Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6314

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
12/15634 en 12/15635
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2689, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezien het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen op het standpunt kunnen stellen dat op hem geen verplichting rust om af te zien van de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM.

De rechtbank overweegt dat uit voormelde medische informatie, kort gezegd, blijkt dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de uitvaardiging van een inreisverbod geen behandeling kan verkrijgen in FPA Kompas, waar volgens zijn behandelaar een adequate behandeling van zijn PTSS en verslavingsproblematiek zou kunnen plaatsvinden. Wel heeft eiser ambulante gesprekken bij de GGZ, welke goed verlopen. Hoewel de huidige behandeling kennelijk niet optimaal is, is uit de stukken niet gebleken dat deze behandeling niet, dan wel onvoldoende adequaat is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aan het belang van eiser behandeld te worden in de FPA Kompas geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen bij de afweging van de betrokken belangen.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien de afweging van belangen bij de vraag of de verblijfsvergunning van eiser kon worden ingetrokken, niet in eisers nadeel te laten uitvallen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verweerder niet heeft hoeven afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De gronden falen derhalve.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 15634 (beroep)

AWB 12 / 15635 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 10 december 2012 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. M. I. Vennik, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2011, uitgereikt op 12 januari 2012, (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Bij besluit van 9 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 24 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser is met ingang van 28 februari 1995 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “alleenstaande minderjarige vreemdeling”. Deze verblijfsvergunning is een aantal keren verlengd en vervolgens is met ingang van 27 augustus 1997 een verblijfsvergunning zonder beperkingen verleend. Met ingang van 2 augustus 2000 is eisers verblijfsvergunning zonder beperkingen omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Eiser is in 2004 gehuwd met [naam]. Zij hebben twee kinderen genaamd [naam], geboren op [geboortedatum] en [naam], geboren op [geboortedatum]. Op 10 februari 2012 heeft [naam] een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 2 mei 2012 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen eiser en [naam] uitgesproken.

Blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 1 december 2011 is eiser vijftien keer veroordeeld, onder meer voor verschillende vermogens- en geweldsdelicten en overtreding van de Wegenverkeerswet.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op de volgende standpunten gesteld.

De verblijfsvergunning van eiser wordt op grond van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met terugwerkende kracht ingetrokken tot 31 augustus 2010.

Na de implementatie van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) op 31 december 2011 kan eiser als onderdaan van een derde land, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, niet meer ongewenst worden verklaard. Hierin ziet verweerder aanleiding het besluit tot ongewenstverklaring van 9 december 2011 ongedaan te maken en het bezwaarschrift tegen dit onderdeel van het besluit van 9 december 2011 gegrond te verklaren.

Aan eiser wordt op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw een inreisverbod opgelegd. Dit inreisverbod wordt op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, Vb uitgevaardigd voor de duur van tien jaar omdat eiser meermalen is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Met het opleggen van het inreisverbod wordt het belang van de Staat gediend bij de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

In hetgeen eiser in het kader van de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om de verblijfsvergunning van eiser niet in te trekken dan wel om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod. In hetgeen eiser heeft aangevoerd bestaat evenmin aanleiding om het inreisverbod niet voor de duur van tien jaar uit te vaardigen.

De intrekking verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de bevoegdheid van verweerder de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken. Eiser heeft in de gronden van beroep wel betoogd dat verweerder heeft nagelaten een deugdelijke belangenafweging te maken ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning, waartoe verweerder op grond van artikel 3.95, vijfde lid, Vb bij toepassing van het derde lid is gehouden. De intrekking van de verblijfsvergunning is in strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM.

3.1 Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw worden ingetrokken of gewijzigd, indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.

Ingevolge artikel 3.95, derde lid, Vb kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 Vw, slechts op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, Vw worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede en vijfde lid, Vb. Artikel 3.86 Vb is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het vijfde lid houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.

3.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen de intrekking van de verblijfsvergunning. In de eerste plaats moet verweerder beoordelen of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar zijn land van herkomst. Het ziet er niet naar uit dat de veiligheidssituatie in Somalië binnen afzienbare tijd zal verbeteren. Eiser verwijst naar het beleid, zoals neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2011/13, en de omstandigheid dat de Internationale Organisatie voor Migratie sinds juli 2010 geen terugkeer naar Somalië meer faciliteert.

3.2.1 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 18 juli 2007 (LJN: BB1436), volgt dat, zo enigszins mogelijk, moet worden voorkomen dat een vreemdeling in een situatie geraakt dat hem geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar hij evenmin wordt uitgezet. In dit verband moet verweerder beoordelen of de desbetreffende vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting uit Nederland verzet. De term duurzaam moet aldus worden begrepen dat de desbetreffende vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in een situatie bevindt dat hij, teneinde schending van voormeld artikel te beletten, niet kan worden uitgezet en geen zicht op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn bestaat. Slechts indien dit het geval is, de desbetreffende vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, vertrek uit Nederland ondanks voldoende inspanningen om aan zijn vertrekplicht te voldoen niet mogelijk is en hij zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, zou het voortduren van een ongewenstverklaring - in verband waarmee hem een verblijfsvergunning wordt onthouden - disproportioneel kunnen zijn.

3.2.2 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat nu eiser tot 31 augustus 2010 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, thans nog geen sprake is van de situatie dat eiser zich reeds gedurende een groot aantal jaren bevindt in een situatie dat hij niet kan worden uitgezet. Artikel 3 EVRM verzet zich reeds hierom op dit moment niet duurzaam tegen eisers uitzetting naar Somalië. Aan de vraag of al dan niet zicht op verandering van deze situatie binnen afzienbare tijd bestaat, wordt thans nog niet toegekomen. Het enkele betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat er uitspraken zijn die er van uitgaan dat deze vraag ook thans reeds moet worden beantwoord, leidt zonder nadere concretisering niet tot een ander oordeel.

3.3 Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen uitzetting nu hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) waarvoor hij in Nederland wordt behandeld. Eiser heeft ter onderbouwing de volgende documenten overgelegd:

- een brief van 22 mei 2012 van [naam];

- een toetsingsverslag ten behoeve van de ISD zitting van 16 juni 2011;

- een rapport van 19 januari 2012 als vervolg op het toetsingsverslag;

- een e-mailwisseling tussen [naam], [naam] en [naam] op 8 en 9 december 2011.

3.3.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover eiser wijst op zijn psychische problemen, de enkele omstandigheid dat sprake zou zijn van PTSS onvoldoende is om te spreken van een situatie dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen uitzetting.

3.3.2 Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; zie onder meer het arrest van 27 mei 2008, 26565/05) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Verder is van belang dat uit vaste jurisprudentie van het EHRM (voormeld arrest van 27 mei 2008 en het arrest van 6 februari 2001, 44599/98) kan worden afgeleid dat speculaties over een mogelijke toekomstige verslechtering van de gezondheidssituatie van een vreemdeling onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat de desbetreffende vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.

3.3.3 Uit de door eiser overgelegde stukken komt kort gezegd naar voren dat eiser cocaïneafhankelijk is en lijdt aan PTSS. Zonder iets af te willen doen aan de ernst van de klachten van eiser, is de rechtbank van oordeel dat met het aannemelijk worden van deze klachten nog niet is gebleken van een situatie als omschreven in de jurisprudentie van het EHRM. Afgezien van de omstandigheid dat thans geen sprake is van uitzetting naar Somalië wegens de slechte veiligheidssituatie aldaar, verzet artikel 3 EVRM zich op grond van eisers medische situatie derhalve niet tegen de uitzetting naar Somalië.

3.4 Eiser heeft voorts, samengevat, aangevoerd dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat op grond van artikel 8 EVRM geen aanleiding bestaat de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten.

3.4.1 Artikel 8 EVRM bepaalt: 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Volgens vaste jurisprudentie van EHRM (onder meer de arresten van 25 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland, en 28 juni 2011, nr. 55597/09, Nunez tegen Noorwegen) dient er, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een "fair balance" te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

In paragraaf B2/10.2.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat vermeld dat indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan, de uit het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif (nr. 54273/00) volgende ‘guiding principles’ in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden. Voorts dienen de criteria uit het arrest van het EHRM in de zaak Üner, van 18 oktober 2006 (nr. 46410/99) bij de beoordeling te worden betrokken.

3.4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn twee kinderen en dat de intrekking van de verblijfsvergunning inmenging op dit recht op gezinsleven vormt. In geschil is of op verweerder de verplichting rust om af te zien van het nemen van het thans bestreden belastende besluit.

Aard en ernst van het misdrijf:

Door eiser wordt niet bestreden dat hij meerdere malen voor misdrijven, waaronder geweldsmisdrijven, is veroordeeld. Eiser stelt dat dit kan worden verklaard door zijn PTSS, hetgeen bij de belangenafweging dient te worden betrokken. Eiser voert aan dat verweerder in dit kader ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eiser voor PTSS wordt behandeld, bij de juiste behandeling de kans op terugval in zijn verslaving minder wordt en dat daardoor het recidivegevaar kleiner wordt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daaraan evenwel geen doorslaggevend betekenis hoeven toekennen. Dat thans uit de informatie van eisers behandelaars, onder meer uit de brief van [naam] van 22 mei 2012, is gebleken dat eiser PTSS heeft, laat immers onverlet dat eiser meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, hetgeen verweerder ten nadele van eiser bij de belangenafweging heeft mogen betrekken. Dat door behandeling het recidivegevaar minder zou worden is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waaraan verweerder thans nog geen gewicht heeft hoeven toekennen.

Duur van het verblijf in Nederland:

De kinderen van eiser zijn in Nederland geboren en getogen en eiser heeft in de loop der jaren een band met Nederland opgebouwd. Verweerder heeft in het bestreden besluit de duur van het verblijf in Nederland erkend maar zich op het standpunt gesteld dat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, gezien de door eiser gepleegde strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierin geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder de duur van het verblijf in Nederland niet op deugdelijke wijze bij de belangenafweging heeft betrokken. De omstandigheid dat eiser PTSS heeft en de behandeling die hij daarvoor thans ondergaat, staan los van de duur dat eiser in Nederland verblijft.

Tijdsverloop sedert pleegdatum en gedrag van eiser in deze periode:

Eiser stelt dat de laatste veroordeling dateert van 31 december 2010. De bij dat vonnis opgelegde ISD-maatregel wordt op grond van artikel 38m, tweede lid, Wetboek van Strafrecht alleen opgelegd bij duidelijke aanknopingspunten voor gedragsverandering en recidivevermindering.

Uit de brief van [naam] van 22 mei 2012 blijkt dat eiser bij verblijf in een eerdere penitentiaire inrichting is mishandeld door een medegedetineerde. Het gedetineerd zitten brengt daarom een gevoel van onveiligheid met zich mee voor eiser, aldus [naam]. Ondanks de betrokkenheid bij een vechtpartij zijn de begeleiders [naam] en [naam] positief over de verandering die eiser heeft getoond in een korte periode. Vorenstaande laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tijdsverloop sinds het laatste gepleegde strafbare feit gering is. Voorts is van belang dat eiser sinds zijn laatste veroordeling van 31 december 2010 gedetineerd heeft gezeten op grond van een ISD-maatregel en dat eisers gedrag sinds de pleegdatum derhalve ziet op zijn gedrag tijdens zijn detentie.

Verschillende nationaliteiten van de gezinsleden en hun gezinssituatie:

Eiser stelt dat hij in Nederland geen andere familieleden heeft dan zijn kinderen en dat hij ook in Somalië geen familie heeft. Door zijn detentie is eiser beperkt in de mogelijkheden om de nationaliteit van zijn kinderen aan te tonen. Verweerder had de nationaliteit van zijn kinderen na kunnen gaan in de aan hem ter beschikking staande systemen.

Verweerder heeft weliswaar primair het standpunt ingenomen dat het op de weg van eiser ligt de nationaliteit van zijn kinderen aan te tonen, maar heeft daarnaast een subsidiair standpunt ingenomen, namelijk dat ook in het geval dat moet worden uitgegaan van de Nederlandse nationaliteit van de kinderen hierin geen aanleiding bestaat om af te zien van intrekking. De rechtbank volgt verweerder op dit punt en is van oordeel dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, onvoldoende is om daaraan af te doen.

Gezinsomstandigheden van eiser en de kinderen:

Eiser heeft in dit kader naar voren gebracht dat hij PTSS heeft en daarvan meerdere stukken overgelegd. Voorts is eisers zoontje autistisch en hij heeft epileptische insulten. Daarnaast loopt op dit moment een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar een mogelijke omgangsregeling tussen eiser en zijn kinderen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 augustus 2012 overgelegd en verwezen naar het arrest van het EHRM van 11 juli 2000 inzake Ciliz (JV 2000, 187).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat de medische omstandigheden van eisers zoontje niet nopen tot het afzien van de intrekking van de verblijfsvergunning nu eiser deze omstandigheden niet heeft onderbouwd. Ook in beroep heeft eiser hiervan geen stukken overgelegd. Dat het voor eiser, gezien zijn detentie, moeilijk is om documenten te verkrijgen, is in dit licht onvoldoende.

Eiser heeft zich voorts beroepen op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, van 24 augustus 2012, zich op het standpunt stellend dat er sprake is van een situatie vergelijkbaar met die in het arrest van het EHRM van 11 juli 2000 (JV 2000,187) in de zaak Ciliz. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

“(…). In de periode juni/juli 2008 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, op verzoek van het Advies en Meldpunt Kindermishandeling, een onderzoek verricht. (…). Ouders waren niet meer samen. De vader had de kinderen de afgelopen 2 jaar (periode 2006-2008) sporadisch bezocht. (…). Op 23 juli 2008 vond er de rechtszitting plaats en heeft de Kinderrechter de ondertoezichtstelling voor beide kinderen uitgesproken. In juli 2010 heeft de BJZO de Raad geïnformeerd dat zij overwegen om de OTS van de kinderen niet te verlengen. (…). De Kortdurende Pedagogische Gezinsbegeleiding is positief beëindigd. (…).. De vader zat in die periode vast en zou in september 2010 op vrije voeten worden gesteld. I.v.m. vaders detentie was er geen omgang tussen kinderen en vader. (…). De Raad is van mening dat er op dit moment sprake is van een instabiele situatie. Er is geen basis maar ook geen ruimte aanwezig voor een verantwoorde omgang tussen de kinderen en hun vader. (…). De Raad vindt het van belang dat de vader zijn leven eerst op de rails heeft en zelf meer zicht heeft op zijn eigen toekomst, alvorens (begeleide) omvang met de kinderen weer aan de orde is. Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad de Rechtbank om de omgangsregeling voor de duur van een jaar aan te houden. In deze periode dient duidelijk te worden of er voldoende basis (stabiliteit, rust en veiligheid) aanwezig is bij de vader om een verantwoorde omgang voor deze kwetsbare kinderen te kunnen garanderen. (…). Gelet op het feit dat de kinderen vanaf 2010 geen omgang meer hebben gehad met hun vader dient er (vanuit in te zetten begeleiding) meer zicht te komen op hoe de kinderen het contact met hun vader beleven, hoe zij reageren op de omgang en of de vader in staat is om goed aan te sluiten bij de behoefte van de kinderen.”

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval, anders dan door eiser is betoogd, geen sprake is van een vergelijkbare situatie met die in de zaak Ciliz. In die zaak was immers sprake van een omgangsregeling die op dat moment tot stand werd gebracht en zou worden gefrustreerd door een op handen zijnde uitzetting, terwijl in het onderhavige geval geen concreet zicht bestaat op een omgangsregeling. Blijkens het rapport hebben eiser en zijn kinderen al sinds 2006 nauwelijks contact en is er sprake van een instabiele situatie. Verweerder heeft derhalve in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen dat in zeer beperkte mate invulling wordt gegeven aan het gezinsleven en dat de belangen van de kinderen ook overigens voldoende zijn meegewogen.

Ernst van de mogelijke problemen in het land van herkomst:

Eiser voert aan dat de overweging in het bestreden besluit dat niets is aangevoerd over de moeilijkheden die de kinderen kunnen ondervinden in Somalië onbegrijpelijk is. Eiser en zijn echtgenote zijn niet meer samen en de kinderen zullen eiser derhalve niet kunnen volgen naar Somalië. Voorts wordt verwezen naar hetgeen eiser hiervoor in het kader van artikel 3 EVRM heeft aangevoerd. Eiser heeft geen documenten om toegang tot Ethiopië en Jemen te verkrijgen. Verweerder heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat eiser sociale en culturele banden buiten maar ook in Nederland heeft. Aan de banden met Nederland hecht verweerder geen doorslaggevend belang gezien de strafbare feiten die eiser heeft gepleegd. Er bestaan gelet op de slechte veiligheidssituatie in Somalië objectieve belemmeringen om het gezinsleven aldaar uit te oefenen. Van de kinderen kan, gelet op hun leeftijd, worden verwacht dat zij zich elders buiten Nederland vestigen, aanpassen en wortelen.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat thans geen sprake is van aanknopingspunten dat eisers kinderen niet in staat zijn zich buiten Nederland te vestigen. De stelling dat eiser geen toegang tot Ethiopië of Jemen kan krijgen, is niet onderbouwd en laat onverlet dat op eiser als gevolg van het bestreden besluit de verplichting rust Nederland te verlaten. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij niet aan deze vertrekplicht kan voldoen. Dat eiser niet kan terugkeren naar Somalië wegens een mogelijke schending van artikel 3 EVRM is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft hierbij tevens van belang kunnen achten dat eiser thans geen invulling geeft aan zijn gezinsleven, omdat hij niet wil dat zijn kinderen hem in detentie zien en op dit moment niet duidelijk is of daarin op korte termijn verandering zal komen. Verweerder heeft tot slot niet van doorslaggevend belang hoeven achten dat eiser in Nederland zijn school heeft afgemaakt en zijn kinderen in Nederland zijn geboren en getogen.

3.4.3 Gezien het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen op het standpunt kunnen stellen dat op hem geen verplichting rust om af te zien van de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM.

3.5 Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat, doordat hij niet over de vereiste verblijfsdocumenten beschikt en er jegens hem een voornemen loopt tot ongewenstverklaring (de rechtbank leest: een inreisverbod is uitgevaardigd), definitief de mogelijkheid van een opname in de FPA Kompas Wolfheze is vervallen.

3.5.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie geen aanleiding vormt om af te zien van de intrekking van de verblijfsvergunning. Uit het bestreden besluit blijkt volgens verweerders gemachtigde ter zitting op welke gronden het algemeen belang dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van eiser.

3.5.2 De rechtbank betrekt bij haar oordeel de volgende door eiser overgelegde documenten:

Een e-mail van [naam], GZ-psycholoog bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, van 8 december 2011:

“De post-traumatische stress klachten waar betrokkene aan lijdt, zijn dermate complex dat hiervoor gespecialiseerde behandeling nodig is. Daarnaast speelt ook heel duidelijk een culturele component mee. Deze combinatie betekent dat behandeling binnen een gespecialiseerde setting plaats zal moeten vinden. Mijn inschatting is dat zijn problematiek te ingewikkeld is om in een PPC te kunnen behandelen.

Ook wanneer betrokkene uiteindelijk wel uitgezet zal moeten worden, zal dit veel makkelijker gerealiseerd kunnen worden als zijn trauma’s behandeld zijn. (…)

Gezien bovenstaande argumenten, wil ik IFZ en BSF verzoeken om de mogelijkheden te onderzoeken om betrokkene zo spoedig mogelijk te plaatsen in de FPA Kompas binnen het kader van artikel 15.5. Mocht om wat voor reden dan ook plaatsing in deze behandelsetting niet mogelijk zijn, dan verzoek ik om betrokkene zo spoedig mogelijk in een andere kliniek te plaatsen waar men wel bereid is om hem een traumabehandeling te bieden. (…)”

Antwoord op voornoemde mail per mail van 9 december 2011 van [naam], coördinator Indicatiestelling Forensische Zorg van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie:

“(…) De indicatiestelling FZ binnen het kader van 15.5 Pbw is afgegeven, evenals 2x een plaatsingsverzoek.

De reden van afwijzing in deze fase is legitiem, er zal eerst duidelijkheid moeten komen over ‘de toekomstige verblijfstatus’ van betrokkene. Dit wachten wij als IFZ eerst af, daarnaast is het uiteindelijk de BSF die wel of geen beschikking afgeeft in deze fase. (…).”

Een brief van 22 mei 2012 van [naam]:

“(…) Vervolgens heb ik net betrokkene gesproken over een second best alternatief voor zijn behandeling. Binnen een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC), onder andere in Den Haag, bestaan mogelijkheden voor traumabehandeling. Omdat hij tijdens een verblijf in een andere PI mishandeld is geweest door een medegedetineerde, voelt betrokkene zich echter niet veilig in een zorgsetting in een gevangenis terwijl hij zich in de FPA waar hij op intake was geweest wel veilig voeld., Daarom is er gekozen voor ambulante zorg in detentie in te kopen bij I-Psy Almere. Deze gesprekken zijn inmiddels gestart en voor zover ik heb vernomen verlopen deze goed.

Vanuit zorginhoudelijk oogpunt betreur ik het dat een klinische opname binnen de GGZ niet tot stand heeft kunnen komen. De laatste jaren zijn er veel ontwikkelingen geweest in de behandelmogelijkheden voor PTTS en bekend is dat veel mensen die aan deze stoornis leiden tegenwoordig adequaat behandeld kunnen worden. Adequate behandeling zal voor betrokkene leiden tot minder lijdensdruk en een stabieler functioneren. Daarnaast zal dit ook een positieve bijdrage leveren aan vermindering van het recidivegevaar. Zoals bij veel ISD-ers, is bij betrokkene het delictgedrag verweven met de verslavingsproblematiek. Wanneer de PTSS goed behandeld wordt, zal daarmee ook de kans op terugval in verslaving minder worden en daarmee ook het recidivegevaar. Weliswaar krijgt betrokkene inmiddels ambulante gesprekken met een hulpverlener uit de GGZ, maar de mogelijkheden van een traumabehandeling in een reguliere gevangenis zijn beperkt. Bij betrokkene speelt daarbij ook mee dat hij in het verleden is aangevallen door een andere gedetineerde, zodat ook het gedetineerd zitten gevoelens van onveiligheid met zich meebrengt. Mijns inziens biedt een klinisch opname, zoals in de FPA Kompas waarvoor hij geïndiceerd is, een betere kans op behandelsucces.”

De rechtbank overweegt dat uit voormelde medische informatie, kort gezegd, blijkt dat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de uitvaardiging van een inreisverbod geen behandeling kan verkrijgen in FPA Kompas, waar volgens zijn behandelaar [naam] een adequate behandeling van zijn PTSS en verslavingsproblematiek zou kunnen plaatsvinden. Wel heeft eiser ambulante gesprekken bij de GGZ, welke goed verlopen. Hoewel de huidige behandeling kennelijk niet optimaal is, is uit de stukken niet gebleken dat deze behandeling niet, dan wel onvoldoende adequaat is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aan het belang van eiser behandeld te worden in de FPA Kompas geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen bij de afweging van de betrokken belangen.

3.6 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien de afweging van belangen bij de vraag of de verblijfsvergunning van eiser kon worden ingetrokken, niet in eisers nadeel te laten uitvallen.

Het inreisverbod

4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft bestreden dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw jo artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, Vw bevoegd is jegens eiser een inreisverbod uit te vaardigen.

5. Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder heeft nagelaten een deugdelijke belangenafweging te maken ten aanzien van de uitvaardiging van het inreisverbod. Volgens eiser is sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe nopen dat wordt afgezien van de uitvaardiging van een inreisverbod. Eiser heeft gesteld dat het inreisverbod in strijd is met artikel 3 EVRM, gelet op de veiligheidssituatie in Somalië en de medische klachten van eiser. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder van het inreisverbod had moeten afzien op grond van artikel 8 EVRM. Tot slot heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder groter gewicht had moeten toekennen aan de omstandigheid dat hij ten gevolge van het inreisverbod niet kan worden behandeld in FPA Kompas.

5.1 Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, gaat het terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod, indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het geval bepaald, en bedraagt deze in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid.

In artikel 62, eerste lid, Vw is het volgende bepaald. Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. In het tweede lid, aanhef en onder c van dit artikel is bepaald dat verweerder de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, kan verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, kan bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Ingevolge het beleid in paragraaf A4/3.3 Vc wordt als gevaar van de openbare orde aangemerkt iedere verdenking en veroordeling ter zake van een misdrijf.

Artikel 66a Vw, voor zover hier van belang, luidt als volgt.

1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of,

(…).

4. Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

(…)

8. In afwijking van het eerste lid kan onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Artikel 6.5a Vb, voor zover hier van belang, luidt als volgt.

1. De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.

(…)

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict; (…).

In paragraaf A5/2.1 Vc heeft verweerder het volgende beleid opgenomen. De gronden uit artikel 66a Vw, eerste lid, zijn imperatief. Op grond van artikel 66a, achtste lid Vw is het echter mogelijk om vanwege humanitaire of andere redenen af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

5.2 De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 tot en met 3.6 is overwogen, verweerder niet heeft hoeven afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De gronden falen derhalve.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. B.M.A. Bataille en S.D.M. Michael in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.