Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5413

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/35819 en 12/35817
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het ontbreken van reisdocumenten aan verzoeker mogen toerekenen, nu hij zijn documenten heeft afgestaan aan de reisagent op een moment dat hij al in Nederland was en dus direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had kunnen inroepen, onder gelijktijdige overlegging van alle beschikbare documenten. Nu geen sprake is geweest van dwang is het ontbreken van deze documenten aan verzoeker toe te rekenen.

De vraag of verzoeker al dan niet gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde reis die verweerder zou kunnen verifiëren, doet dan niet meer ter zake, zoals ook volgt uit ABRvS 8 april 2008, LJN: BC9690. Het moge zo zijn dat uit het arrest van het HvJ EU in de zaak M. tegen Ierland van 22 november 2012 (C-277/11) naar voren komt dat de betrokken lidstaten op grond van artikel 4 lid 1 Definitierichtlijn gelezen in samenhang met artikel 8 lid 2b Procedurerichtlijn actief met de asielzoekende derdelander moeten samenwerken om alle elementen te verzamelen die het asielverzoek kunnen staven, maar uit het arrest wordt niet duidelijk hoever die samenwerking strekt en wat een betrokken lidstaat allemaal zou moeten onderzoeken om een derdelander tegemoet te komen. In ieder geval kan op basis van artikel 8 lid 2b van de Procedurerichtlijn worden geconcludeerd dat onder de samenwerkingverplichting als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Definitierichtlijn wordt verstaan dat een betrokken lidstaat nauwkeurige en actuele informatie verzamelt uit verschillende bronnen over de situatie in de landen van oorsprong van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis.

Afgezien daarvan blijft overeind dat, nu verzoeker zijn reisdocumenten stelt te hebben afgestaan aan de reisagent, verweerder het niet in zijn macht heeft om alsnog in het bezit te komen van die documenten, laat staan deze te laten onderzoeken. Daar komt bij dat zelfs in het geval dat verweerders verzoekers verklaringen over de reisroute zou hebben gecontroleerd en tot de conclusie zou zijn gekomen dat die reisgegevens kloppen, daarmee nog niet is gezegd dat verzoeker die reis daadwerkelijk heeft afgelegd en daarmee een verklaring heeft gegeven waarom het aan hem niet is toe te rekenen dat hij zijn reisdocumenten hier te lande aan de reisagent heeft afgestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/35819 (voorlopige voorziening)

AWB 12/35817 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2012 in de zaak van

[verzoeker], geboren op [datum] 1988 en van Oegandese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. J.A.C.M. Prins.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 12 november 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Verzoeker heeft op 13 november 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker op diezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 27 november 2012, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft verzoeker aangevoerd dat in Oeganda de National Resistance Movement (NRM) aan de macht is, maar dat hij sinds 2006 lid is van de Democratische Partij (DP). Verzoeker was woonachtig in de hoofdstad Kampala en marktkoopman. In juni 2007 is verzoeker op straat aangehouden door de Kiboko Squad. Doordat verzoeker niet kon aangeven wat hij daar deed, werd hij gearresteerd. Toen verzoeker daar vragen over begon te stellen, is hij met een mes toegetakeld en voor dood achtergelaten.

In 2009 was er een demonstratie omdat de Kabaka (koning) in Bugerere op bezoek zou gaan. Verzoeker heeft niet deelgenomen aan die demonstratie omdat het te riskant voor hem was vanwege de eerdere arrestatie in 2007. Verzoeker is uit angst thuis gebleven.

In maart 2010 is verzoeker gearresteerd toen hij hielp een brand te blussen in de Kasubi Tombs. Hij werd meegenomen naar het politiebureau en heeft daar – zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld – een week vastgezeten. Zijn lidmaatschapskaart van de DP was toen al afgepakt door de mannen die hem gearresteerd hadden. Op 21 maart 2012 heeft verzoeker een bijeenkomst bijgewoond op de markt van Owino, die was georganiseerd door de burgemeester van Kampala. Die bijeenkomst stond in het teken van de slechte infrastructuur rondom de markt. Verzoeker was van plan om ook de daarop volgende bijeenkomst bij te wonen op Arua Park. Op weg daar naartoe werd de leiders van de bijeenkomst, onder wie de burgemeester, opgepakt door militairen. Hierdoor ontstond chaos en verzoeker besloot weg te rennen. Hij werd achtervolgd door mannen in burger en aangehouden. Zij zeiden dat verzoeker een collega van hun, een politieman, had geslagen. Verzoeker werd geschopt, op zijn hoofd geslagen en meegenomen. Toen verzoeker bij bewustzijn kwam zat hij opgesloten in een kamer met ongeveer zeven andere personen. Verzoeker werd mishandeld en moest vertellen waarom hij politieman [politieman] had gedood. De politie beweerde dat verzoeker een rebel was en dat het parlement van Mengo wapens en geld aan mensen had gegeven om de huidige regering omver te werpen. Verzoeker heeft op twee verschillende locaties vastgezeten en werd steeds mishandeld. Op een gegeven moment heeft hij onder dwang een document getekend waarin hij toegaf een rebel te zijn en geld en dat hij wapens te hebben gekregen van Mengo. Verzoeker zou hiervoor worden gedood. Na een tijdje zag verzoeker een kapitein, [kapitein] genaamd. Deze [kapitein] was bevriend geweest met de broer van verzoeker, die ook militair is geweest. [kapitein] heeft verzoeker gemarteld, maar liet op een dag weten dat hij wist dat verzoeker onschuldig was en hem zou helpen uit de gevangenis te ontsnappen. Verzoeker is op 12 augustus 2012 ontsnapt uit de gevangenis door militaire kleding aan te trekken. Verzoeker is overgegeven aan een andere man, die verzoeker een paar dagen later naar een priester heeft gebracht. Verzoeker heeft ongeveer anderhalve maand bij die priester gebleven en is toen naar een blanke man gebracht, die verzoeker heeft geholpen om Oeganda te verlaten. Verzoeker is samen met deze man op 30 september 2012 vanuit Umbale (Oeganda) naar Nairobi (Kenia) gevlogen. Vandaar uit zijn zij verder gevlogen naar Nederland.

3. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag zijn lidmaatschapspasje van de DP overgelegd. De Koninklijke Marechaussee heeft dit documenten onderzocht, maar kan blijkens het rapport van 7 november 2012 geen uitspraak doen over de echtheid van dit document vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbaar referentiemateriaal.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in Oeganda niet zodanig is dat iedere asielzoeker die afkomstig is uit dat land, en zoals verzoeker tot de Muganda bevolkingsgroep behoort, zonder meer als vluchteling dient te worden aangemerkt. Voorts is gesteld noch gebleken dat verzoeker afkomstig is uit een land, dan wel gebied, waarin zich de in artikel 29, aanhef en onder b, sub 3 van de Vw 2000 bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet. Nu evenmin in geschil is dat verzoeker niet behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep die systematisch wordt vervolgd in zijn land van herkomst, dient hij met hem persoonlijk betreffende individuele feiten en omstandigheden zijn vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten en de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling of bestraffing aannemelijk te maken. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat verzoeker hierin niet is geslaagd. Daartoe is het volgende redengevend.

5. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het ontbreken van identiteits- en reisdocumenten aan verzoeker mogen toerekenen. Verweerder heeft daartoe redengevend mogen achten dat verzoeker de voor de reis gebruikte documenten aan zijn reisagent heeft afgestaan op een moment dat hij al in Nederland was en dus direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had kunnen inroepen, onder gelijktijdige overlegging van alle beschikbare documenten. Nu geen sprake kan zijn geweest van dwang, is het ontbreken van deze documenten aan verzoeker toe te rekenen. Van verzoeker mag immers worden verwacht dat hij daar waar mogelijk zijn reisverhaal onderbouwt met documenten. Al hierom heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De vraag of verzoeker al dan niet gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde reis die verweerder zou kunnen verifiëren, doet dan niet meer ter zake, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 april 2008, LJN: BC9690. Zelfs al zou de reisroute op grond van verzoekers verklaringen kunnen worden geverifieerd, dan nog is het afstaan van de reisdocumenten in Nederland aan hem toe te rekenen. De stelling van verzoeker dat verweerder zijn samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) schendt door de door hem verstrekte reisgegevens niet na te gaan, kan, wat van die stelling ook zij, al hierom niet worden gevolgd. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waarom en waarover aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) prejudiciële vragen zouden moeten worden gesteld, dan wel aan verzoeker op grond van artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Het moge zo zijn dat thans uit het arrest van het HvJ EU in de zaak M. tegen Ierland van 22 november 2012 (C-277/11) naar voren komt dat de betrokken lidstaten op grond van artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van richtlijn 2005/85/EG (de Procedurerichtlijn) actief met de asielzoekende derdelander moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het asielverzoek kunnen staven, maar uit het arrest wordt niet duidelijk hoever die samenwerkingsplicht strekt en wat een betrokken lidstaat allemaal zou moeten onderzoeken om een derdelander tegemoet te komen. In ieder geval kan op basis van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn slechts worden geconcludeerd dat onder de samenwerkingsverplichting als bedoel in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn wordt verstaan dat een betrokken lidstaat nauwkeurige en actuele informatie verzamelt uit verschillende bronnen over de algemene situatie in de landen van oorsprong van asielzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis. Afgezien van het voorgaande blijft overeind dat, nu verzoeker zijn reisdocumenten stelt te hebben afgestaan aan de reisagent, verweerder het niet in zijn macht heeft om alsnog in het bezit te komen van die documenten, laat staan deze te laten onderzoeken. Daar komt bij dat zelfs in het geval dat verweerder verzoekers verklaringen over de reisroute zou hebben gecontroleerd en tot de conclusie zou zijn gekomen dat die reisgegevens kloppen, daarmee nog niet is gezegd dat verzoeker die reis werkelijk heeft afgelegd en daarmee een verklaring heeft gegeven waarom het aan hem niet is toe te rekenen dat hij zijn reisdocumenten hier te lande aan de reisagent heeft afgestaan.

7. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder een juiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd door zich op het standpunt te stellen dat van de verklaringen van verzoeker een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Voor zover verzoeker met zijn beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 februari 2012, inzake I.M. tegen Frankrijk (app. no 915209), LJN: BW0602, wil betogen dat de algemene asielprocedure in combinatie met het tegenwerpen van het ontbreken van documenten in strijd is, dan wel kan zijn, met artikel 13 van het EVRM in relatie tot artikel 3 van het EVRM, kan hij hierin niet worden gevolgd. De Kleine Kamer van het EHRM oordeelt in dat arrest niet dat de verkorte asielprocedure in Frankrijk, bestaande uit twee dagen voorbereidingstijd en vijf dagen onderzoek, op zichzelf al in strijd is met artikel 13 van het EVRM, maar veroordeelt wel de wijze waarop die versnelde procedure in dat geval voor I.M. uit Soedan heeft uitgepakt. Bovendien ziet het betoog van verzoeker voorbij aan het feit dat asielzoekers in Nederland minimaal zes dagen rust- en voorbereidingstijd krijgen voordat hun aanvraag inhoudelijk wordt onderzocht en dat de algemene asielprocedure minimaal acht dagen bedraagt. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in de algemene asielprocedure niet naar voren heeft kunnen brengen wat hij naar voren wenste te brengen. Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder zijn asielrelaas niet inhoudelijk heeft beoordeeld en dat verzoeker geen effectief rechtsmiddel heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Door verzoeker is dus niet onderbouwd waarom de algemene asielprocedure in zijn geval in strijd is met artikel 13 in samenhang met artikel 3 van het EVRM.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van verzoeker vanwege het ontbreken van positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig is te achten. Hiertoe heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat verzoekers angst om in 2009 deel te nemen aan een demonstratie moeilijk is te rijmen met diens deelname aan de bijeenkomst in 2012. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat verzoeker heeft verklaard dat er vaker arrestaties waren bij dergelijke bijeenkomsten. De door verzoeker gegeven verklaring waarom hij op 21 maart 2012 wel naar de bijeenkomst is gegaan omdat die door de burgemeester was georganiseerd en er op andere locaties nog lezingen werden gegeven, heeft verweerder niet afdoende kunnen achten. Voorts is opmerkelijk te achten dat verzoeker niet weet door wie hij in maart 2012 is opgepakt. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat van iemand die politiek bewogen is zou mogen worden verwacht dat hij kan verklaren door welke overheidsdienst hij is gearresteerd, te meer nu het een groep van militairen en agenten in uniform betrof. De omstandigheid dat ook in burger geklede functionarissen deelnamen aan de demonstraties, maakt dat niet anders. Bovendien heeft verweerder in dit verband tevens gewicht mogen toekennen aan het feit dat verzoeker heeft verklaard dat zijn broer militair is geweest en hierbij kunnen betrekken dat niet valt in te zien waarom verzoeker niet meer kan vertellen over de betreffende overheidsdienst als zijn overleden broer militair zou zijn geweest en contact heeft gehad met [kapitein]. Daarnaast heeft verweerder kunnen opmerken dat de verklaring van verzoeker, dat hij op 21 maart 2012 op een pick-up werd gegooid en dat hij zich verder niets kan herinneren omdat hij buiten bewustzijn was, tegenstrijdig is met diens latere verklaring dat hij niet heeft gezien waar de pick-up heen ging, omdat hij met zijn hoofd tegen de vloer van de pick-up lag. De eerst in de zienswijze gegeven verklaring dat verzoeker in de bak van de pick-up werd gegooid (nadat hij al aan zijn hoofd was geraakt) en dat hij met geweld met het hoofd op de vloer werd gehouden en zo buiten bewustzijn is geraakt, maakt nog niet duidelijk waarom hij bij het nader gehoor als enige reden voor het feit dat hij niet heeft gezien waar hij naartoe werd gebracht, heeft aangevoerd dat hij dat niet kon zien omdat ze met hun hoofden tegen de vloer van de pick-up lagen. Het was niet aan verweerder om hierop door te vragen, maar aan verzoeker om alle relevante feiten en omstandigheden tijdig naar voren te brengen.

9. Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoekers verklaringen over zijn detentie summier, vaag en bevreemdingwekkend zijn. In dat verband heeft verweerder van belang mogen achten dat verzoeker niets weet te verklaren over zijn medegevangenen, de reden waarom zij gevangen zaten, en de plaatsen waar hij gevangen heeft gezeten, terwijl verzoeker op basis van zijn verklaringen vier-en-een-halve maand gedetineerd is geweest. De verklaring van verzoeker dat hij in die periode met geen enkele medegevangene heeft gesproken omdat dat niet mocht en er altijd iemand over de gang liep, heeft verweerder niet overtuigend kunnen achten. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de in de zienswijze gegeven nadere verklaring dat verzoeker soms heel voorzichtig een woordje medegevangen heeft gewisseld in de cel en van een enkeling de voornaam wist, niet strookt met de verklaringen tijdens het nader gehoor en dat door verzoeker niet is uitgelegd waarom hij zijn verklaringen op dit punt wijzigt. Daarnaast heeft verweerder mogen opmerken dat verzoeker (ook) aan [kapitein] had kunnen vragen waar hij gedetineerd zat en wat de reden van zijn gevangenschap was. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat uit de verklaringen van verzoeker valt op te maken dat hij nog contact heeft gehad met [kapitein] toen hij op een veilige plek bij de priester was en toen in de gelegenheid is geweest om die vragen te stellen.

10. Voorts heeft verweerder kunnen menen dat verzoeker summier heeft verklaard over de reden waarom hij beschuldigd zou zijn van het doden van een politieagent en het feit dat hij een rebel is, nu verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom nu juist hij te midden van een grote groep mensen is gearresteerd en is beschuldigd van een dergelijk vergrijp. Dat verzoeker kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij geen wisselende verklaringen heeft afgelegd over het tijdstip van het tekenen van het document, nu uit de aantekeningen van de medewerkster van VluchtelingenWerk Nederland kan worden opgemaakt dat hij niet heeft verklaard dat hij in de op een na laatste maand van zijn detentie het document heeft getekend, maar de contactambtenaar dit heeft geconcludeerd, doet daaraan niet af.

11. Verweerder heeft bovendien de ontsnapping ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft het opmerkelijk kunnen achten dat [kapitein], die vroeger bevriend is geweest met de broer van verzoeker en tijdens verlof bij de familie van verzoeker op bezoek kwam, ervoor zou hebben gekozen om verzoeker te helpen ontsnappen in plaats van tegen zijn collega’s en ondergeschikten te vertellen dat verzoeker onschuldig was. De hiervoor gegeven verklaring van verzoeker, dat [kapitein] waarschijnlijk bang was om zijn baan te verliezen, heeft verweerder niet overtuigend kunnen achten. Daarvoor heeft verweerder redengevend mogen achten dat verzoeker tevens heeft verklaard dat hij de broer is van een oud-militair, dat [kapitein] een hogere rang in het leger heeft en de ongeregeldheden hebben plaatsgevonden tijdens een chaotische bijeenkomst met vijfhonderd tot zeshonderd personen en een grote groep militairen en politieagenten. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat veeleer in de rede zou hebben gelegen dat [kapitein] zijn collega’s en ondergeschikten op de hoogte had gebracht van de omstandigheid dat verzoeker de broer is van een oud-militair en hen had overtuigd van verzoekers onschuld en het feit dat er een vergissing in het spel was, in plaats van verzoeker te martelen en hem vervolgens te helpen ontsnappen, wat een risicovolle onderneming is. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de wijze waarop verzoeker zou zijn bevrijd, vragen oproept. Verweerder heeft het niet aannemelijk kunnen achten dat verzoeker zijn kamer en het gebouw kon verlaten zonder de aandacht te trekken als hij vier-en-een-halve maand in een cel heeft gezeten zonder sanitaire voorzieningen en in die periode veelvuldig zou zijn mishandeld. Hierbij heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat niet aannemelijk is dat verzoeker met het dragen van een pet, een bril en een uniform heeft kunnen verhullen dat hij zich niet geschoren en gewassen had en waarschijnlijk vermagerd was. Bovendien heeft verweerder het vreemd kunnen vinden dat geen van de vier militairen die bij de portier stonden aandacht aan verzoeker zou hebben besteed als verzoeker met een stok liep en een voor hen onbekend persoon was. De stelling van de gemachtigde van verzoeker ter zitting dat door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 12/28810 is toegewezen van een vreemdeling die op vergelijkbare wijze uit een gevangenis heeft weten te ontsnappen, leidt niet tot een ander oordeel omdat onvoldoende duidelijk is gemaakt dat deze zaak identiek is aan die van verzoeker en bedoelde uitspraak bovendien niet is gepubliceerd en evenmin onder dit nummer is te traceren in de voor de voorzieningenrechter beschikbare zoeksystemen.

12. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat verzoeker niet op de hoogte is van de naam van de man aan wie hij door [kapitein] zou zijn overgedragen, aangezien verzoeker met hem in de auto zou hebben gezeten en vier dagen te gast zou zijn geweest in diens huis. Hierbij heeft verweerder mogen betrekken dat niet valt in te zien dat de naam van deze man niet zou zijn gevallen toen [kapitein] op bezoek was. Daarnaast heeft verweerder het opmerkelijk mogen achten dat de priester wel bereid zou zijn om verzoeker kosteloos te helpen, maar niet bereid zou zijn om informatie over verzoekers familie en zijn zwangere vriendin te verkrijgen. Voorts heeft verweerder het standpunt kunnen innemen dat de verklaring dat [kapitein] zou hebben gezegd dat hij de familie van verzoeker op de hoogte zou stellen, tegenstrijdig is met de verklaring dat [kapitein] niet naar zijn huis wilde gaan om zijn papieren op te halen, omdat dat problemen voor hem op zou leveren.

13. Verweerder heeft dus mogen concluderen dat het relaas van verzoeker ongeloofwaardig is. De omstandigheid dat in een e-mail van 21 november 2012, die afkomstig zou zijn van de DP, wordt bevestigd dat een man, genaamd [naam 1], lid is van de DP van Oeganda en kaartnummer [kaartnummer] heeft, maakt dit niet anders, al omdat verweerder niet betwist dat verzoeker lid is van voormelde partij. Ook de later ingebrachte e-mail van de DP van onbekende datum kan niet afdoen aan de conclusie van verweerder dat het relaas ongeloofwaardig is. In de eerste plaats kan de authenticiteit van dit bericht niet worden vastgesteld. In de tweede plaats is niet duidelijk of deze e-mail, op naam van [naam 2], afkomstig is van een ten opzichte van verzoeker objectieve bron. Voorts is de verklaring afgegeven op verzoek van verzoeker en is niet duidelijk op grond van welke informatie, dan wel op grond van welk onafhankelijk onderzoek, wordt verklaard dat verzoeker op 21 maart 2012 is gearresteerd en bij terugkeer naar Oeganda zal worden gedagvaard wegens verraad. Hoe het ook zij, in de e-mail wordt niet bevestigd dat verzoeker heeft vastgezeten in verband met de dood van een politieagent. Dat kan evenmin worden opgemaakt uit de door de gemachtigde van verzoeker overgelegde persberichten van News 24 over arrestaties die zijn verricht naar aanleiding van de dood van de politieagent. Ten slotte is opvallend te noemen dat in de e-mail gewag wordt gemaakt van politieke activiteiten van verzoeker voor de DP waarvan hij zelf in de gehoren bij zijn asielaanvraag geen melding heeft gemaakt, wat de vraag oproept of het bericht wel op verzoeker betrekking heeft.

14. Voorts kan ook de overige documentatie die is overgelegd met betrekking tot de gebeurtenissen van 21 maart 2012 te Kampala, niet afdoen aan het standpunt van verweerder dat het relaas van verzoeker ongeloofwaardig is. Verweerder kon zich op het standpunt stellen dat het feit dat de verklaringen van verzoeker over de gebeurtenissen op die dag overeenstemmen met wat daarover in de media is geschreven nog niet maakt dat daarmee de door verzoeker gestelde arrestatie en de daarop volgende gebeurtenissen geloofwaardig moeten worden geacht. Ook de omstandigheid dat uit de door verzoeker overgelegde rapportages, waaronder het jaarrapport van het UK Home Office 2011, blijkt dat in Oeganda illegale detentieplaatsen van militairen, zogenaamde ‘safehouses’, bestaan waarin gemarteld wordt, hoefde verweerder niet tot een andere conclusie te leiden, nu verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedetineerd heeft gezeten. Dat verzoeker op zijn lichaam diverse littekens heeft, betekent evenmin dat aangenomen dient te worden dat die littekens het gevolg zijn van de door verzoeker gestelde martelingen na diens arrestatie op 21 maart 2012. Daar komt bij dat verzoeker tot op heden geen stukken heeft overgelegd van ter zake medisch deskundigen, waarin een verband wordt gelegd tussen de littekens en marteling. In die zin is de zaak van verzoeker niet vergelijkbaar met de zaak van R.C. tegen Zweden waarin het EHRM op 9 maart 2010, LJN: BM4069, arrest heeft gewezen. Niet valt dus in te zien waarom verzoeker, ondanks het hiervoor overwogene, vanwege zijn littekens toch het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. De voorzieningenrechter verwijst daarbij ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2012, LJN: BV3718.

15. Hetgeen overigens is aangevoerd door de gemachtigde van verzoeker leidt niet tot een ander oordeel, nu dit neerkomt op een uitleg waarom verzoekers verklaringen niet vaag, summier of ongerijmd zijn. De omstandigheid dat verzoeker zijn verklaringen later nader dient te duiden en/of te nuanceren, impliceert al dat van die verklaringen geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

16. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat verzoeker bij terugkeer naar Oeganda geen gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging en geen reëel risico loopt om onderworpen te worden aan een behandeling of bestraffing die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. De ongeloofwaardigheid van het relaas maakt tevens dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op het traumatabeleid. Verweerder heeft verzoeker dan ook terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en c, van de Vw 2000, zijnde de toelatingsgronden waarop hij een beroep heeft gedaan. Uit het vorenstaande volgt tevens dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder de zaak niet in de algemene asielprocedure had kunnen afdoen.

17. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop bestaat tevens geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening en zal dat verzoek worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

18. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: