Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
12/25019, 12/25020
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder (COa) heeft de aanvraag van eisers om hen op te vangen in een regulier asielzoekerscentrum afgewezen. Eisers verblijven sinds 8 september 2011 in de Gezinsopvanglocatie te Katwijk, nadat de minister van Immigratie, Integratie en Asiel met toepassing van artikel 56 Vw aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij feitelijk geen opvang op grond van de Rva 2005 aan eisers kan verlenen, zolang de vrijheidsbeperkende maatregel van kracht is. Eisers hebben ter zitting betoogd dat zij (nog) geen verzoek tot opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel hebben ingediend, omdat zij bij toewijzing daarvan op straat zullen komen te staan als verweerder hen geen opvang biedt. Daarom hebben eisers er belang bij dat eerst wordt beslist of verweerder opvang aan hen dient te bieden. Hierin volgt de rechtbank eisers niet. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 volgt dat de Staat dient te voorzien in de opvang van uitgeprocedeerde minderjarigen indien hun eveneens hier te lande verblijvende ouders niet meewerken aan uitzetting. Hieruit volgt dat opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel niet tot gevolg kan hebben dat eisers uit de gezinsopvanglocatie worden verwijderd, althans niet zonder dat hen een andere opvangplaats wordt aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen procesbelang bij het onderhavige beroep, nu verweerder hen feitelijk geen opvang kan verlenen op grond van de Rva 2005 zolang de vrijheidsbeperkende maatregel van kracht is en zij door het beroep dus niet in een

materieel gunstiger positie kunnen geraken. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/25019 (beroep)

AWB 12/25020 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 13 december 2012 in de zaak tussen

1. [eiser],

geboren op [geboortedatum],

2. [eiser],

geboren op [geboortedatum],

3. [eiser],

geboren op [geboortedatum],

4. [eiser],

geboren op [geboortedatum],

allen van Russische nationaliteit,

eisers / verzoekers,

hierna samen te noemen eisers en ieder afzonderlijk eiser 1, eiseres, eiser 2 en eiser 3,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

(gemachtigde: mr. N.J. Atakan, werkzaam bij het COA).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om hen op te vangen in een regulier asielzoekerscentrum (azc) afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, dat inhoudt dat verweerder wordt geboden eisers opvang te bieden in een azc tot op het beroep zal zijn beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012, met toestemming van partijen gezamenlijk met de behandeling van de zaken (AWB 12/16671 en AWB 12/5892) tussen eiser 1 en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister van Immigratie, Integratie en Asiel (de minister van I, I & A). Eiser 1 en eiseres zijn verschenen, mede namens eiser 2 en eiser 3, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.Q. Sandifort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage. Ter zitting is als getuige-deskundige gehoord dr. W.C.P. Guijt.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

1.1 Eiser 1 en eiseres zijn met elkaar gehuwd. Eiser 3 en eiser 4 zijn de thans nog minderjarige kinderen van eiser 1 en eiseres.

1.2 Eisers hebben op 17 september 2010 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 15 maart 2011 afgewezen. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 10 augustus 2011 (Awb 11/12215) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het hiertegen ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 29 september 2011 (nr. 201109759/1/V3) ongegrond verklaard.

1.3 Eisers verblijven sinds 8 september 2011 in de Gezinsopvanglocatie te Katwijk, nadat de minister van I, I, & A met toepassing van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan eisers de verplichting had opgelegd te verblijven in de gemeente Katwijk (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).

1.4 Eiser 1 heeft op 8 september 2011 een aanvraag ingediend om artikel 64 van de Vw op hem toe te passen. De minister van I, I & A heeft deze aanvraag bij besluit van 17 februari 2012 afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 21 mei 2012 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (AWB 12/16671).

2. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen, omdat zij niet behoren tot een van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 1, aanhef en onder d, in verbinding met artikel 3, tweede en derde lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Rva 2005 genereert het beroep op artikel 64 van de Vw geen recht op opvang. De Afdeling heeft bij uitspraak van 28 maart 2007 (LJN: BA4652) bepaald dat verweerder buiten de Rva 2005 om slechts opvang dient te verlenen indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. De door eisers aangevoerde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder, dat verweerder hierin aanleiding ziet om eisers opvang te verlenen. Indien eisers bezwaren hebben tegen het verblijven op een gezinslocatie, dienen zij zich te wenden tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), die op grond van artikel 56 van de Vw een vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd aan eisers.

3. Gelet op het feit dat eisers thans op basis van de door de minister van I, I & A opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel verplicht zijn binnen de grenzen van de gemeente Katwijk te verblijven, ligt de vraag voor of eisers thans procesbelang hebben bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij feitelijk geen opvang op grond van de Rva 2005 aan eisers kan verlenen, zolang de vrijheidsbeperkende maatregel van kracht is. Eisers hebben ter zitting betoogd dat zij (nog) geen verzoek tot opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel hebben ingediend, omdat zij bij toewijzing daarvan op straat zullen komen te staan als verweerder hen geen opvang biedt. Daarom hebben eisers er belang bij dat eerst wordt beslist of verweerder opvang aan hen dient te bieden. Hierin volgt de rechtbank eisers niet. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 (LJN: BW5328) volgt dat de Staat dient te voorzien in de opvang van uitgeprocedeerde minderjarigen indien hun eveneens hier te lande verblijvende ouders niet meewerken aan uitzetting. Hieruit volgt dat opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel niet tot gevolg kan hebben dat eisers uit de gezinsopvanglocatie worden verwijderd, althans niet zonder dat hen een andere opvangplaats wordt aangeboden.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen procesbelang bij het onderhavige beroep, nu verweerder hen feitelijk geen opvang kan verlenen op grond van de Rva 2005 zolang de vrijheidsbeperkende maatregel van kracht is en zij door het beroep dus niet in een materieel gunstiger positie kunnen geraken. De rechtbank komt daarom aan een inhoudelijke bespreking van de aangevoerde beroepsgronden niet toe.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.