Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0326

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
1192953 / 12-20991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

ABVAKABO FVN cs - PostNL. In geschil is de uitleg omtrent de bepalingen van het zogeheten voorwaardelijk pensioen. De voorvraag is of een dergelijke uitlegvraag zo spoedeisend is dat een ordemaatregel nodig is en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De vordering van de Vakorganisaties wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0926
PJ 2013/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

F/BCV

Rolnr.: 1192953 / 12-20991

17 oktober 2012

Vonnis ex artikel 254 Rv in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ABVAKABO FVN,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CNV PUBLIEKE ZAAK,

gevestigd te 's-Gravenhage,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid BOND VAN PERSONEEL PTT-NEDERLAND (BVPP),

gevestigd te Tilburg,

eisers,

gemachtigde: mr. G.J. Knotter,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KONINKLIJKE POSTNL B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid POSTNL HOLDING B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

gemachtigde: mr. J.M. van Slooten.

Partijen worden aangeduid als "de Vakorganisaties" en "PostNL".

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 27 augustus 2012;

- de conclusie van antwoord d.d. 3 oktober 2012.

Op 3 oktober 2012 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben pleitnotities overgelegd.

2. Feiten

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en blijkt uit de overgelegde stukken, een en ander voor zover niet of onvoldoende weersproken, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan:

2.1 Partijen zijn onderhandelingspartners bij de totstandkoming van collectieve regelingen, waaronder CAO's, de pensioenregeling en aanverwante overgangsregelingen, ten behoeve van werknemers in dienst van PostNL en de daaraan gelieerde ondernemingen.

2.2 In verband met de inwerkingtreding van de Wet VPL per 1 januari 2006, als gevolg waarvan VUT-regelingen en de fiscaal gefaciliteerde opbouw van vroegpensioen voor werknemers van 50 jaar en jonger zijn afgeschaft, hebben partijen met het oog daarop op 20 december 2005 het Akkoord CAO voor TNT (hierna: Akkoord) gesloten.

2.3 Eén van de nieuwe overgangsregelingen in het Akkoord is de zogenaamde voorwaardelijke (of 'zachte') pensioenregeling. Deze voorwaardelijke pensioenregeling is gecreëerd voor bepaalde werknemers die uitzicht hadden op gebruikmaking van de tot 1 januari 2006 van kracht zijnde VUT-PBB regeling of pensioenaanvulling. De pensioenregeling, waaronder de voorwaardelijke pensioenregeling (opgenomen in het Pensioenreglement 2006) wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds PostNL (hierna: het Fonds).

2.4 In 2011 heeft PostNL geconstateerd dat het Fonds de voorwaardelijke pensioenregeling haars inziens onjuist uitvoerde. Volgens PostNL werd het vaststelde voorwaardelijk pensioen ten onrechte niet aangepast indien een werknemer na 2006 in deeltijd ging werken. Op 8 november 2011 heeft PostNL dit aan haar managers medegedeeld met de mededeling dat het Fonds per 1 november 2011 de voorwaardelijke pensioenregeling juist zal gaan uitvoeren en dat een wijziging in het aantal contracturen nadien effect zal hebben op de omvang van de aanspraken onder de voorwaardelijke pensioenregeling.

Bij brief van 2 februari 2012 heeft AbvaKabo FNV aangegeven begrip te hebben voor het standpunt van PostNL. Bij brief van 2 april 2012 hebben de Vakorganisaties het standpunt van PostNL evenwel betwist en verzocht om uitvoering van de regeling conform de afspraken in 2005.

3. Vordering

3.1 De Vakorganisaties vorderen dat de kantonrechter PostNL zal veroordelen om haar besluit om de aanspraken op voorwaardelijk pensioen, voor zover ingaand na 1 november 2011, aan te passen aan de arbeidsomvang en het bijbehorende salaris, op te schorten totdat zij daarover met de Vakorganisaties een akkoord heeft bereikt dan wel totdat daarover in een bodemprocedure zal zijn beslist, en om daarvan binnen drie werkdagen na het daartoe te wijzen vonnis mededeling te doen binnen haar gehele organisatie, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, met veroordeling van PostNL in de kosten van de procedure.

3.2 Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat het uitgangspunt van de tussen partijen getroffen overgangsregeling was dat de berekening en vaststelling van de aanspraak op voorwaardelijk pensioen eenmalig, naar de situatie op 31 december 2005, werd gedaan.

Met het besluit, dat degenen die aanspraak hebben op voorwaardelijk pensioen en voor de ingangsdatum daarvan in deeltijd zijn gaan werken niet de volledige aanspraak hebben doch slechts naar rato van hun arbeidsomvang, heeft PostNL een niet met de Vakorganisaties overeengekomen eigen invulling gegeven aan deze overgangsregeling, aldus de Vakorganisaties.

3.3 De Vakorganisaties stellen een spoedeisend belang te hebben bij de onderhavige vordering omdat het besluit van PostNL tot veel beroering heeft geleid bij de achterban en dat er diverse medewerkers zijn die na 1 januari 2006 in deeltijd zijn gaan werken en binnen afzienbare tijd met (voorwaardelijk) pensioen willen gaan.

4. Verweer

4.1 PostNL stelt dat het doel van de voorwaardelijke pensioenregeling is het zoveel mogelijk respecteren van de perspectieven die een werknemer had onder de oude overgangsregelingen. Onder de oude overgangsregeling gold dat de uitkering werd vastgesteld op basis van het laatstverdiende salaris; een verlaging van het aantal contracturen leidde dus tot een navenante verlaging van de uitkering. Gezien het doel van de voorwaardelijke pensioenregeling is het logisch dat zulks dan ook daarvoor geldt, aldus PostNL.

4.2 PostNL betwist dat de Vakorganisaties een spoedeisend belang hebben bij de onderhavige vordering, omdat inmiddels bijna een jaar is verstreken sinds het moment waarop zij bekend zijn met de visie van PostNL.

5. Beoordeling

5.1 Tussen partijen is in geschil de uitleg van de bepalingen omtrent het zogenaamde voorwaardelijk pensioen. De voorvraag is of een dergelijke uitlegvraag zo spoedeisend is dat een ordemaatregel nodig is en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. PostNL heeft ter zitting gesteld dat zij in een bijeenkomst op 8 september 2011 met de Vakorganisaties heeft besproken dat het voorwaardelijk pensioen zou worden aangepast bij deeltijdwerken. Er zijn daarbij sheets gebruikt, die aan de Vakorganisaties zijn toegezonden, waarbij zij twee weken de tijd kregen om op het besprokene terug te komen met vragen of opmerkingen. Vervolgens is in die periode geen enkele reactie van de zijde van de Vakorganisaties gekomen naar aanleiding van dit punt, aldus PostNL. De Vakorganisaties erkennen deze sheets te hebben ontvangen. Zij voeren evenwel aan dat zij zich pas in maart/april 2012 hebben gerealiseerd wat voor effect deze aanpassing voor hun achterban heeft, waarna overleg en correspondentie met PostNL heeft plaatsgevonden.

5.2 Desgevraagd hebben de Vakorganisaties ter zitting aangegeven dat enkele honderden werknemers getroffen worden door de gevolgen van de interpretatie van het voorwaardelijk pensioen door PostNL en dat het met name werknemers betreft die in deeltijd zijn gaan werken door de reorganisatie bij PostNL. PostNL heeft op dit punt evenwel onweersproken aangevoerd dat voor de 55-plussers van deze laatste groep werknemers een sociaal plan geldt, met een aparte regeling ten aanzien van het pensioen. Het sociaal plan staat los van het voorwaardelijk pensioen, aldus PostNL.

5.3 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan -gelet op het voorgaande- niet worden staande gehouden dat de Vakorganisaties een spoedeisend belang hebben bij hun vordering in kort geding. Dat zij zelf kennelijk lange tijd nodig hebben gehad om zich de gevolgen van de aanpassing van het voorwaardelijk pensioen voor deeltijdwerkers te realiseren ligt in de risicosfeer van de Vakorganisaties en maakt hun vordering niet spoedeisend. Ook is door de Vakorganisaties niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt voor hoeveel werknemers die op korte termijn met pensioen gaan -los van de werknemers waarvoor het sociaal plan bij de reorganisatie geldt- de gevolgen van de door PostNL voorgestane interpretatie van het voorwaardelijk pensioen zou gelden. Verder is van enige "beroering" (wat daaronder ook zou moeten worden verstaan) bij de werknemers op geen enkele wijze gebleken. Het argument van de Vakorganisaties dat zij met de uitspraak in kort geding een nader overleg met PostNL wensen te realiseren is onvoldoende als onderbouwing voor de spoedeisendheid. Niet valt in te zien waarom de uitspraak in een bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Tenslotte ziet de vordering op een ordemaatregel totdat in de bodemprocedure over de zaak zal zijn beslist, maar ter zitting bleek dat het moment waarop de dagvaarding in de bodemzaak zou moeten worden uitgebracht, nog niet duidelijk was. Deze weinig voortvarende proceshouding van de Vakorganisaties duidt evenmin op een spoedeisend karakter van de onderhavige zaak.

5.4 De slotsom is dan ook dat de vordering strandt bij gebrek aan spoedeisendheid en derhalve zal worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen de Vakorganisaties worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening:

1. wijst het gevorderde af;

2. veroordeelt de Vakorganisaties in de kosten van deze procedure, tot hiertoe aan de zijde van PostNL vastgesteld op € 400,-.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.C. Vink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2012.