Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0315

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 3880
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000; gegrondverklaring; veilige behandelomgeving

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 3880

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2012 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres

(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 februari 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Lubbe.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (met procedurenummer AWB 12 / 3881) is op 12 juni 2012 eveneens ter zitting behandeld.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op 1 augustus 1977 en van Congolese nationaliteit, is uitgeprocedeerd asielzoeker. Op 29 april 2011 heeft de gemachtigde van eiseres een aanvraag ingediend om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000. In verband met deze aanvraag heeft verweerder op 9 mei 2011 aan het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd om advies uit te brengen. Bij rapport van [datum 1] heeft het BMA het gevraagde advies uitgebracht. BMA concludeert dat het stopzetten van de behandeling (vermoedelijk) geen medische noodsituatie op korte termijn zal veroorzaken. Eiseres wordt bovendien tot reizen in staat geacht.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van het BMA-advies geweigerd toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000. In bezwaar heeft verweerder, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenlocatie Dordrecht, van 4 november 2011, zijn besluit gehandhaafd.

3. Eiseres is het met het bestreden besluit oneens. Zij heeft kort samengevat aangevoerd dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, omdat zij niet is gehoord en BMA niet is gevraagd te reageren op nadere informatie van haar behandelend artsen van [datum 2]. Volgens eiseres is in het BMA-advies ten onrechte niet ingegaan op de individuele omstandigheden van eiseres, het ontbreken van een veilige behandelomgeving en de effectiviteit van een eventueel in Congo te verkrijgen behandeling. Eiseres is het voorts oneens met de conclusie dat het stopzetten van haar behandeling niet tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden.

4. In artikel 64 van de Vw 2000 is bepaald dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

5. In onderdeel A4/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is opgenomen dat de uitzetting op grond van artikel 64 Vw 2000 achterwege blijft indien de medisch adviseur aangeeft dat:

het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen; of

de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar betrokkene naar kan vertrekken.

6. Blijkens (het thans vervallen) onderdeel B8/3.1 van de Vc 2000 wordt onder een medische noodsituatie verstaan: een situatie waarbij een betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn binnen drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

7. Kern van het geschil is de vraag of het staken van de behandeling van eiseres in verband met suïcidegevaar een medische noodsituatie op korte termijn zal opleveren.

8. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 20 december 2011, LJN: BU7598, en 2 april 2012, LJN: BW1430) volgt dat het BMA, indien de medische gegevens daartoe aanleiding geven, dient te beoordelen of een behandeling in het land van herkomst effectief kan zijn voor de vreemdeling. In dit geval blijkt uit informatie van de behandelaars van eiseres, te weten [naam 2] (sociaal psychiatrisch verpleegkundige), [naam 3] en [naam 4] (psychiaters), van [datum 3], [datum 2] en [datum 4], dat eiseres lijdt aan ptss-klachten en suïcidegedachten heeft. Indien eiseres naar haar land van herkomst (de DRC) wordt uitgezet, zullen die klachten toenemen en in de DRC zal van een veilige en vertrouwde behandelomgeving geen sprake zijn. De rechtbank constateert verder dat ook het BMA kennelijk niet zeker is over de gevolgen van het staken van de behandeling van eiseres. Op de vraag of dit zal leiden tot een medische noodsituatie wordt geen duidelijk antwoord gegeven. In het advies staat immers dat de BMA-arts niet “niet zonder meer” de stelling van de behandelend psychiaters op dit punt volgt en dat niet met zekerheid is te voorspellen hoe eiseres zal reageren bij het stopzetten van de behandeling. De vraag of de DRC als veilige behandelomgeving kan worden beschouwd en wat een terugkeer naar dit land voor de medische toestand van eiseres betekent, wordt in het advies niet of nauwelijks beantwoord. Nu de behandelaars in de onderhavige zaak hun oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving hebben toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van eiseres en de daarop betrekking hebbende specifieke omstandigheden, maar het BMA dit niet kenbaar bij de advisering heeft betrokken, is het BMA-advies onvoldoende inzichtelijk en heeft verweerder het besluit ten onrechte daarop gebaseerd. Een en ander had kunnen worden voorkomen als eiseres voorafgaand aan het bestreden besluit was gehoord en/of indien BMA zou zijn gevraagd op de brief van de behandelaars van eiseres van [datum 2] te reageren. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.

9. Reeds gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Nu de rechtbank het gebrek niet eenvoudig of binnen een relatief kort tijdsbestek te herstellen acht, zal zij afzien van het toepassen van de bestuurlijke lus.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Het griffierecht dient aan eiseres te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 volledig vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2012.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier

w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.