Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5179

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
425639 FA RK 12-6236
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning buitenlandse adoptie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 19
Burgerlijk Wetboek Boek 10 107
Burgerlijk Wetboek Boek 10 111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/9 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Module Nationaliteitsrecht 2013/800

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-6236

Zaaknummer: 425623

Datum beschikking: 05 december 2012

Erkenning buitenlandse adoptie

Beschikking op het op 17 augustus 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] en [verzoeker],

verzoekers, dan wel verzoeker en verzoekster,

wonende te [woonplaats verzoekers],

advocaat mr. A.F. Braun te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

zetelend te 's-Gravenhage,

de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 17 september 2012, met bijlagen, van verzoekers;

- de brief d.d. 24 september 2012, met bijlage, van verzoekers;

- de brief d.d. 24 september 2012, met bijlagen, van de ambtenaar;

- de fax d.d. 24 oktober 2012 van verzoekers;

- de brief d.d. 6 november 2012, met bijlage, van verzoekers;

- de brief d.d. 9 november 2012 van de ambtenaar.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:

- de adoptie van [de minderjarige], zoals op [datum] door

verzoekers te Broward County, Florida, Verenigde Staten van Amerika heeft

plaatsgevonden, erkent ten aanzien van verzoekster;

- subsidiair: de adoptie van voornoemde minderjarige door verzoekster uitspreekt;

- de adoptie van voornoemde minderjarige door verzoeker uitspreekt;

- de ambtenaar te gelasten deze adopties te registreren in de registers van de

burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage.

De ambtenaar heeft schriftelijk inhoudelijk gereageerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feiten

De rechtbank gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten:

- Het verzoek betreft de minderjarige [de minderjarige], oorspronkelijk genaamd [oorspronkelijke naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika als zoon van [naam biologische moeder];

- De minderjarige is Amerikaans burger, verzoekers hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.

- De minderjarige is sinds [datum] 2011 op het adres van verzoekers in

Nederland ingeschreven.

- Verzoekers zijn op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk], Verenigde Staten, gehuwd.

Beoordeling

Erkenning buitenlandse adoptie ten aanzien van verzoekster

Het verzoek is gegrond op de artikelen 10:109 en 10:111 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Verzoekers wonen met de minderjarige in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op

grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is van het

verzoek kennis te nemen.

Ingevolge artikel 10:107, eerste lid, BW zijn de bepalingen van afdeling 3 (artikelen 107 tot en met 111) van dit Boek van toepassing, omdat de Verenigde Staten van Amerika weliswaar partij zijn bij het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (Haags adoptieverdrag) (Trb. 1993, 197), maar de aanvraag als bedoeld in artikel 41 van dat verdrag op 17 april 2006 en derhalve voor 1 april 2008, de datum waarop dit verdrag voor de Verenigde Staten van Amerika in werking is getreden, is ontvangen.

Ingevolge artikel 10:109, eerste lid, BW kan een buitenlandse beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, worden erkend indien:

a. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) in acht zijn genomen, en

b. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en

c. erkenning niet op een grond, als bedoeld in artikel 10:108, tweede of derde lid, van dit Boek, zou worden onthouden. Dat wil in een geval als het onderhavige, dat wordt beheerst door artikel 10:109 BW, zeggen dat tevens voldaan dient te worden aan de volgende aanvullende voorwaarden:

- er is geen sprake van dat aan de adoptiebeslissing in de vreemde staat

kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan,

- er is geen sprake van dat de erkenning van die beslissing in strijd is met de

openbare orde, hetgeen steeds het geval is indien die beslissing kennelijk betrekking heeft op een schijnhandeling.

De rechtbank zal er thans toe overgaan te bezien of aan alle voorwaarden van artikel 10:109, eerste lid, BW is voldaan.

Gezien de rechtsregels die op de in Florida, Verenigde Staten van Amerika, gegeven adoptiebeslissing van toepassing zijn, te weten de rechtsregels neergelegd in "Chapter 63 Adoption Title VI Civil Practice and Procedure" van de Florida Statutes, hierna te noemen "Florida Adoption Act", is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de "Final Judgement of Adoption", gegeven op [datum] door de Circuit Judge van

"The Circuit Court of the Seventeenth Judicial Circuit of the State of Florida, in and for Broward County, Florida, Family Division-Adoption", houdende een beslissing waarbij de adoptie van de minderjarige door verzoekers tot stand is gekomen, is te beschouwen als een beslissing van een ter plaatse bevoegde autoriteit.

Blijkens de overgelegde bewijsstukken van de gemeente [naam gemeente] hebben verzoekers hun gewone verblijfplaats in Nederland en is gebleken dat zij ten tijde van het verzoek tot adoptie eveneens gewone verblijfplaats in Nederland hadden. De minderjarige had ten tijde van het verzoek tot adoptie zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten van Amerika. Ten tijde van de uitspraak van de adoptie had de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Nu bij "Order to Obtain Birth Certificate and Passport" toestemming is verleend om aan verzoekers een paspoort ten name van de minderjarige af te geven, concludeert de rechtbank dat overeenkomstig het nationale recht van de minderjarige is ingestemd met het vertrek van de minderjarige naar Nederland. Hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank voorbij worden gegaan aan het vereiste dat de minderjarige ten tijde van de (definitieve) adoptiebeslissing zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten diende te hebben.

Uit de stukken blijkt dat de beginseltoestemming tot adoptie van genoemde minderjarige door het Ministerie van Justitie alleen is verleend aan verzoekster. Artikel 2 van de Wobka verbiedt het opnemen van een buitenlands kind zonder voorafgaande beginseltoestemming. Ingevolge artikel 10:109, eerste lid, sub a, BW, wordt een buitenlandse adoptiebeslissing alleen erkend indien de bepalingen van de Wobka in acht zijn genomen. Hieruit volgt dat ten aanzien van verzoeker niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing. Ten aanzien van verzoekster geldt dat wel is voldaan aan de bepalingen van de Wobka en artikel 10:109 BW en dat erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is.

Gezien de rechtsregels die op de adoptie in Florida, Verenigde Staten van Amerika, van toepassing zijn, te weten de Florida Adoption Act, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat aan het opmaken van voornoemde "Final Judgment of Adoption", een behoorlijk onderzoek en een behoorlijke rechtspleging zijn voorafgegaan.

Nu voorts geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat erkenning van de beslissing in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde is de rechtbank van oordeel dat de Amerikaanse adoptie-uitspraak - met inachtneming van het hiervoor overwogene ten aanzien van de verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de definitieve adoptie-uitspraak - voldoet aan de in artikel 10:109, eerste lid, BW, genoemde voorwaarden voor erkenning.

De rechtbank gelast op de voet van artikel 10:109, derde lid, BW, dat een latere vermelding van adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand wordt toegevoegd.

Adoptie door verzoeker

Nu de erkenning geen betrekking heeft op verzoeker, komt de rechtbank toe aan het verzoek om de adoptie van de minderjarige door verzoeker naar Nederlands recht uit te spreken. Uit de stukken blijkt dat verzoekers op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk], Verenigde Staten van Amerika, zijn gehuwd. De onderhavige beschikking waarbij de buitenlandse adoptie zal worden erkend heeft alleen betrekking op verzoekster en is nog niet onherroepelijk geworden zodat verzoekster thans nog niet kan worden aangemerkt als (adoptief)ouder van de minderjarige.

Strikt formeel brengt dit mee dat ten aanzien van verzoeker niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:227, tweede lid en artikel 1:228, eerste lid, sub f, BW, aangezien het ingevolge deze bepalingen moet gaan om een adoptant die echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de (adoptief)ouder is. De rechtbank is van oordeel dat vanwege het belang van het kind en om proceseconomische redenen een dergelijke strikte uitleg van voornoemde artikelen niet wenselijk is. Immers, gelet op het feit dat de minderjarige sedert [datum] 2011 feitelijk deel uitmaakt van het gezin, terwijl bovendien aannemelijk is dat verzoeker wel betrokken is geweest bij het door de Raad voor de Kinderbescherming verrichte onderzoek in het kader van de beginseltoestemming en de adoptie in de Verenigde Staten bovendien is uitgesproken ten behoeve van beide verzoekers, is de rechtbank van oordeel dat het belang van het kind hier voorop dient te staan. Dit belang vergt dat het met beide opvoeders en verzorgers gelijktijdig in een gelijke familierechtelijke relatie komt te staan en dat ook direct duidelijkheid ontstaat over het juridisch ouderschap. Nu aan de overige voorwaarden die de wet aan adoptie stelt is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie naar Nederlands recht toewijzen, opdat naar Nederlands recht ook tussen verzoeker en de minderjarige familierechtelijke betrekkingen worden geschapen.

Namen

Blijkens voormelde Final Judgment of Adoption heet de minderjarige thans: [de minderjarige]. Deze naamsvaststelling dient op grond van artikel 10:19 BW te worden erkend in Nederland. Nu de minderjarige tengevolge van voormelde adoptiebeslissing reeds de geslachtsnaam van verzoeker draagt en geen wijziging van de geslachtsnaam is verzocht, komt aan artikel 1: 5, lid 3, juncto 1:5, lid 8, BW geen betekenis toe en behoudt de minderjarige de geslachtsnaam [geslachtsnaam minderjarige].

Bij afzonderlijke beslissing zullen de geboortegegevens van de minderjarige worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat bij de blijkens het "Final Judgement of Adoption", gegeven op

[datum] door de Circuit Judge van "The Circuit Court of the Seventeenth Judicial Circuit of the State of Florida, in and for Broward County, Florida, Family Division-Adoption" (van welk Judgment een kopie aan deze beschikking is gehecht), tot stand gekomen adoptie van [de minderjarige], van het mannelijk geslacht, geboren op [geboortedatum], door [verzoekster], aan de in artikel 10:109, eerste lid, BW, genoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan;

spreekt uit de adoptie van:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika, door [verzoeker], geboren op

[geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker];

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt, kinderrechter, bijgestaan door

P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting 5 december 2012.