Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4996

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
425965 / KG ZA 12-919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, executiegeschil strafrecht; vordering tot schorsing tenuitvoerlegging gevangenisstraf afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 425965 / KG ZA 12-919

Vonnis in kort geding van 5 september 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.S. Pot te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te 's-Gravenhage.

1. Het procesverloop

Eiser heeft gedaagde op 27 augustus 2012 doen dagvaarden om op 3 september 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 5 september 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 september 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij arrest van 25 juli 2007 is eiser door het gerechtshof Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - met aftrek van voorarrest - van 18 maanden, wegens (onder meer) het dwingen alsmede bewegen van een minderjarige tot prostitutie. Tegen dit arrest heeft de toenmalige raadsman van eiser op 6 augustus 2007 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Aangezien eiser niet tijdig een cassatieschriftuur houdende cassatiemiddelen heeft doen indienen, is hij bij arrest van 9 september 2008 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

2.2. Op 24 oktober 2008 heeft het CJIB een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen eiser.

2.3. In november 2011 heeft eiser door tussenkomst van een advocaat een gratieverzoek ingediend bij de Dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In dit gratieverzoek heeft eiser onder meer melding gemaakt van zijn onbekendheid met de onherroepelijke veroordeling, zijn [leeftijd]jarige dochter voor wie hij sinds juni 2011 als alleenstaande ouder de zorg heeft, en van zijn werk als zzp-er.

2.4. Nadat eiser dit verzoek in februari 2012 had aangevuld met bewijsmiddelen heeft Dienst Justis bij brief van 23 maart 2012 de ontvangst van het gratieverzoek bevestigd. Bij brief van 19 juni 2012 heeft de Dienst Justis aan eiser meegedeeld dat het verzoek geen opschortende werking van rechtswege heeft.

2.5. Op 16 augustus 2012 is eiser aangehouden. Thans is eiser gedetineerd. De einddatum van de gevangenisstraf is met inachtneming van de periode die eiser in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de vervroegde invrijheidstelling, thans berekend op 19 maart 2013.

2.6. Bij brief van 12 juli 2012 heeft de advocaat-generaal van het ressortsparket Amsterdam het hof in overweging gegeven te adviseren het gratieverzoek af te wijzen.

3. Het geschil

3.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - de tenuitvoerlegging van het op 25 juli 2007 door het hof Amsterdam gewezen arrest met onmiddellijke ingang, althans per een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum, te schorsen en te bevelen eiser per die datum in vrijheid te stellen.

3.2. Daartoe voert eiser het volgende aan. Door tijdsverloop en de bijzondere omstandigheden van eiser is ongewijzigde tenuitvoerlegging van de bij arrest van 25 juli 2007 aan eiser opgelegde straf onrechtmatig jegens eiser. Door toedoen van zijn voormalige advocaat heeft eiser gedurende lange tijd in de veronderstelling verkeerd dat het arrest van het hof niet onherroepelijk was geworden en dat het cassatieberoep kans van slagen had. Door voortduring van de detentie zal eiser zijn dochter, zijn huis en zijn inkomen kwijtraken. Bovendien zal zijn dochter weer in een pleeggezin moeten worden ondergebracht. Zijn belang bij schorsing van de executie dient dan ook te prevaleren boven het belang van gedaagde bij voortzetting ervan. Hoewel eiser zich ervan bewust is dat hij de straf zal moeten ondergaan, acht hij het hoogstwaarschijnlijk dat zijn gratieverzoek zal worden toegewezen in die zin dat de gevangenisstraf (gedeeltelijk) wordt omgezet in elektronisch toezicht of een werkstraf.

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven. Eiser is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken - onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling - geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ter dienste staat.

4.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Slechts in door de wet gegeven uitzonderingsgevallen kan tenuitvoerlegging geheel dan wel gedeeltelijk achterwege blijven. Eiser heeft een gratieverzoek ingediend en zijn vordering strekt ertoe dat de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde - op 9 september 2008 onherroepelijk geworden - gevangenisstraf vooruitlopend op de beslissing op dat gratieverzoek wordt geschorst.

4.3. Vaststaat dat op grond van het bepaalde in artikel 558a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het gratieverzoek van eiser geen schorsende c.q. opschortende werking van rechtswege toekomt. Niettemin is de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: 'de minister') bevoegd op grond van artikel 559a lid 2 Sv om de tenuitvoerlegging te schorsen totdat op het gratieverzoek is beslist. Op grond van het vaste beleid van de Staat - laatstelijk vastgelegd in 'Beleidsregels betreffende drie specifieke onderdelen van het gratie-instrument' (Staatscourant 26 januari 2011) - kan aan een gratieverzoek opschortende c.q. schorsende werking worden toegekend indien op grond van door de verzoeker aangevoerde informatie aannemelijk is geworden dat het hoogstwaarschijnlijk is dat zijn gratieverzoek zal worden ingewilligd.

4.4. Hoewel niet is gesteld of gebleken dat eiser bij de minister een verzoek tot schorsing heeft ingediend, staat gelet op het voorgaande ook in deze procedure ter beoordeling of het hoogstwaarschijnlijk te achten is dat het gratieverzoek van eiser zal worden ingewilligd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat ingevolge artikel 2 Gratiewet slechts gratie kan worden verleend op grond van een relevante omstandigheid waarmee de rechter ten tijde van het opleggen van de straf geen rekening heeft gehouden of kunnen houden of indien aannemelijk is dat met de (verdere) tenuitvoerlegging geen met de strafrechtspleging na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

4.5. Tegenover het standpunt van gedaagde dat het reeds gelet op het onder 2.6 vermelde advies van de advocaat-generaal niet hoogstwaarschijnlijk is te achten dat het gratieverzoek zal worden ingewilligd, heeft eiser betoogd dat (met name) het tijdsverloop in combinatie met de zorg voor zijn dochter een zodanig drastische verandering oplevert dat het in weerwil van het advies van de advocaat-generaal wel hoogstwaarschijnlijk te achten is dat zijn gratieverzoek in enige vorm zal worden ingewilligd. Eiser heeft in dit verband benadrukt dat hij door ongewijzigde tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zijn dochter, zijn inkomen en zijn woning zal verliezen.

4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door eiser gestelde omstandigheden - hoe zwaarwegend deze voor hem ook mogen zijn - niet zodanig dat verwacht mag worden dat zijn gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk zal worden gehonoreerd. Redengevend daarvoor is het volgende. Het door eiser gestelde verlies van zijn inkomen en zijn woning alsmede de zorg voor de minderjarige dochter zijn omstandigheden die inherent zijn aan het ondergaan van een vrijheidstraf en zijn in zijn algemeenheid onvoldoende voor het honoreren van een gratieverzoek. Met betrekking tot het tijdsverloop heeft te gelden dat bepaald niet valt uit te sluiten dat eiser dit aan zichzelf te wijten heeft. Gedaagde heeft in dit verband immers onweersproken gesteld dat eiser onvindbaar was op de achtereenvolgens door hem opgegeven GBA-adressen, terwijl uit eisers eigen stellingen met betrekking tot de dreiging van de openstaande straf valt af te leiden dat hij al geruime tijd op de hoogte was van de veroordeling.

4.7. Slotsom van het voorgaande is dat de vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling moet worden afgewezen.

4.8. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.391,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 575,- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2012.

WJ