Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0211

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/2083
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Gemeente Gouda. Verhoging van het tarief voor een eerste bewonersvergunning ten opzichte van het voorgaande jaar met € 96 naar € 156.

De rechtbank is van oordeel dat het heffen van een parkeerbelasting in het onderhavige geval niet leidt tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling nu met hetgeen eiser heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat sprake is van gelijke gevallen. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dus. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2646
V-N Vandaag 2012/2447
Belastingblad 2012/532
V-N 2012/60.23.3

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2012 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een bedrag van € 156 in rekening gebracht ter zake van het aanvragen van een parkeervergunning voor het jaar 2012.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2012 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 7 maart 2012, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

Overwegingen

Feiten

1. Voor 2012 heeft de gemeente Gouda (hierna: de gemeente) het tarief parkeerbelasting voor een eerste bewonersvergunning vastgesteld op € 156 (Onderdeel II, onder 1, sub 1, van de Tarieventabel behorende bij Verordening Parkeerbelastingen 2012). Hierdoor is het tarief ten opzichte van het voorgaande jaar verhoogd met € 96 (hierna: de tariefsverhoging).

2. Op 15 november 2011 heeft verweerder aan eiser voor het verschuldigde bedrag van € 156 een acceptgiro doen toekomen in verband met de voldoening op aangifte van de parkeerbelasting voor de bewonersvergunning voor 2012 voor het adres [a-straat 1] te Gouda. Het bedrag is door eiser in drie termijnen voldaan. Bij brief van 15 december 2011 is eiser tegen deze voldoening op aangifte in bezwaar gekomen.

Geschil

3. In geschil is of de tariefsverhoging onrechtmatig is. Meer in het bijzonder is in geschil of met het van eiser geheven tarief het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

4. Eiser neemt het standpunt in dat het tarief parkeerbelasting voor een bewonersvergunning in 2012 te veel is gestegen ten opzichte van het jaar 2011, een verhoging waarvoor geen deugdelijke onderbouwing is gegeven waardoor sprake is van willekeurige belastingheffing. Eiser verwijst daartoe naar Paragraaf 6.1.5 en kanttekeningen 1.1 in het voorstel aan de gemeenteraad van 10 mei 2011. Tevens stelt eiser zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu verweerder gelijke gevallen niet op gelijke wijze heeft behandeld als het gaat om de heffing van parkeerbelasting in geval van bewonersvergunningen; de tariefsverhoging leidt tot extra belastingheffing van een groep autobezitters in een door verweerder afgebakend gebied. Zo valt de woonwijk Korte Akkeren ten zuidwesten van het centrum niet onder het parkeerbelastingstelsel terwijl deze wijk ten opzichte van het centrum een gelijke ligging heeft als de woonwijken Kadebuurt (oost) en Gouda Noord. Voorts komt de extra opbrengst uit de tariefsverhoging van bewonersvergunningen ten goede aan alle inwoners van de gemeente, en niet alleen bij de autobezitters waarvan wordt geheven. Bovendien ontstaat hierdoor ongelijkheid ten opzichte van autobezitters in andere gebieden in de gemeente. Verder stelt eiser dat de verhoging van de tarieven leidt tot een verhoogde parkeerdruk in gebieden die buiten het vergunningengebied liggen hetgeen een tegengesteld effect heeft op de doelstelling van verweerder, te weten parkeerregulering voor bewoners.

5. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de geheven parkeerbelasting tot een bedrag van, naar de rechtbank begrijpt, € 60.

6. Verweerder heeft ter zitting, in aanvulling op hetgeen in punt 24 van het verweerschrift staat vermeld, benadrukt dat om het centrum heen liggende straten pas werden aangewezen als parkeerplaatsen voor vergunninghouders, indien de parkeerdruk ter plaatse daartoe aanleiding gaf en/of de meerderheid van de bewoners van de betreffende straat vroeg om parkeerregulering met vergunningen.

7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

9. De Raad van de gemeente Gouda heeft op 22 juni 2011 de verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en verlening van vergunning voor het parkeren 2012 (hierna: Parkeerverordening 2012) vastgesteld. Artikel 3 van de Parkeerverordening 2012 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 3

1. Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen.

2. Een vergunning kan worden verleend aan:

a. de eigenaar of houder van een motorvoertuig of brommobiel wanneer deze woont in een gebied waar voldoende gereguleerde parkeerplaatsen aanwezig zijn, en niet al reeds een maximaal aantal (1 resp. 2 vergunningen) vertrekt is, te noemen bewonersvergunning;”

10. De Raad van de gemeente Gouda heeft op 14 december 2011 de verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012 (hierna: Verordening parkeerbelastingen 2012) vastgesteld. Artikel 2 van de Verordening parkeerbelastingen 2012 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2 Belastingplicht

Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:

(. . .)

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.”

Onderdeel II van de bij de Verordening parkeerbelastingen 2012 behorende Tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Tarief van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, voor een vergunning.

Het tarief voor een vergunning voor het parkeren op bepaalde wegen of gedeelten van wegen, bedraagt:

1. voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a, van de Parkeerverordening 2012 (bewonersvergunning):

- 1e vergunning alle sectoren: per jaar € 156,-- (minimaal 1 kalendermaand à € 13;

(. . .)”

11. In het door eiser overgelegde voorstel aan de gemeenteraad van 10 mei 2011 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“6. Toelichting

Argumenten

(. . .)

1.5 Verhoging van de parkeertarieven is nodig om 1) de verlaging van inkomsten door invoering BTW-afdracht, 2) een deel van de kosten van uitbreidingparkeerterrein Klein Amerika te dekken, 3) de bezuinigingstaakstelling te halen en 4) tegenvallende parkeeropbrengsten op te vangen.

(. . .)

Kanttekeningen

1.1 De verhoging van de opbrengsten met minimaal € 300.000,- ten behoeve van de bezuinigingsopgave is niet direct gerelateerd aan concrete investeringen.

(. . .)”

12. Met betrekking tot de door eiser ingenomen standpunten overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld moet worden dat gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kunnen geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hen vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Daarbij gelden als randvoorwaarden dat de gemaakte keuze niet in strijd mag komen met algemene rechtsbeginselen - in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel - en dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben gehad.

13. Met betrekking tot eerstgenoemde voorwaarde luidt eisers standpunt dat het heffen van een parkeerbelasting in het onderhavige geval leidt tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden gesteld dat de situatie in de verschillende woonwijken of woongebieden die door eiser zijn genoemd, vanuit een oogpunt van parkeerdruk, gelijk is. Verweerder heeft in dit verband onweersproken gesteld dat het verschil in behandeling mede zijn oorzaak vindt doordat bewoners in bepaalde gebieden wel en in andere gebieden niet zelf om parkeerregulering door middel van een vergunningstelsel hebben verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is met hetgeen eiser hiertoe heeft aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat sprake is van gelijke gevallen. Voorts overweegt de rechtbank dat zo al sprake zou zijn van gelijke gevallen, zo is niet onvoorstelbaar dat bepaalde straten over de grenzen van de door de gemeente aangewezen woongebieden heenlopen, de gemeente een ruime marge toekomt om te besluiten – uit praktische overwegingen – alleen in dat gedeelte van de straat parkeerbelasting te heffen dat in het aangewezen gebied is gelegen. Mitsdien faalt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel.

14. Toetsend aan de tweede voorwaarde, het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing, overweegt de rechtbank als volgt. In de autonome bevoegdheid van de raad van de gemeente om binnen de grenzen van de wet tot heffing van - onder meer - parkeerbelasting te besluiten, mag de rechter in beginsel niet treden. Daarop geldt een uitzondering in geval komt vast te staan dat de tarieven leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij de toekenning aan de gemeente van de bevoegdheid tot het heffen van de belastingen niet voor ogen kan hebben gehad. Gegeven de hoogte van het tarief waarnaar de belasting van eiser is geheven, mede gegeven de door verweerder ingebrachte stukken waaruit de tarieven blijken zoals die door andere gemeenten zijn vastgesteld, is van onredelijke en willekeurige belastingheffing geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de Verordening Parkeerbelastingen 2012 in strijd met de wettelijke voorschriften is vastgesteld, en evenmin sprake is van een in dit verband onzorgvuldig handelen door verweerder. De rechtbank acht in dit verband aannemelijk dat verweerder aan de tariefsverhoging onder meer het onder 6 bedoelde onderzoek naar parkeerdruk ten grondslag heeft gelegd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de gemeente met de tariefsverhoging niet buiten de haar toekomende bevoegdheid is getreden door de uit de belastingheffing verkregen gelden niet alleen aan te wenden in het kader van parkeerregulering maar daarmee tevens te streven naar extra opbrengst die, zoals in het onder 11 genoemde voorstel aan de gemeenteraad staat vermeld, onder andere nodig is voor de algemene bezuinigingstaakstelling, nu dit immers een gelegitimeerd doel van belastingheffing is.

15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van

F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.