Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4988

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
09-758138-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal spelcomputers wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/758138-10

Datum uitspraak: 4 december 2012

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 november 2012.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.V, van der Bom, advocaat te ‘s Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H.J.J. Talsma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 weken, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2010 te Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een, spelcomputer(s) (X-box Elite), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Bart Smit, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen dertien, althans een of meerdere spelcomputer(s) (Playstation en/of X-box), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Speelgoedpaleis Bart Smit, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 7 april 2010 te Goes tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 35, althans één of meerdere spelcomputer(s) (Nintendo DS en/of Sony PSP en/of Sony PS3), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Game Mania, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

hij op of omstreeks 12 april 2010 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen zes, althans één of meerdere spelcomputer(s) (Nintendo) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dixons, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 10 juni 2010 te Gorinchem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 28 , althans een of meerdere telefoons (Blackberry en/of Iphone en/of Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Belcompany, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op of omstreeks 11 juni 2010 te Ridderkerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisie (merk Philips), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Foto Klein, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Beoordeling van de tenlastelegging.

Feit 1 (zaaksdossier 13)

Aangever [A.], beveiligingsbeambte van de Bart Smit te Roermond, heeft verklaard dat de bedrijfsleider op 20 januari 2010 ontdekte dat er twee spelcomputers uit het magazijn gestolen waren.

Ten tijde van de diefstal zijn er door beveiligingscamera’s in het winkelbedrijf Bart Smit beelden gemaakt. Deze camerabeelden zijn door de [verbalisanten] bekeken. Verbalisanten hebben gerelateerd dat zij onder meer zagen dat er twee mannen kort na elkaar de Bart Smit betraden, dat man 1 het magazijn in ging, dat man 2 man 1 een tas aanreikte, dat man 1 het magazijn weer verliet met een gevulde tas en dat beide mannen de winkel verlieten zonder te betalen. Man 1 wordt door de verbalisanten van een politiefoto herkend aan zijn gezicht en mond als zijnde verdachte.

Voorts is door [verbalisanten], die verdachte hebben verhoord, gerelateerd dat zij de persoon die voor hen zat herkenden als zijnde dezelfde persoon die zij op beveiligingsbeelden hebben gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte, samen met een ander, de ten laste gelegde winkeldiefstal heeft gepleegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de herkenning door de [verbalisanten] die heeft plaatsgevonden aan de hand van een politiefoto, niet wordt ondersteund door ander(soortig) bewijs. De herkenning door de [verbalisanten] kan niet als (steun)bewijs worden aangemerkt, nu niet duidelijk gerelateerd is op welke beelden en waaraan zij verdachte hebben herkend. De eigen waarneming van de rechtbank kan evenmin aan het bewijs bijdragen. De rechtbank ziet wel enige gelijkenis tussen “man 1” op de afbeeldingen in het dossier (in het bijzonder ‘foto 13’) en de persoon van verdachte zoals ter terechtzitting waargenomen, maar kan verdachte op de afbeeldingen niet met een voldoende mate van zekerheid herkennen. Verdachte zal reeds daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2 (zaaksdossier 14)

Aangeefster [B.], bedrijfsleidster van winkelbedrijf Bart Smit te Leeuwarden, heeft verklaard dat zij op 28 januari 2010 twee mannen in het magazijn van voornoemd winkelbedrijf zag staan, dat een van de mannen drie dozen met spelcomputers neerzette en dat de mannen vervolgens wegrenden. Na controle van de voorraad bleken er drie spelcomputers weggenomen te zijn.

Door de beveiligingscamera’s zijn beelden gemaakt van de twee mannen. Deze beelden zijn onder meer bekeken door de [verbalisanten]. Een van de mannen wordt door de verbalisanten van een politiefoto herkend aan zijn gezicht en mond als zijnde verdachte.

Voorts is door [verbalisanten], die [verdachte] hebben verhoord, gerelateerd dat zij de persoon die voor hen zat herkenden als zijnde dezelfde persoon die zij op beveiligingsbeelden hebben gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte, samen met een ander, de ten laste gelegde winkeldiefstal heeft gepleegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de herkenning door de [verbalisanten], die heeft plaatsgevonden aan de hand van een politiefoto, niet wordt ondersteund door ander(soortig) bewijs. De herkenning door de [verbalisanten] kan niet als (steun)bewijs worden aangemerkt, nu niet duidelijk gerelateerd is op welke beelden en waaraan zij verdachte hebben herkend. De eigen waarneming van de rechtbank kan evenmin aan het bewijs bijdragen. De rechtbank ziet wel enige gelijkenis tussen een van de mannen op de afbeeldingen in het dossier (in het bijzonder ‘foto 14’) en de persoon van verdachte zoals ter terechtzitting waargenomen, maar kan verdachte op de afbeeldingen niet met een voldoende mate van zekerheid herkennen. Verdachte zal reeds daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3 (zaaksdossier 16)

Aangever [C.], bedrijfsleider van winkelbedrijf Game Mania te Goes, heeft verklaard dat hij er op 7 april 2010 achterkwam dat een aantal goederen uit het magazijn ontbrak.

De door de beveiligingscamera opgenomen beelden zijn door de [verbalisanten]bekeken. Zij hebben gerelateerd dat zij zagen dat een man een deur achter in de winkel binnenging, en dat zij die man van een politiefoto herkenden als zijnde verdachte.

Voorts is door [verbalisanten], die verdachte hebben verhoord, gerelateerd dat zij de persoon die voor hen zat herkenden als zijnde dezelfde persoon die zij op beveiligingsbeelden hebben gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte, samen met een ander, de ten laste gelegde winkeldiefstal heeft gepleegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de herkenning door de [verbalisanten], die heeft plaatsgevonden aan de hand van een politiefoto, niet wordt ondersteund door ander(soortig) bewijs. De herkenning door de [verbalisanten] kan niet als (steun)bewijs worden aangemerkt, nu niet duidelijk gerelateerd is op welke beelden en waaraan zij verdachte hebben herkend. De eigen waarneming van de rechtbank kan evenmin aan het bewijs bijdragen. De rechtbank ziet wel enige gelijkenissen tussen een van de mannen op de afbeeldingen in het dossier (in het bijzonder de afbeelding op pagina 24 van het zaaksdossier) en de persoon van verdachte zoals ter terechtzitting waargenomen, maar kan verdachte op de afbeeldingen niet met een voldoende mate van zekerheid herkennen. Verdachte zal reeds daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 4 (zaaksdossier 18)

Aangever [D.], verkoopmedewerker bij winkelbedrijf Dixons te Gouda, heeft verklaard dat hij op 12 april 2010 een persoon uit de klapdeur aan de kant van het magazijn zag komen. Na controle bleek dat een aantal goederen uit het magazijn was weggenomen.

De camerabeelden van de winkel zijn door de [verbalisanten] bekeken. Zij hebben gerelateerd dat zij zagen dat een man het magazijn binnenging en kort daarna het magazijn en de winkel verliet met een gevulde boodschappentas. De man werd door hen van een politiefoto aan zijn gezicht en mond herkend als zijnde [verdachte].

Voorts is door [verbalisanten], die verdachte hebben verhoord, gerelateerd dat zij de persoon die voor hen zat herkenden als zijnde dezelfde persoon die zij op beveiligingsbeelden hebben gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte, samen met een ander, de ten laste gelegde winkeldiefstal heeft gepleegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de herkenning door de [verbalisanten], die heeft plaatsgevonden aan de hand van een politiefoto, niet wordt ondersteund door ander(soortig) bewijs. De herkenning door de [verbalisanten] kan niet als (steun)bewijs worden aangemerkt, nu niet duidelijk gerelateerd is op welke beelden en waaraan zij verdachte hebben herkend. De eigen waarneming van de rechtbank kan evenmin aan het bewijs bijdragen. De rechtbank constateert dat de afbeeldingen in het dossier niet scherp zijn en ziet ook overigens onvoldoende gelijkenis tussen een van de mannen op de afbeeldingen in het dossier (in het bijzonder de afbeelding op pagina 37 van het zaaksdossier) en verdachte zoals ter terechtzitting waargenomen, vooral wat betreft postuur. Verdachte zal reeds daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 5 (zaaksdossier 19)

Aangeefster [E.], werkneemster van het winkelbedrijf BelCompany te Gorinchem, heeft verklaard dat zij op 10 juni 2010 van een persoon hoorde dat de achterdeur van het winkelbedrijf openstond. Vervolgens kwam zij tot de ontdekking dat een aantal goederen uit het magazijn ontbrak.

[Verbalisant] heeft gerelateerd dat hij tegen een ruit van de winkel BelCompany stond en dat een man (‘persoon 1’) in zijn nabijheid ging zitten. Persoon 1 zei dat hij op iemand wachtte en wees daarbij naar een man (‘persoon 2’) in de BelCompany. Enige tijd later verliet persoon 2 de BelCompany. Een derde man (‘persoon 3’) rende achter persoon 2 aan richting de Krijtstraat, waar persoon 1 al stond. Vervolgens liep persoon 1 met versnelde pas de Kruisstraat in. Personen 2 en 3 liepen weer terug. [Verbalisant] vroeg aan persoon 3 of persoon 2 “iets uit zijn zaak gejat had”. Persoon 3 antwoordde kortaf dat er niets aan de hand was. Hierop is persoon 2 de BelCompany weer ingelopen. Vervolgens zag [verbalisant], staande op de kruising Krijtstraat/Achter de Kerk, persoon 1 vanaf de Grote Markt de Tinnengietersteeg inlopen en kort hierna weer teruglopen naar de Grote Markt.

Verbalisant [verbalisant AA] heeft gerelateerd dat hij, staande op de kruising Hoogstraat/Kelenstraat/Gasthuisstraat, zag dat persoon 1 een zwarte deur aan de Kelenstraat binnenging en dat hij onmiddellijk daarop weer naar buiten kwam met een bigshopper, die gezien de omvang op dat moment leeg was. Persoon 1 liep hierop in de richting van de Grote Markt. [verbalisant AA] volgde persoon 1, maar verloor hem uit het oog. Even later zag hij persoon 3 voorbijrijden in een Volvo 3, maar heeft niet kunnen zien of er meerdere personen in het voertuig aanwezig waren. Daarop is [verbalisant AA] naar genoemde deur aan de Kelenstraat gegaan. Deze stond op een kier en bleek naar het magazijn van de Belcompany te leiden.

Aan [verbalisant] is op 17 augustus 2010 onder meer een politiefoto van verdachte getoond. [verbalisant] herkende verdachte als zijnde persoon 1.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Weliswaar heeft [verbalisant] verdachte herkend – de rechtbank ziet geen reden om aan deze herkenning te twijfelen –, maar hij heeft niet gezien dat verdachte iets heeft gestolen en ook niet dat hij, al dan niet gestolen, goederen bij zich droeg. [verbalisant] heeft op 17 augustus 2010 immers gerelateerd dat verdachte een “opgefrommelde tas” voor zich hield. [verbalisant AA] heeft ‘persoon 1’ – een herkenning door de verbalisant van deze persoon als zijnde verdachte ontbreekt – een zwarte deur aan de Kelenstraat, leidend naar het magazijn van BelCompany, zien binnengaan, maar heeft deze persoon met een (op het oog) lege bigshopper naar buiten zien komen. Derhalve kan op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte een diefstal heeft gepleegd. Dat kan evenmin worden vastgesteld ten aanzien van de twee andere door de verbalisanten aangeduide personen, nog daargelaten dat op grond van het dossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat deze personen bij elkaar hoorden. Verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 6 (zaaksdossier 20)

Aangever [F.], werknemer van winkelbedrijf Foto Klein, gevestigd in winkelpassage Ridderhof te Ridderkerk, heeft verklaard dat hij op 11 juni 2010 een klant hielp en dat hij door een persoon erop geattendeerd werd dat een negroïde man naar buiten was gerend met een televisie in zijn handen. Aangever is hierop naar buiten gerend, maar heeft de negroïde man niet meer gezien. Toen aangever terug kwam bij de winkel, zag hij zijn collega [I.] met een klant praten. Een voorbijganger wees aangever en zijn collega erop dat de klant bij de negroïde man hoorde, omdat hij hen eerder samen in de winkelpassage had zien lopen. De klant ontkende dit en is vervolgens weggerend.

Getuige [I.] heeft verklaard dat hij achter de genoemde klant is aangerend en dat hij zag dat deze in een auto stapte waarin een negroïde man zat, alsmede de klant die daarvoor door zijn [collega J.] was geholpen.

Getuige [K.] heeft verklaard dat hij een medewerker van winkelbedrijf Foto Klein achter een man aan zag rennen, dat de medewerker zei dat de man iets gestolen had en dat de medewerker stopte met rennen. De getuige is vervolgens achter de man aangefietst en hij zag dat de man in een auto stapte. Hij hoorde later dat er nog twee andere personen in de auto zaten, maar hij heeft deze personen niet gezien.

De in de winkelpassage gemaakte camerabeelden zijn door de [verbalisanten] bekeken. Op de beelden herkenden zij, aan de hand van politiefoto’s, verdachte en [medeverdachte] aan de vorm van hun gezicht. Voorts zagen zij op de beelden een negroïde man, verdachte en [medeverdachte] één voor één het winkelbedrijf binnengaan. Kort daarna zagen ze de negroïde man met een grote televisie het winkelbedrijf uitlopen. Een minuut later zagen zij [medeverdachte] weglopen. Vijf minuten later zagen zij verdachte wegrennen.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er een diefstal heeft plaatsgevonden door de negroïde man. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van de beelden en de verklaringen van de getuigen niet vastgesteld kan worden of er sprake was van een nauw en bewust samenwerkingsverband tussen deze negroïde man en de overige op de camerabeelden waar te nemen personen, van wie een persoon door [verbalisanten] herkend wordt als zijnde verdachte. In dat verband overweegt de rechtbank dat de verklaring van getuige [K.] niet volledig aansluit op de verklaring van getuige [I.]. Als [I.] zou zijn gestopt met rennen, is niet zonder meer aannemelijk dat hij de inzittenden van het voertuig heeft waargenomen, laat staan herkend, zeker gezien het feit dat [K.] geen inzittenden heeft waargenomen. De verklaring van [I.] is daarom voor wat betreft de herkenning van de overige inzittenden, die voor het bewijs essentieel zou zijn, onvoldoende betrouwbaar. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte bij de diefstal door de negroïde man betrokken was en zal hij van dit feit worden vrijgesproken.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij Foto Klein B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Steenhuis, voorzitter,

mrs. Van Seventer en Ruiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Glansbeek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2012.