Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0245

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/979
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:10, derde lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan de beslistermijn voor ten hoogste zes weken kan verdagen. Voorts is in artikel 7:13, vierde lid, van de Awb neergelegd dat de Adviescommissie over de in dit artikellid met name genoemde artikelen beslist. Artikel 7:10, derde lid, van de Awb wordt hierbij niet genoemd.

De rechtbank leidt uit dit samenstel van bepalingen af dat een verdagingsbeslissing, ook in het geval een Adviescommissie is ingesteld, genomen dient te worden door het bestuursorgaan. Nu de verdagingsbeslissing is genomen door de Adviescommissie en niet door verweerder, zijnde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, is deze beslissing onbevoegd genomen en niet rechtsgeldig.

Uit artikel 7:15, derde lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan bij beslissing op bezwaar beslist op het verzoek om proceskosten en niet, zoals verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan, bij primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. O.W. Wagenaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R. Vingerling).

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 1999 heeft verweerder de subsidie voor het treffen van

niet-ingrijpende voorzieningen definitief vastgesteld op € 15.919,- en onder meer bepaald dat het restant van de subsidie (75%) wordt uitbetaald eind juni 2011.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder meegedeeld dat het restant van de subsidie (75%) (vooralsnog) niet zal worden uitgekeerd vanwege geconstateerde gebreken waarbij eiser de mogelijkheid is geboden om het benodigde onderhoud alsnog uit te voeren en binnen zes weken na dagtekening van het besluit een gereedmelding in te dienen.

Hiertegen heeft eiser bij ongedateerde brief, ingekomen bij verweerder op 20 mei 2011, bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 augustus 2011 heeft hij zijn bezwaarschrift aangevuld met gronden en tevens verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Bij besluit 5 september 2011 heeft verweerder meegedeeld dat bij onderzoek ter plaatse is gebleken dat het pand in voldoende mate is onderhouden en dat er van uit wordt gegaan dat enkele schilderwerkzaamheden bij de volgende schilderbeurt zullen worden meegenomen om welke reden het restant van de subsidie (75%) zal worden uitgekeerd eind juni 2011.

Bij brief van 8 september 2011 heeft eiser – onder meer– meegedeeld dat verweerder met zijn besluit van 5 september 2011 tegemoet is gekomen aan eisers bezwaren en dat zijn bezwaren geen behandeling meer behoeven. Tevens heeft eiser er op gewezen dat hij reeds heeft verzocht om vergoeding van proceskosten.

Bij brief van 18 oktober 2011 heeft eiser verweerder ingebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Bij brief van 22 december 2011 heeft eiser verzocht om uitkering van de maximale dwangsom.

Bij besluit van 10 januari 2012 heeft verweerder meegedeeld dat hij geen dwangsom is verschuldigd.

Bij brief van 31 januari 2012 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure.

Bij afzonderlijke brief van 31 januari 2012 heeft eiser tegen het besluit van 10 januari 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 mei 2012 heeft de rechtbank partijen bericht dat voornoemd bezwaarschrift als beroep zal worden meegenomen in de onderhavige procedure.

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft verweerder eisers verzoek om toekenning van de proceskosten in de bezwaarfase afgewezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2012.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser is in beroep gekomen tegen 1) het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure en 2) het besluit van

10 januari 2012 waarbij verweerder heeft meegedeeld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd. Op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen 3) het besluit van 9 maart 2012, waarbij verweerder eisers verzoek om toekenning van de proceskosten in de bezwaarfase heeft afgewezen.

2 Ten aanzien van het beroep tegen 1) het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure alsmede tegen 2)

het besluit van 10 januari 2012 waarbij verweerder heeft meegedeeld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd, overweegt de rechtbank als volgt.

2.1 De rechtbank is met partijen van oordeel dat het besluit van 4 mei 2011, waarin verweerder heeft meegedeeld dat het restant van de subsidie (75%) (vooralsnog) niet zal worden uitgekeerd vanwege geconstateerde gebreken, dient te worden aangemerkt als een beslissing op eisers oorspronkelijke subsidieaanvraag, aangezien het de uitbetaling betreft van de op aanvraag vastgestelde subsidie niet-ingrijpende voorzieningen.

De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is derhalve op de onderhavige situatie van toepassing.

2.2 Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 mei 2011.

De beslistermijn is bij brief van 4 juli 2011 verdaagd.

Eiser heeft ter zitting de stelling opgeworpen dat de beslistermijn onbevoegd is verdaagd, nu deze beslissing niet is genomen door verweerder maar door de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: Adviescommissie).

2.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder ten behoeve van de beslissing op eisers bezwaar tegen voornoemd besluit van 4 mei 2011 een Adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld.

De rechtbank stelt ook vast dat blijkens de brief van de Adviescommissie van

4 juli 2011 de (voorzitter van voormelde) Adviescommissie heeft besloten de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb opgenomen beslistermijn van twaalf weken met zes weken te verdagen.

2.4 De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:10, derde lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan de beslistermijn voor ten hoogste zes weken kan verdagen. Voorts is in artikel 7:13, vierde lid, van de Awb neergelegd dat de Adviescommissie over de in dit artikellid met name genoemde artikelen beslist. Artikel 7:10, derde lid, van de Awb wordt hierbij niet genoemd.

De rechtbank leidt uit dit samenstel van bepalingen af dat een verdagingsbeslissing, ook in het geval een Adviescommissie is ingesteld, genomen dient te worden door het bestuursorgaan. Nu de verdagingsbeslissing is genomen door de Adviescommissie en niet door verweerder, zijnde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, is deze beslissing onbevoegd genomen en niet rechtsgeldig. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, diende te worden beslist op het bezwaarschrift van eiser.

De beslistermijn voor verweerder eindigde in dat geval op 8 september 2011, zodat, anders dan door verweerder is betoogd, de ingebrekestelling van 18 oktober 2011 niet prematuur was. Eiser is ontvankelijk in zijn beroep van 31 januari 2012 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase.

2.5 De rechtbank zal vervolgens beoordelen of dit beroep alsmede het beroep tegen het

besluit van 10 januari 2012, waarbij verweerder heeft meegedeeld dat geen dwangsom is verbeurd, gegrond is.

2.6 De gemachtigde van verweerder heeft betoogd dat in het besluit van 5 september

2011 volledig is tegemoetgekomen aan eisers bezwaren en dat gelet hierop alsmede gelet op de brief van eiser van 8 september 2011, die verweerder heeft opgevat als een intrekking van het bezwaarschrift, verweerder niet meer op het bezwaarschrift van eiser hoefde te beslissen, om welke reden verweerder tevens van mening is dat geen dwangsom is verbeurd.

2.7 Eiser heeft betoogd dat hij naar aanleiding van verweerders besluit van 5 september 2011 weliswaar bij brief van 8 september 2011 aan verweerder heeft bericht dat de bezwaren niet meer hoefden te worden behandeld omdat verweerder is tegemoetgekomen aan zijn bezwaren, maar dat hij zijn verzoek om de kosten te vergoeden van de bezwaarprocedure wel heeft gehandhaafd. Eiser meent dat verweerder een beslissing op dit verzoek diende te nemen in een beslissing op bezwaar.

2.8 De rechtbank stelt vast dat verweerder op 9 maart 2012 een besluit heeft genomen naar aanleiding van eisers proceskostenverzoek. Aangezien verweerder, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.6 reeds is weergegeven, van mening was dat het bezwaarschrift was ingetrokken, heeft verweerder niet beslist op het door eiser ingediende bezwaarschrift, maar een primair besluit genomen met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten.

2.9 Ten aanzien van deze handelswijze van verweerder overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gelet op de bewoordingen van de brief van 8 september 2011 zijn bezwaarschrift, voor zover het zijn inhoudelijke bezwaren betreft, weliswaar ingetrokken, maar zijn bezwaarschrift, voor zover het zijn proceskostenverzoek betreft, gehandhaafd. Uit artikel 7:15, derde lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan bij beslissing op bezwaar beslist op het verzoek om proceskosten en niet, zoals verweerder in het onderhavige geval heeft gedaan, bij primair besluit. De rechtbank merkt het besluit van 9 maart 2012 derhalve aan als een beslissing op bezwaar. Dit besluit is te laat genomen, nu, zoals uit rechtsoverweging 2.4 volgt, dat de beslistermijn voor verweerder eindigde op 8 september 2011, waardoor verweerder de maximale dwangsom van € 1.260,00 heeft verbeurd. Bovendien is dit besluit, nu het aangemerkt dient te worden als een beslissing op bezwaar, onbevoegd genomen, hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure

en tegen het besluit van 10 januari 2012 waarbij verweerder heeft meegedeeld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd, gegrond is. De rechtbank vernietigt het besluit van

10 januari 2012.

2.11 Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de samenhangende zaken is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van beroepschriften en het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend, totaal € 874,- .

3 Ten aanzien van het besluit van 9 maart 2012 waarbij verweerder eisers verzoek om toekenning van de proceskosten in bezwaar heeft afgewezen, overweegt de rechtbank als volgt.

3.1 Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 9 maart 2012 waarbij verweerder eisers verzoek om toekenning van de proceskosten in bezwaar heeft afgewezen. Gezien de onder r.o. 2.9 weergegeven vaststelling dat dit besluit onbevoegd is genomen, verklaart de rechtbank dit beroep gegrond. De rechtbank vernietigt ook dit besluit.

3.2 Aangezien partijen hebben verzocht deze zaak finaal te beslechten, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien.

3.3 In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.4 Eiser heeft ter zitting betoogd dat zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar diende te worden gehonoreerd. Verweerder heeft met zijn besluit van

5 september 2011 zijn primaire beslissing van 4 mei 2011 herroepen vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

3.5 Verweerder heeft ter zitting betoogd dat was gebleken dat er op korte termijn een schilderbeurt zou worden uitgevoerd waarmee de geconstateerde gebreken alsnog zouden worden verholpen, en dat uit coulance is besloten om het resterende subsidiebedrag alsnog uit te keren.

3.6 De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat verweerder zijn in zijn verweerschrift van 25 april 2012 ingenomen standpunt dat het besluit van 5 september 2011 is genomen als gevolg van een verandering van omstandigheden, niet nader heeft onderbouwd.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verweerder ter zitting over de vraag hoe hij aan zijn kennis is gekomen dat er een schilderbeurt aankwam geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen. Evenmin heeft verweerder uitsluitsel kunnen geven over de vraag door wie de aankomende schilderwerkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Gelet op de bezwaargrond in het aanvullende bezwaarschrift van 1 september 2011 dat de geconstateerde gebreken zien op de algemene delen van het gebouw en niet op het appartement van eiser, en dat gebreken aan de algemene delen van het gebouw alleen met instemming van de Vereniging van Eigenaars (VvE) kunnen worden hersteld, is de vraag door wie opdracht tot de schilderwerkzaamheden wordt gegeven en voor welke onderdelen van het gebouw, en wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van die onderdelen (eiser dan wel de VvE dan wel andere eigenaren in het appartementsgebouw) mede bepalend voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag of verweerder is teruggekomen op zijn eerdere besluit vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder naar aanleiding van eisers bezwaren tot zijn gewijzigde inzicht is gekomen, hetgeen betekent dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de door eiser gevraagde kosten voor de behandeling van zijn bezwaar te vergoeden. Deze kosten van € 437,- dient verweerder aan eiser te vergoeden.

3.7 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 437,- per punt, met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure gegrond;

- stelt vast dat verweerder een dwangsom van € 1.260,- aan eiser heeft verbeurd;

- verklaart het beroep tegen het dwangsombesluit van 10 januari 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 januari 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 maart 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 maart 2012;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van

10 januari 2012 en 9 maart 2012;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van zijn bezwaar- en beroepschrift redelijkerwijs heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 2.185,- (1 x € 437,- (bezwaar) en 4 x € 437,- (beroep);

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Zanlier-Erkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 september 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.