Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4972

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/28367 & 12/28032
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

op 18 december 2008 in de zaak Sopropé (zaak C-349/07) volgt dat de ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt, dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist, voor zover hier van belang, dat de (potentiële) adressant van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze procedurele verplichting rust op de autoriteiten van de lidstaten wanneer zij voornemens zijn dergelijke bezwarende besluiten te nemen, voor zover die besluiten binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen. Nog daargelaten of het hier aan de orde zijnde verlengingsbesluit, mede gelet op hetgeen door verweerder is aangevoerd, valt onder het toepassingsbereik van het verdedigingsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat, ook al zou dat beginsel van toepassing zijn, eiser door schending van dit beginsel niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld dat hij bijvoorbeeld naar voren had kunnen brengen dat hij geen criminele antecedenten heeft en niet ongewenst is verklaard. Deze omstandigheden zijn verweerder echter ambtshalve bekend en hadden daarom niet tot een ander resultaat geleid. Voor zover eiser heeft verwezen naar artikel 2:1 Awb en de voornemenprocedure van 4:8 Awb, treffen deze verwijzingen geen doel, gelet op het bepaalde in artikel 1:6, onder b, Awb, waarin is bepaald dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 niet van toepassing zijn op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 28367 (bewaring)

AWB 12 / 28032 (verlengingsbesluit)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 september 2012 in de zaak tussen

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum(UZC)[locatie],

eiser,

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: drs. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Op 10 februari 2012 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft op 7 augustus 2012 een verlengingsbesluit genomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit.

Eiser heeft op 5 september 2012 beroep ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de maatregel van bewaring en verzocht schadevergoeding toe te kennen.

Verweerder heeft voortgangsgegevens over de uitzetting van eiser ingediend.

De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 24 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beroep verlengingsbesluit

1. Ingevolge artikel 59, vijfde lid, Vw duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onverminderd het vierde lid, niet langer dan zes maanden. In het zesde lid van dit artikel staat dat in afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

2. Ingevolge artikel 94, vijfde lid, Vw zijn het eerste, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, Vw. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

3. Gelet op het vorenstaande dient de rechtbank te beoordelen, voor zover daarover geklaagd is, of verweerderde zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voldaan is aan de in artikel 59, zesde lid Vw gestelde voorwaarden en of de bewaring, gelet op het bepaalde in artikel 94, vierde lid, Vw, nog steeds gerechtvaardigd is te achten.

4. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft een eerder beroep tegen de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afgewezen bij uitspraak van 21 mei 2012 (AWB 12/14002).

5. Verweerder heeft in het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn van

7 augustus 2012 overwogen dat aanleiding wordt gezien om de termijn van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden te verlengen, ingaande op 8 september 2012. Daarbij is de volgende motivering gegeven. Eiser werkt niet mee. Op 15 februari, 17 februari, 21 maart, 13 april, 12 juni en 10 juli 2012 is eiser verzocht verweerder informatie te verstrekken en bescheiden over te leggen die het onderzoek naar eisers nationaliteit en identiteit kunnen bespoedigen. Door eiser is geen/onvoldoende informatie verstrekt noch heeft eiser bescheiden overgelegd om het onderzoek bij de diplomatieke vertegenwoordiging te kunnen bespoedigen. Er wordt door verweerder geconcludeerd dat door eiser geen dan wel onvoldoende medewerking is verleend aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit dan wel aan zijn vertrek. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder in eisers geval in redelijkheid geen gebruik zou mogen maken van zijn bevoegdheid om de maatregel als bedoeld in artikel 59 Vw te verlengen.

6. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt het volgende. Op 31 augustus 2012 is eiser in persoon gepresenteerd bij een zogeheten taskforce-delegatie uit Nigeria. Voornoemde delegatie heeft de Nigeriaanse nationaliteit van eiser bevestigd. Op 5 september 2012 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin eiser wederom heeft aangegeven dat hij uit Liberia komt. Op 10 september 2012 is een volgende vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin eiser heeft volhard in zijn verklaring dat hij uit Liberia afkomstig is. Op diezelfde datum is een vlucht voor eiser naar Nigeria aangevraagd met begeleiding van escorts. Op 13 september 2012 is bekend geworden dat voor eiser een vlucht naar Lagos is geboekt voor 29 september 2012.

7. Eiser voert - samengevat aan - het volgende aan. Het verlengingsbesluit is onzorgvuldig tot stand gekomen. Het verlengingsbesluit is een bezwarend besluit welke zijn grondslag vindt in het communautaire recht. Onder die omstandigheden gaat het verdedigingsbeginsel spelen zoals geformuleerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) op 18 december 2008 in de zaak Sopropé (zaak C-349/07). Het gaat daarbij met name om rechtsoverweging 36 t/m 38 van dit arrest. Uit deze overwegingen komt naar voren dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel vormt van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaald persoon vast te stellen. Èiser is geen moment op de hoogte gesteld van het voorgenomen verlengingsbesluit. Ook is eiser niet de gelegenheid geboden om zijn standpunt aangaande dit besluit naar behoren kenbaar te maken. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de procedure als bedoeld in paragraaf A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat eiser op enig moment is geïnformeerd omtrent het voorgenomen besluit noch is eiser naar zijn standpunt gevraagd. De rechten van eiser zoals geformuleerd door het Hof zijn niet gerespecteerd en hiermee is eiser in zijn belangen geschaad. Ook is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid nu ook de gemachtigde van eiser niet in de gelegenheid is geweest om voorafgaand aan het besluit standpunten naar voren te brengen. Daarbij wordt een beroep gedaan op artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts is het besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Uit artikel 15, zesde lid richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2009 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (verder: de Terugkeerrichtlijn) volgt dat slechts in beperkte mate gebruik gemaakt mag worden van de mogelijkheid tot verlengen van de bewaring. Er moet daarom een belangenafweging gemaakt worden. In het besluit is een dergelijke afweging niet terug te vinden. Dit is onzorgvuldig. Dat eiser onvoldoende informatie heeft verschaft om het identiteitsonderzoek te bespoedigen is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Voorts duurt de aan eiser opgelegde maatregel inmiddels zeven maanden voort. Na zes maanden gaat het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld zwaarder wegen dan het belang van verweerder in het kader van vreemdelingentoezicht. Daarbij is van belang dat er geen sprake is van actieve frustratie van het identiteitsonderzoek. Eiser heeft medewerking verleend aan zijn presentatie. De belangenafweging geeft hiervan onvoldoende blijk. Op grond van het voorgaande is het verlengingsbesluit onrechtmatig en dit geldt ook voor de voortzetting van de maatregel.

8. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat het door eiser aangehaalde arrest van het Hof van 18 december 2008 in de zaak Sopropé betrekking heeft op belastingwetgeving en niet, zoals in het onderhavige geval, op vrijheidsbeneming. De Terugkeerrichtlijn noch de Vw verplicht dat een vreemdeling op de hoogte wordt gesteld van een voorgenomen verlengingsbesluit en in de gelegenheid moet worden gesteld een zienswijze in te dienen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de zienswijze als bedoeld in artikel 4:9 Awb aangezien ingevolge artikel 1:6, onder b, Awb dit artikel niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vw. De wetgever heeft niet gekozen voor een zienswijzeprocedure ten aanzien van een verlengingsbesluit. Dat de mogelijkheid daartoe aanwezig is, betekent niet dat de huidige procedure onjuist is. Daarbij komt dat indien eiser in de gelegenheid was gesteld een zienswijze op het voorgenomen verlengingsbesluit in te dienen dit niet tot een andere uitkomst van het verlengingsbesluit zou hebben geleid. In het kader van de belangenafweging met betrekking tot het verlengingsbesluit is doorslaggevend dat eiser het identiteitsonderzoek heeft gefrustreerd door vol te houden dat hij uit Liberia afkomstig is terwijl inmiddels is vastgesteld dat hij Nigeriaan is en overigens niet gebleken is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan niet tot verlenging kon worden besloten.

9. Uit het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van 18 december 2008 volgt dat de ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt, dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist, voor zover hier van belang, dat de (potentiële) adressant van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze procedurele verplichting rust op de autoriteiten van de lidstaten wanneer zij voornemens zijn dergelijke bezwarende besluiten te nemen, voor zover die besluiten binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen.

10. Nog daargelaten of het hier aan de orde zijnde verlengingsbesluit, mede gelet op hetgeen door verweerder is aangevoerd, valt onder het toepassingsbereik van het verdedigingsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat, ook al zou dat beginsel van toepassing zijn, eiser door schending van dit beginsel niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is in aanmerking genomen dat eiser desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld dat hij bijvoorbeeld naar voren had kunnen brengen dat hij geen criminele antecedenten heeft en niet ongewenst is verklaard. Deze omstandigheden zijn verweerder echter ambtshalve bekend en hadden daarom niet tot een ander resultaat geleid.

11. Voor zover eiser heeft verwezen naar artikel 2:1 Awb en de voornemenprocedure van 4:8 Awb, treffen deze verwijzingen geen doel, gelet op het bepaalde in artikel 1:6, onder b, Awb, waarin is bepaald dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 niet van toepassing zijn op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vw.

12. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet heeft meegewerkt aan zijn uitzetting. Het ligt op de weg van eiser om al het mogelijke te doen om zijn gestelde identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken blijkt dat hij geen enkele inspanning heeft gepleegd om aan documenten te komen. Daarnaast is eiser blijven volhouden dat hij uit Liberia afkomstig is, terwijl hij, zoals inmiddels is vastgesteld en door eiser ook is bevestigd, de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Gelet op het vorenstaande was verweerder bevoegd een verlengingsbesluit te nemen.

13. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder gehouden is, zoals door eiser terecht gesteld, een belangenafweging te verrichten. Die belangenafweging heeft verweerder ook gemaakt. Verweerder heeft daarbij kunnen volstaan met de overweging dat niet gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot verlenging van de bewaringstermijn gebruik heeft kunnen maken. Eiser heeft ook niet aangegeven dat die feiten en omstandigheden zich ten tijde van het besluit voordeden. De omstandigheid dat eiser niet ongewenst is verklaard en hij geen criminele antecedenten heeft zijn niet als zodanige feiten of omstandigheden aan te merken.

14. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat de verlenging van de bewaring na zes maanden met ten hoogste twaalf maanden bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Vervolgberoep:

15. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 96, derde lid, Vw het beroep gegrond.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Daarbij verwijst de rechtbank naar voormelde omstandigheden op grond waarvan verweerder de maatregel van bewaring na zes maanden mocht verlengen. Voorts heeft de rechtbank bij dit oordeel betrokken dat eiser op 29 september 2012 onder begeleiding van escorts naar Nigeria zal vertrekken.

Beide procedures:

17. De beroepen zijn ongegrond.

18. De rechtbank zal het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de maatregel van bewaring niet zal bevelen.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Meijden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor wat betreft het beroep tegen het verlengingsbesluit, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak voor wat betreft het beroep tegen de voortduring van de maatregel staat geen rechtsmiddel open.