Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
Awb 12/24921 en Awb 12/24929
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak naar aanleiding van een aanvraag onder de beperking 'conform beschikking Minister'. In geschil is of het tegenwerpen van het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank (gelet op onder 7, 8 en 9 opgenomen overwegingen) onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom bij de afweging van het persoonlijk belang van de drie kinderen tegen het algemeen belang van de Staat, het belang van de Staat dient te prevaleren boven het individuele belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummers: Awb 12/24921 en Awb 12/24929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2012 in de zaak tussen

1. [naam eiseres],

geboren op [datum] 1969 te Sri Lanka,

V-nummer: [nummer],

eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam zoon 2],

geboren op [datum] 1996 te [plaats] (Zwitserland),

V-nummer: [nummer],

[naam dochter],

geboren op [datum] 1998 te [plaats] (Zwitserland),

V-nummer: [nummer];

haar meerderjarig kind:

2. [naam zoon 1],

geboren op [datum] 1993 te [plaats] (Zwitserland),

V-nummer: [nummer],

eiser,

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),

tezamen eisers,

en

(thans) de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage, verweerder

(gemachtigde: mr. I.A.M. de Groot).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 november 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 26 september 2011, waarin is verzocht om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking 'conform beschikking Minister', buiten behandeling gesteld.

Bij besluiten van 6 augustus 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder, na een vernietiging van eerder genomen besluiten op bezwaar, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting de door de gemachtigde van eisers aangekondigde getuige-deskundige dr. A.E. Zijlstra, werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen als Orthopedagoog-Generalist (NVO), gehoord. Zijlstra is vergezeld door mw. G.M. Gerrits.

Overwegingen

1. Aan de bestreden besluiten is onder meer het hierna volgende vooraf gegaan.

1.1. Op 23 oktober 2000 heeft eiseres asiel aangevraagd.

Eiseres heeft tijdens het eerste gehoor verklaard dat zij omstreeks oktober 1990 naar Zwitserland is gereisd, dat zij aldaar acht jaar lang een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gehad, dat zij in 1992 in Zwitserland is getrouwd met [naam echtgenoot], dat haar zoon [naam zoon 1] op [datum] 1993 in [plaats] (Zwitserland) is geboren, dat haar zoon [naam zoon 2] op [datum] 1996 in [plaats] is geboren, dat haar dochter [naam dochter] op [datum] 1998 in [plaats] is geboren en dat zij met haar echtgenoot en drie kinderen in oktober 1999 door de Zwitserse autoriteiten is teruggestuurd naar Sri Lanka.

Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij tussen datum aankomst in Sri Lanka (18 oktober 1999) en datum vertrek (7 februari 2000) in Sri Lanka problemen heeft gehad vanwege haar Tamil-afkomst en dat haar echtgenoot haar in november 1999 in de steek heeft gelaten. In het nader gehoor is voorts vermeld dat 'Margriet [achternaam] van Vluchtelingenwerk' heeft verklaard dat de echtgenoot van eiseres in Zwitserland meerdere malen met de politie in aanraking is geweest en is betrokken geweest bij verkeersincidenten waarbij alcohol in het spel was. Daarom zou eiseres zijn uitgezet naar Sri Lanka.

Bij besluit van 5 maart 2001 is de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 17 juni 2002 is het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 februari 2004 is het hiertegen ingestelde beroep door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 22 april 2004 is door verweerder aan het Coa-clusterkantoor bericht dat de vertrektermijn van eisers op 5 maart 2004 is verlopen en activiteiten worden ondernomen gericht op de feitelijke uitzetting van eisers. Bij brief van eveneens 22 april 2004 is door verweerder voorts de korpschef van de politieregio Groningen aangespoord om een begin te maken met activiteiten gericht op de feitelijke uitzetting van eisers.

1.3. Bij brief van 17 augustus 2004 heeft eiseres bij de Sri Lankaanse ambassade aangedrongen om paspoorten te verstrekken.

1.4. Op 7 januari 2005 zijn voor eisers laissez-passers aangevraagd. Op 5 augustus 2005 heeft eiseres een gesprek gehad met de vertegenwoordiger van de Sri Lankaanse ambassade. Daarbij is toegezegd dat een laissez-passer zal worden afgegeven. Een op dat moment openstaande vraag is of eiseres zich met haar kinderen kan voegen bij haar inmiddels in Engeland verblijvende echtgenoot.

1.5. Op 18 mei 2006 heeft met eiseres een vertrekgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is besproken dat eiseres zich niet in Engeland kan voegen bij haar echtgenoot, omdat zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Eiseres heeft verklaard inmiddels de beschikking te hebben over haar paspoort en een paspoort voor haar kinderen, maar niet te willen terugkeren naar Sri Lanka. De paspoorten, een geboorteakte en een huwelijksakte zijn vervolgens aan de vreemdelingenpolitie overhandigd.

1.6. Eiseres heeft vervolgens op 26 mei 2006 een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend. Tijdens het gehoor heeft eiseres kenbaar gemaakt vanwege de veiligheidssituatie in Sri Lanka niet met haar kinderen te willen terugkeren.

Bij besluit van 2 juni 2006 is de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 22 juni 2006 is het hiertegen ingestelde beroep door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 juli 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) deze uitspraak bevestigd (zaak nr. 200604774/2).

1.7. Op 10 juli 2006 zijn de gesprekken omtrent vertrek weer hervat. Eiseres heeft daarbij toegezegd contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

1.8. Bij brief van 22 augustus 2006 heeft mr. R.P.M. Ngasarin, de toenmalige gemachtigde van eisers, aan verweerder verzocht ten aanzien van eisers toepassing te geven aan het beleid voor schrijnende gevallen.

1.9. Op 4 september 2006 hebben eisers zelfstandig hun woonruimte verlaten. Eisers zijn vervolgens naar Frankrijk vertrokken, waarvandaan zij zijn teruggestuurd naar Nederland.

1.11. Op 14 februari 2007 heeft eiseres voor de derde keer een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend voor haar en haar drie kinderen.

Bij besluit van 27 november 2007 is de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 13 oktober 2008 is het hiertegen ingestelde beroep door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, gegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 oktober 2010 van de AbRS is deze uitspraak vernietigd en is het beroep alsnog ongegrond verklaard.

1.12. Vervolgens hebben eisers op 26 september 2011 verweerder verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Ter onderbouwing is nadien onder meer het volgende ingebracht:

- brief van [naam zoon 1], inhoudende dat hij na zijn VWO geneeskunde wil gaan studeren;

- brief van [naam vriendin], inhoudende dat zij een relatie heeft met [naam zoon 1];

- brief van [naam], onderwijzeres, inhoudende dat het jammer zou zijn als [naam zoon 1] zijn VWO-diploma niet zou kunnen halen;

- brief van [naam], directeur, [naam school], inhoudende dat [naam dochter] en [naam zoon 2] zich normaal ontwikkelen;

- een rapport van Defence for Children van 22 september 2011.

1.13. Verweerder heeft bij besluiten van 2 november 2011 de aanvragen buiten behandeling gesteld in verband met het zogenoemde paspoortvereiste, als bedoeld in artikel 3:102, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Op 4 november 2011 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 21 december 2011 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep bij deze rechtbank ingesteld tegen deze besluiten. Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard en de bestreden besluiten op bezwaar van 21 december 2011 vernietigd (Awb 11/41243, 12/1215 en 12/1220). De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat verweerder de aanvragen van eisers niet buiten behandeling had mogen stellen op grond van het paspoortvereiste.

2. Bij de thans bestreden besluiten van 6 augustus 2012 heeft verweerder opnieuw beslist. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvragen -kort samengevat- ten grondslag gelegd dat eisers niet beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en dat zij niet in aanmerking komen voor vrijstelling op grond van artikel 3:71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 of artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000.

3. Eisers menen dat een vertrek naar Sri Lanka wel een schending inhoudt van artikel 8 van het van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eisers hebben opgemerkt dat verweerder in de bestreden besluiten ten onrechte het paspoortvereiste wederom aan hen heeft tegengeworpen.

Eisers hebben een op 14 november 2012 door dr. A.E. Zijlstra opgesteld rapport ingebracht. In dit rapport, dat mede is opgesteld naar aanleiding van door mw. G.M. Gerrits en

mw. J. Knol gehouden gesprekken met eisers, is onder meer het volgende vermeld:

'Het belang van de kinderen is gediend bij voortgezet verblijf in Nederland. De kinderen verblijven ruim 11 jaar Nederland en ze zijn volledig geïntegreerd en geworteld in de Nederlandse samenleving. Alle kinderen spreken vloeiend in de Nederlandse taal, hebben hun vriendenkring opgebouwd in Nederland, volgen gedurende 6 jaar aaneengesloten Nederlands onderwijs. [naam zoon 1] en [naam zoon 2] zijn aangesloten bij een Nederlandse sportvereniging waar ze op vaste dagen actief zijn. De kinderen voelen zich verbonden met de Nederlandse samenleving.

(...)

Terugkeer naar Sri Lanka vormt een breuk met de context waarin ze opgroeien en waarmee ze zich identificeren en brengt een onzeker toekomstperspectief met zich mee. De kinderen zullen gedwongen afscheid moeten nemen van hun dromen en toekomstverwachtingen en moeten terugkeren naar een land wat ze niet kennen en waar de cultuur vreemd voor hen is. De kinderen hebben geen sociale contacten in Sri Lanka. Het leggen van nieuwe sociale contacten en het opbouwen van een sociaal netwerk zal moeilijk verlopen aangezien de kinderen de (hoofd)taal Singalees niet beheersen.

(...)

Juist voor adolescenten, die [zich] gezien hun ontwikkelingsfase meer op de samenleving richten en leeftijdsgenoten, educatie en vrije tijd een grotere invloed krijgen, vormt gedwongen terugkeer naar een land wat ze niet kennen en waarmee ze geen binding hebben, een grote risicofactor.'

Naast conclusies omtrent de ontwikkeling van de drie kinderen is ook verwezen naar de hierna volgende passage uit het ambtsbericht van Sri Lanka van juli 2011:

'Seksueel geweld tegen vrouwen komt nog steeds voor. Met name in het Noorden (Jaffna) en het Oosten en in de ontheemdenkampen waren vrouwen slachtoffer van (seksueel) geweld. Voormalige vrouwelijke LTTE-strijders zouden in detentiecentra worden verkracht en volgens International Crisis Group zouden er met medeweten en betrokkenheid van veiligheidsdiensten prostitutienetwerken in ontheemdenkampen bestaan. Alleenstaande vrouwen en weduwen lopen vooral het risico om vanwege hun economische kwetsbaarheid slachtoffer van (seksueel) geweld en/of prostitutie te worden. De grote aanwezigheid van militairen in het noorden en oosten heeft veel invloed op het gevoel van veiligheid van alleenstaande vrouwen. Militairen kunnen ongevraagd hun huizen binnenkomen en er zijn gevallen bekend van misbruik. Ook worden vrouwen lastig gevallen bij checkpoints en zijn ze bang om zonder mannelijke begeleiding te reizen (p. 54-55).'

4. Bij de beoordeling van de beroepen is de ruimte voor de rechtbank beperkt tot de vraag of verweerder heeft kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen van het vereiste dat eisers dienen te beschikken over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb 2000, wordt het eerste lid buiten toepassing gelaten indien uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule).

5. De rechtbank stelt voorop dat de door eisers opgegeven identiteit niet in geschil is. De door eiseres ten tijde van haar aanvraag in 2000 opgegeven (identiteits)gegevens zijn door eiseres met nadere (identiteits)documenten gestaafd en controleerbaar. Voor zover verweerder het paspoortvereiste heeft willen tegenwerpen, verhoudt dit zich, zoals eisers terecht stellen, niet met de eerder in deze zaken gedane uitspraak. Dit is in het op 9 november 2012 ingediende verweerschrift ook met zoveel woorden erkend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eisers vrijstelling van het mvv-vereiste had moeten worden verleend.

6. Daarbij is vooreerst in geschil of het tegenwerpen van het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

In onderhavig geval, waarin nimmer een verblijfsvergunning is verstrekt, kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn van schending van artikel 8 van het EVRM. In dat kader verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 januari 2006 inzake Rodrigues v. the Netherlands (no. 50435/99).

Bij de beoordeling acht de rechtbank voorts de volgende overwegingen uit het arrest van het EHRM van 16 juni 2005 (Sisojeva v. Latvia, no. 60654/00) van belang:

'Nevertheless, the Court reiterates that the decisions taken by States in the immigration sphere can in some cases amount to interference with the right to respect for private and family life secured by Article 8 § 1 of the Convention, in particular where the persons concerned possess strong personal or family ties in the host country which are liable to be seriously affected by an expulsion order. Such interference is in breach of Article 8 unless it is "in accordance with the law", pursues one or more legitimate aims under the second paragraph of that Article, and is "necessary in a democratic society" in order to achieve them (§ 101).'

(...)

It reiterates, however, that Article 8, like any other provision of the Convention or the Protocols thereto, must be interpreted in such a way that it guarantees not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective (...). Furthermore, while the chief object of Article 8, which deals with the right to respect for one's private and family life, is to protect the individual against arbitrary interference by the public authorities, it does not merely compel the State to abstain from such interference: in addition to this negative undertaking, there may be positive obligations inherent in effective respect for private or family life (§ 103).

(...)

As to whether the impugned measure was "necessary in a democratic society", that is, proportionate to the legitimate aim pursued, the Court notes that the applicants have spent all, or almost all, of their lives in Latvia. Although they are not of Latvian origin, the fact remains that they have developed personal, social and economic ties strong enough for them to be regarded as sufficiently well integrated in Latvian society, even if, as the Government maintain, there are gaps in their knowledge of Latvian (see the Slivenko judgment cited above, § 124). Similarly, although the second and third applicants have Russian nationality and had an officially registered residence in Russia, none of the three applicants appears to have developed personal ties in that country comparable to those they have established in Latvia (§ 107).

In these circumstances the Court considers that, in terms of the conditions imposed on the applicants in order to have their position regularised, only reasons of a particularly serious nature could justify refusal. The Court has been unable to discern any such reasons in the instant case. While it recognises the right of each State to take effective steps to ensure compliance with its immigration laws, it considers that a measure of the kind imposed on the applicants could be considered to be proportionate only if the applicants had acted in a particularly dangerous manner (§ 108).'

Bij de beoordeling slaat de rechtbank tot slot acht op het door het EHRM gehanteerde toetsingskader (zie onder meer: Balogun v. The United Kingdom, 2012, no. 60286/09):

'The Court recalls that, as Article 8 protects the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world and can sometimes embrace aspects of an individual's social identity, it must be accepted that the totality of social ties between settled migrants such as the applicant and the community in which they are living constitutes part of the concept of "private life" within the meaning of Article 8. Indeed it will be a rare case where a settled migrant will be unable to demonstrate that his or her deportation would interfere with his or her private life as guaranteed by Article 8 (...). Not all settled migrants will have equally strong family or social ties in the Contracting State where they reside but the comparative strength or weakness of those ties is, in the majority of cases, more appropriately considered in assessing the proportionality of the applicant's deportation under Article 8 § 2. It will depend on the circumstances of the particular case whether it is appropriate for the Court to focus on the "family life" rather than the "private life" aspect (see Maslov, cited above, § 63).'

7. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op het privéleven van de (drie) kinderen van eiseres; de 14-jarige [naam dochter], de 16-jarige [naam zoon 2] en de 19-jarige [naam zoon 1]. Daarbij zijn naar het oordeel van de rechtbank een aantal aspecten van belang.

7.1. De drie kinderen zijn op respectievelijk [datum] 1998, [datum] 1996 en [datum] 1993 in [plaats] (Zwitserland) geboren en zijn aldaar tot oktober 1999 opgegroeid. De op [datum] 1993 geboren [naam zoon 1] heeft ter zitting naar voren gebracht dat in Zwitserland een verblijfs-document is afgegeven, zijn ouders een huurhuis hadden en aldaar mochten werken.

7.2. De drie kinderen zijn met hun ouders gedwongen uitgezet vanwege (zo stelt eiseres) door hun vader veroorzaakte problemen. Zij hebben zich na hun uitzetting in oktober 1999 volledig op hun moeder moeten verlaten. Het verblijf in Sri Lanka heeft slechts enkele maanden geduurd, omdat eiseres op 7 februari 2000 met haar drie kinderen uit Sri Lanka is vertrokken. Vervolgens is op 23 oktober 2000 in Nederland asiel aangevraagd.

7.3. De drie kinderen communiceren met hun moeder (ook) in Tamil, maar beheersen deze taal niet op hetzelfde niveau als zij het Nederlands beheersen en kunnen zich (naar eigen zeggen) in schrift niet uitdrukken in één van de in Sri Lanka gangbare talen.

7.4. De drie kinderen hebben ten tijde van het bestreden besluit bijna twaalf jaar, en op een (zeer) kort verblijf in Frankrijk na, in Nederland doorgebracht. Voor alle kinderen geldt dat zij (vrijwel) deze gehele periode (Nederlands) onderwijs hebben genoten.

7.5. De drie kinderen hebben daarmee, op enkele maanden na, hun gehele leven buiten Sri Lanka doorgebracht, waarbij de scholingsperiode in Nederland heeft plaatsgevonden. In deze periode zijn ook (sociale) contacten aangegaan in Nederland.

7.6. Op de zitting is door dr. A.E. Zijlstra, desgevraagd en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat vertrek naar Sri Lanka voor de drie kinderen een breuk in de ontwikkeling betekent, nu zij lang in Nederland verblijven, geen binding hebben met Sri Lanka en volledig hebben deelgenomen aan de Nederlandse samenleving. De basisschoolperiode is (ook) van belang voor de identiteitsontwikkeling. Voorts is het belang benadrukt dat de drie kinderen zich vanaf de leeftijd van (grofweg) tien tot dertien jaar als adolescent zijn gaan ontwikkelen in de Nederlandse samenleving.

8. In de ten aanzien van de drie kinderen genomen besluiten is door verweerder erkend dat door de drie kinderen sterke banden met Nederland zijn opgebouwd.

8.1. Ten aanzien van de in Zwitserland geboren en in Nederland (verder) opgegroeide en ten tijde van het bestreden besluit 14-jarige [naam dochter] is het volgende overwogen:

'Ingezien wordt dat [eiseres], nu zij sedert haar tweede levensjaar in Nederland verblijft, een sociaal netwerk heeft opgebouwd en zij nu bezig is met haar middelbare schoolopleiding, sterke banden heeft met Nederland. Echter, dit betekent niet dat van haar niet gevergd zou kunnen worden dat zij terugkeert. Daarvoor moet het persoonlijk belang worden afgewogen tegen het algemeen belang.'

8.2. Ten aanzien van de in Zwitserland geboren en in Nederland (verder) opgegroeide en ten tijde van het bestreden besluit 16-jarige [naam zoon 2] is het volgende overwogen:

'Ingezien wordt dat [eiser], nu hij sedert zijn vierde levensjaar in Nederland verblijft, een sociaal netwerk heeft opgebouwd en hij nu bezig is met zijn middelbare schoolopleiding, sterke banden heeft met Nederland. Dit wordt in het voordeel van [eiser] meegewogen. Echter, dit betekent niet dat van hem niet gevergd zou kunnen worden dat zij terugkeert. Daarvoor moet het persoonlijk belang worden afgewogen tegen het algemeen belang.'

8.3. Ten aanzien van de in Zwitserland geboren en in Nederland (verder) opgegroeide en ten tijde van het bestreden besluit 19-jarige [naam zoon 1] is het volgende overwogen:

'Ingezien wordt dat [eiser], nu hij sedert zijn zevende levensjaar in Nederland verblijft, een sociaal netwerk heeft opgebouwd en hij nu bezig is met zijn middelbare schoolopleiding, sterke banden heeft met Nederland. Volgens de verklaring van [eiser] ter zitting en de brieven van zijn school en gestelde vriendin is [eiser] in Nederland geworteld. Dit wordt in het voordeel van [eiser] meegewogen. Echter, dit betekent niet dat van hem niet gevergd zou kunnen worden dat hij terugkeert. Daarvoor moet het persoonlijk belang worden afgewogen tegen het algemeen belang.'

9. Verweerder heeft vervolgens door middel van standaardoverwegingen getracht de zaak af te doen. Dit doet echter geen recht aan het bijzondere en complexe karakter van de door de drie kinderen gedane aanvragen.

9.1. Vooreerst is door verweerder overwogen dat de drie kinderen de Sri Lankaanse samenleving niet geheel ontwend zijn. Deze overweging lijkt te impliceren dat de drie kinderen een deel van hun ontwikkeling hebben doorgemaakt in Sri Lanka. Hiermee wordt niet onderkend dat de drie kinderen zijn geboren in Zwitserland en slechts enkele maanden hebben doorgebracht in Sri Lanka.

9.2. Vervolgens is overwogen dat de drie kinderen gedurende hun verblijf in Nederland niet in onzekerheid hebben verkeerd over hun verblijfsstatus. Deze overweging behoeft nuance, nu na de eerste afwijzing in 2004 lange tijd is gesproken over een eventuele verblijfsstatus in Engeland en tussen de asielaanvraag van 14 februari 2007 en de uitspraak van de AbRS van 6 oktober 2010, een periode van ruim 3,5 jaar, wel degelijk sprake is geweest van een onzekere periode. Zo is een eerder besluit ingetrokken en is het beroep door de rechtbank gegrond verklaard. Zoals in de gronden van beroep ook is gesteld zijn eisers bijna twee jaar later geconfronteerd met een vernietiging van deze uitspraak.

9.3. Tot slot is, onder verwijzing naar B10/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), door verweerder gesteld dat voor het aannemen van schending van het privéleven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur; circa dertig jaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit uitgangspunt echter niet worden gebaseerd op het in de Vc 2000 genoemde, en onder 6 deels geciteerde, arrest van het EHRM van 16 juni 2005.

In voornoemd arrest is een schending van 'private life' aangenomen vanwege langdurig verblijf van de in 1946 geboren Arkady en 1949 geboren Svetlana (respectievelijk vanaf 1968 en 1969). Hoewel zij de door dr. A.E. Zijlstra zo belangrijk geachte adolescentie (vrijwel) niet in Letland hebben doorgemaakt, is toch schending van 'private life' aangenomen vanwege de door hen ontplooide persoonlijke, sociale en economische banden met Letland en de wijze waarop zij in de gemeenschap zijn geïntegreerd. Het EHRM overweegt in § 108 dat onder de zich in voornoemd arrest voordoende omstandigheden 'only reasons of a particularly serious nature could justify refusal'.

10. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 7, 8 en 9, is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de afweging van het persoonlijk belang van de drie kinderen tegen het algemeen belang van de Staat, het belang van de Staat dient te prevaleren boven het individuele belang van de kinderen.

De rechtbank wijst er daarbij op dat het algemeen belang in casu in ieder geval niet kan blijken uit contra-indicaties voor een verblijfsvergunning. In onderhavig geval is, mede gelet op de afzonderlijke belangen van de kinderen zelf en onder de gegeven omstandigheden, in ieder geval onvoldoende dat verweerder stelt dat de door de moeder van de drie kinderen gemaakte keuze om Nederland niet te verlaten, niet op de Staat afgewenteld dient te worden.

11. Dit gebrek in motivering klemt temeer, nu uit de overgelegde stukken onvoldoende is gebleken dat verweerder het gestelde belang van uitzetting naar Sri Lanka heeft vertaald in voortvarend handelen om uitzetting te bewerkstelligen.

Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat verweerder, na de uitspraak van de AbRS van 6 oktober 2010, aan de hand van de (sinds 2006) ter beschikking zijnde documenten, waaruit de reeds in 2000 opgegeven identiteit van eisers afdoende blijkt, getracht heeft de uitzetting te bewerkstelligen. De enkele stelling dat op eisers een vertrekplicht rust, acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden, niet afdoende.

12. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen hiervoor is overwogen maakt dat het beroep van de drie kinderen op artikel 8 van het EVRM niet met de thans gebezigde motivering van de hand kan worden gewezen, dat het beroep ten aanzien van hen gegrond dient te worden verklaard en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

13. Verweerder dient opnieuw op de aanvragen van de drie kinderen te beslissen.

De rechtbank geeft verweerder daarbij in overweging het niet nader gemotiveerde algemeen belang niet (langer) zwaarder te laten wegen dan het belang van de drie in Zwitserland geboren en in Nederland opgegroeide kinderen bij rechtmatig verblijf, vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen, inhoudelijk te beslissen en de aanvragen te honoreren.

14. De rechtbank zal tevens het beroep van eiseres gegrond verklaren, nu zij als ouder verblijfsrecht zou kunnen ontlenen aan een aan haar kinderen te verlenen verblijfsvergunning.

15. De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding, met toepassing van artikel 8:72 vijfde lid, van de Awb, de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder zich tot het nemen van nieuwe besluiten dient te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van eisers en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot opnieuw op de bezwaarschriften is beslist. Op de zitting is het belang van een dergelijke voorziening aan de orde gesteld.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 6 augustus 2012;

- draagt verweerder op om besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van eisers en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, tot op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eisers dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 312,- aan eisers dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.W. Wind, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak, voor zover daarin is beslist op het beroep, daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.