moment al ervan uit moest gaan dat de kantonrechter kennis zou nemen van de inhoud daarvan.

Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingsnummer 2012/75

zaak-/rekestnummer: 430560 / HA RK 12-660

kenmerk hoofdzaak: 1168211 / CV EXPL 12-4670

datum beschikking: 3 december 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt;

strekkende tot wraking van:

mr. J. van der Windt,

kantonrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage.

Belanghebbenden:

- Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland (GGZ),

gevestigd te Delft,

advocaat: mr. D.J.G. Timmermans;

- [A],

wonende te [plaats],

advocaat: mr. R.W. Keus.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedaagde in een omvangrijke procedure die wordt behandeld door de kantonrechter te Delft. Daarnaast is een andere procedure aanhangig tussen GGZ en verzoeker, die door een andere kantonrechter te Delft, mr. A.P. Ploeger, wordt behandeld.

Op 2 augustus 2012 heeft de kantonrechter mr. J. van der Windt een rolbeschikking genomen, waarbij hij aankondigde in het kader van het beproeven van een minnelijke regeling ter comparitie van 31 oktober 2012 te zullen beschikken over het dossier in de zaak die wordt behandeld door mr. A.P. Ploeger.

Ter comparitie van 31 oktober 2012 heeft mr. P.P.J. van der Rijt namens verzoeker onderhavig wrakingsverzoek ingediend.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 19 november 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.P.J. van der Rijt, is verschenen. De kantonrechter is eveneens verschenen.

3. Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Door zonder overleg en instemming van partijen in zijn rolbeschikking van 2 augustus 2012 aan te kondigen kennis te zullen nemen van het dossier van een collega in een andere zaak, heeft de kantonrechter er blijk van gegeven deze zaak niet onbevangen en onbevooroordeeld te behandelen.

Verder is de rechterlijke onpartijdigheid in het geding, omdat de kantonrechter in zijn rolbeschikking van 2 augustus 2012 bovendien heeft besloten dat door partijen ter comparitie op kernpunten diende te worden gepleit. Hierdoor is verzoeker in zijn recht op pleidooi beknot.

4. Het standpunt van mr. J. van der Windt

De kantonrechter berust niet in de wraking.

De kantonrechter stelt zich op het standpunt dat het faxbericht met aanvullende gronden van verzoeker van 19 november 2012, dat hij eerst kort voor de zitting heeft ontvangen en nog niet heeft kunnen lezen, niet bij de beoordeling mag worden betrokken.

Ten aanzien van het wrakingsverzoek stelt de kantonrechter dat dit te laat is ingediend. Verzoeker had dit meteen na ontvangst van de rolbeschikking van 2 augustus 2012 moeten indienen.

Voorts heeft hij met goede intenties globaal kennis genomen van het andere dossier dat door mr. Ploeger wordt behandeld, dat overigens grotendeels overeenkomt met het dossier in de hoofdzaak. Zijn doel was beide procedures behapbaar te maken. Hij heeft weliswaar kennis genomen van de aantekeningen van de griffier in de andere procedure, maar de aantekeningen van mr. Ploeger waren voor hem onleesbaar.

Van een inperking van het recht op pleidooi was geen sprake. De kantonrechter heeft partijen bij uitzondering willen toestaan dat partijen ter comparitie gebruik mochten maken van pleitnotities. Voor de zaak stond de hele middag gepland en het was niet uitgesloten dat er daarna conclusies van repliek en dupliek zouden volgen, waarna in overleg met partijen doorprocederen ook nog tot de mogelijkheden behoorde, gelet op de omvang van het dossier en de belangen van partijen.

5. De beoordeling

5.1. De wrakingskamer heeft het faxbericht met aanvullende gronden van verzoeker van 19 november 2012 bij de beoordeling betrokken, omdat alle punten die in dat faxbericht zijn genoemd ter zitting uitgebreid zijn besproken en de kantonrechter alle gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren zodat hij niet in zijn verdediging is geschaad.

5.2. Artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.

De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan nu er tussen de rolbeschikking van 2 augustus 2012 en het wrakingsverzoek ter comparitie van 31 oktober 2012 bijna drie maanden zijn verstreken. Het betoog van verzoeker dat hij heeft gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek tot het moment van de comparitie, omdat hij eerst zeker wilde weten dat de kantonrechter ook daadwerkelijk het andere dossier had gelezen, wordt verworpen. De kantonrechter had immers al in de rolbeschikking van

2 augustus 2012 aangekondigd het dossier tot zijn beschikking te hebben ter zitting, zodat verzoeker op dat moment al ervan uit moest gaan dat de kantonrechter kennis zou nemen van de inhoud daarvan.

Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoeker [verzoeker] p/a zijn advocaat mr. P.P.J. van der Rijt;

• belanghebbenden:

- Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland (GGZ);

- [A] p/a de advocaat mr. R.W. Keus;

• kantonrechter mr. J. van der Windt.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Timmermans, J. Mendlik en A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.X. Cozijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2012.