Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4975

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
12 - 10739
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft, onder verwijzing naar het ambtsbericht, gesteld dat eiser bescherming had kunnen inroepen van de (hogere) autoriteiten. Hieruit blijkt dat eiser zich tot hogere instanties kan wenden, alsmede de Ombudsman en het EHRM, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder hierin, maar uit het ambtsbericht blijkt ook dat uitspraken van het EHRM niet consequent worden opgevolgd, dat het optreden van de Ombudsman wordt getypeerd als ineffectief, weinig daadkrachtig en niet-onafhankelijk en dat het doen van aangifte bij de politie in de praktijk geen garantie biedt dat de politie ook daadwerkelijk tot handelen overgaat. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser zich tot de (hogere) autoriteiten had kunnen wenden en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming op voorhand zinloos is.

Aan eisers echtgenote is, op basis van een van eisers relaas afhankelijk verhaal een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Aan haar is niet tegengeworpen dat zij bescherming had kunnen vragen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een ambtelijke misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 10739

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 september 2012 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Azerbeidjaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten. De echtgenote van eiser heeft op 28 mei 2009 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend voor haarzelf en mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen. Bij besluit van 17 mei 2010 is deze aanvraag ingewilligd en is de gevraagde vergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met ingang van 28 mei 2009 en geldig tot 28 mei 2014.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is op 20 april 2003 lid geworden van de oppositiepartij Musavat. Eiser was een actief lid. Eiser nam deel aan demonstraties van de oppositie. Bij een van die demonstraties werd eiser door de politie geslagen met knuppels in zijn gezicht en op zijn benen. Eiser viel flauw en toen hij bij bewustzijn kwam, bevond hij zich in een ziekenhuis. Na zijn herstel besloot eiser meer propaganda te maken voor Musavat. Ook heeft hij nog deelgenomen aan demonstraties. In 2008 waren er verkiezingen in Azerbeidjan en werd een referendum gehouden om het voor de president mogelijk te maken voor onbepaalde tijd herkozen te worden. De oppositiepartijen hebben gedemonstreerd bij de constitutionele rechtbank tegen het referendum. Op 22 maart 2009 werd eiser opgeroepen om te verschijnen bij de officier van Justitie in Baku. Daar kreeg eiser te horen dat hij moest meewerken en namen moest doorgeven van actieve leden van Musavat. Ook moest hij wapens verstoppen in het hoofdkantoor van de partij, zodat de politie deze wapens bij een inval zouden kunnen vinden. Eiser weigerde dit. De officier bood hem hierop enkele dagen bedenktijd en dreigde ermee dat eiser anders gevangen zou worden genomen, in de Bayel gevangenis zou komen en zou verdwijnen. Toen de tweede oproep kwam, durfde eiser zich niet te melden en is hij ondergedoken bij een vriend. Van zijn vrouw hoorde eiser enkele dagen later dat zij is meegenomen door de politie en dat zij de hele dag heeft vastgezeten, om op die manier eisers verblijfplaats te achterhalen. Eiser heeft vervolgens geregeld dat zijn gezin het land kon verlaten en uiteindelijk naar Nederland kon reizen. Eiser zelf bleef ondergedoken, omdat hij hoopte dat de situatie zou verbeteren. De vriend van eiser is een paar keer naar eisers woning gegaan om te informeren of de politie naar eiser op zoek was. Eind november 2010 kreeg eisers vriend bij een bezoek aan eisers woning twee oproepen in handen. Naar aanleiding van deze oproepen besloot eiser dat hij het land ook moest verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Verweerder heeft aan eiser het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw tegengeworpen. Er wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de bescherming van de hogere autoriteiten van zijn land van herkomst had kunnen inroepen tegen de houding van de officier van Justitie om zo zijn situatie te verbeteren. Nu eiser dit heeft nagelaten, is niet gebleken dat de autoriteiten eiser geen bescherming kunnen of willen bieden. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden om in bezit te worden gesteld van een afgeleide asielstatus. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ambtshalve is beoordeeld of aan eiser uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 Vw. Nu er geen behandeling is opgestart, bestaat er geen aanleiding om uitstel van vertrek te verlenen.

4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw aan hem heeft tegengeworpen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Gelet hierop behoeft de vraag of verweerder het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw terecht aan eiser heeft tegengeworpen, geen beantwoording.

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de bescherming van de (hogere) autoriteiten had kunnen inroepen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit op voorhand zinloos is.

5.1 De rechtbank stelt voorop dat, zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk, dan wel bij voorbaat zinloos, moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

5.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft verwezen naar het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 23 mei 2012 met betrekking tot Azerbeidzjan (hierna: het ambtsbericht). Volgens verweerder blijkt uit dit ambtsbericht dat het mogelijk is bescherming in te roepen bij hogere instanties binnen het politieapparaat, de Ombudsman en het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Hierin wordt verweerder gevolgd. Uit dit ambtsbericht blijkt evenwel ook dat uitspraken van het EHRM niet consequent worden opgevolgd door de Azerbeidjaanse overheid. Het optreden van de Ombudsman wordt door velen getypeerd als ineffectief, weinig daadkrachtig en niet-onafhankelijk. Met betrekking tot politiek gevoelige onderwerpen verklaart de Ombudsman zich vaak niet-ontvankelijk.

Verder blijkt uit het ambtsbericht dat het doen van aangifte bij de politie in de praktijk geen garantie biedt dat de politie ook daadwerkelijk (voortvarend) tot handelen overgaat. De bereidheid tot het betalen van steekpenningen speelt een belangrijke rol bij de afhandeling van een aangifte of klacht.

5.3 Gelet op deze informatie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat eiser zich tot de (hogere) autoriteiten had kunnen wenden om bescherming te vragen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit op voorhand zinloos is. Reeds om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

5.4 De rechtbank merkt verder op dat, zoals uit het ambtsbericht blijkt, personen op basis van triviale of valse beschuldigingen naar het politiebureau worden meegenomen voor verhoor en onderzoek. Ook komt het voor dat mensen, na in voorarrest te zijn gesteld, volledig uit het zicht verdwijnen voor familie en advocaten. In voetnoot 296 bij deze passage in het ambtsbericht is opgemerkt dat het hierbij bijvoorbeeld gaat om politieke activisten. Verder blijkt dat mishandeling en marteling van verdachten vooral plaatsvindt in voorarrest op politiebureaus en dat dit met name in de eerste uren of dagen na de arrestatie wordt toegepast. Daarnaast noemt het ambtsbericht nog dat oppositiepartijen te maken kunnen krijgen met represailles en intimidatie, arrestatie, detentie of strafrechtelijke vervolging. Meer uitgesproken partijen als Musavat lopen een groter risico dan minder uitgesproken oppositiepartijen. Verweerder dient ook deze informatie te betrekken bij de nieuw te maken beoordeling van de aanvraag.

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat het feit dat aan zijn echtgenote een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend betekent dat ook aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden verleend. De echtgenote van eiser is bedreigd en mishandeld door de Azerbeidjaanse politie vanwege de problemen van eiser. Aan haar is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, zodat dus is aangenomen dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Aan haar is niet tegengeworpen dat zij zich kan wenden tot de hogere autoriteiten in Azerbeidzjan om bescherming.

6.1 In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag van de echtgenote van eiser is beoordeeld op haar individuele merites. De omstandigheid dat de echtgenote van eiser een verblijfsvergunning is verleend, leidt niet tot de conclusie dat eiser eveneens een verblijfsvergunning moet worden verleend.

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het feit dat aan de echtgenote van eiseres niet is tegengeworpen dat zij geen bescherming heeft ingeroepen bij de (hogere) autoriteiten aangemerkt moet worden als een ambtelijke misslag en dat dit niet leidt tot de conclusie dat aan eiser het niet inroepen van bescherming niet kan worden tegengeworpen. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde dit standpunt herhaald.

6.2 De rechtbank oordeelt dat verweerder dit standpunt eerst laat in de procedure heeft ingenomen. Daarnaast heeft verweerder deze stelling niet nader onderbouwd. Uit het besluit ten aanzien van de echtgenote van eiser, waarbij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, blijkt niet op basis van welke overwegingen dit is genomen. Evenmin is andere informatie verstrekt met betrekking tot de motivering van het besluit. De rechtbank kan derhalve niet beoordelen of inderdaad sprake is geweest van een ambtelijke misslag en daarom moet worden geoordeeld dat verweerder dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking.

8. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.