Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1825

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
426466 / HA RK 12-512 Wrakingnummer 2012/58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van voorzieningenrechter. Verzoeker heeft een achttal wrakingsgronden aangevoerd. Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechter ten onrechte de bewijslast bij verzoeker heeft neergelegd. Deze grief betreft geen omstandigheid die eerst na het eerdere verzoek tot wraking d.d. 4 juni 2012 bekend is geworden, zodat de wrakingskamer het wrakingsverzoek in zoverre niet in behandeling neemt. Verzoeker heeft verder - kort gezegd - aangevoerd dat de rechter heeft geweigerd hem het woord te laten voeren, heeft geweigerd hem een eis in reconventie in te laten dienen, en geen nadere (bewijs)stukken heeft willen aanvaarden. Naar het oordeel van de wrakingskamer zien deze grieven op processuele beslissingen of mededelingen die de procesorde raken. In het algemeen leveren dergelijke beslissingen en mededelingen geen grond voor wraking op. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de rechter hem heeft beledigd, dat de rechter overleg heeft gehad met de wederpartij en claims van de wederpartij heeft geaccepteerd teneinde tot een door die partij gewenste uitspraak te komen. Ook heeft verzoeker gesteld dat de rechter corrupt is. De wrakingskamer is van oordeel dat deze wrakingsgronden een feitelijke onderbouwing ontberen, geen steun vinden in het proces-verbaal van zitting, en dat ook anderszins niet is gebleken dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd op feiten is gegrond. Verzoek afgewezen. Een volgens verzoek om wraking in de onderhaive zaak wordt niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/58

rekestnummer: 426466 / HA RK 12-512

zaaksnr: 418918 / KG ZA 12-480

datum beschikking: 28 september 2012

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. R.J. Paris,

voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.J.J.A. Ooms.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

Verzoeker is op 14 mei 2012 gedagvaard in kort geding te verschijnen terzake de nakoming van een uit een eerdere civiele procedure voortvloeiende afspraak.

Bij de behandeling van het kort geding ter zitting van 4 juni 2012 heeft verzoeker de rechter gewraakt. Op 9 juli 2012 heeft de wrakingskamer het verzoek deels niet-ontvankelijk verklaard, deels afgewezen en de voortzetting van het kort geding bevolen.

Op 24 augustus 2012 is de behandeling van het kort geding voortgezet. Bij verzoekschrift van 29 augustus 2012 heeft verzoeker de rechter (opnieuw) gewraakt.

Bij brief van 3 september 2012 heeft de rechter kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten en de wrakingskamer in kennis gesteld van zijn standpunt ter zake.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 17 september 2012 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Verzoekster noch de rechter is - de laatste zoals vooraf bericht - ter zitting verschenen. De belanghebbende is evenmin verschenen.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft een achttal wrakingsgronden aangevoerd. Daarop zal hieronder, bij de beoordeling van het verzoek, nader worden ingegaan.

4. Het standpunt van de rechter

De rechter heeft de stellingen van verzoeker gemotiveerd weersproken.

5. De beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechter ten onrechte de bewijslast bij verzoeker heeft neergelegd.

Deze grief betreft geen omstandigheid die eerst na het eerdere verzoek tot wraking d.d. 4 juni 2012 bekend is geworden, zodat de wrakingskamer het wrakingsverzoek in zoverre niet in behandeling neemt.

Verzoeker heeft verder - kort gezegd - aangevoerd dat de rechter heeft geweigerd hem het woord te laten voeren, heeft geweigerd hem een eis in reconventie in te laten dienen, en geen nadere (bewijs)stukken heeft willen aanvaarden.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zien deze grieven op processuele beslissingen of mededelingen die de procesorde raken. In het algemeen leveren dergelijke beslissingen en mededelingen geen grond voor wraking op. Het is immers de taak van de rechter om de procesorde te bewaken en erop toe te zien dat het civiele procesrecht op juiste wijze wordt toegepast. Dit kan anders zijn wanneer er sprake is van omstandigheden die grond geven te vrezen voor onpartijdigheid of die de schijn van vooringenomen wekken. Dergelijke omstandigheden zijn door verzoeker evenwel niet gesteld noch aannemelijk geworden.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de rechter hem heeft beledigd, dat de rechter overleg heeft gehad met de wederpartij en claims van de wederpartij heeft geaccepteerd teneinde tot een door die partij gewenste uitspraak te komen. Ook heeft verzoeker gesteld dat de rechter corrupt is.

De wrakingskamer is van oordeel dat deze wrakingsgronden een feitelijke onderbouwing ontberen, geen steun vinden in het proces-verbaal van zitting, en dat ook anderszins niet is gebleken dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd op feiten is gegrond. De internetbronnen en krantenartikelen waarnaar verzoeker verwijst kunnen in ieder geval niet als zodanig gelden.

Gelet op het vorenstaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

De wrakingskamer stelt vast dat het onderhavige wrakingsverzoek het tweede schriftelijke verzoek is tot wraking van de rechter. Aan het eerste verzoek - dat bij beslissing van de wrakingskamer van 9 juli 2012 deels ongegrond is verklaard, deels niet-ontvankelijk - lagen grotendeels gelijkluidende wrakingsgronden ten grondslag.

Gelet op het repetitieve karakter van de wrakingsverzoeken en gelet op de aard en het gehalte van de wrakingsgronden - de gronden richten zich op onwelgevallige processuele beslissingen en zijn niet van een deugdelijke onderbouwing voorzien - is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker misbruik maakt van het middel van wraking. Om die reden wordt, op grond van artikle 39, vierde lid, Rv, een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling genomen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

- verzoeker;

- belanghebbende via haar advocaat, mr. Ooms;

- de rechter, mr. R.J. Paris.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.A.G.M. van Rens, mr. J.G.J. Brink en mr. T.F. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.