Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0188

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/2493
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:3125, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Rijnvarende.

Eiser is geboren in 1956, woont in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2006 was eiser werkzaam op het Motortankschip [D]. In een certificat d’exploitant wordt [G], gevestigd in Luxemburg, genoemd als exploitant van het schip.

In geschil is of eiser in 2006 premie volksverzekeringen verschuldigd is.

Omdat eiser op grond van zijn leeftijd en woonplaats van rechtswege in Nederland verzekerd is, oordeelt de rechtbank dat eiser de last heeft om te bewijzen dat hij niettemin in Luxemburg verzekerd is. De rechtbank acht aannemelijk dat het schip is voorzien van een Rijnvaartcertificaat en merkt eiser daarom aan als rijnvarende in de zin van het Rijnvarendenverdrag. Verder overweegt de rechtbank dat degene aan wie de vrachtopbrengsten ten goede komen de exploitant van een schip is. Op basis van de gedingstukken oordeelt de rechtbank dat het schip behoort tot de onderneming van Vof [L]. Omdat deze Vof in Nederland is gevestigd, valt eiser onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

Aan de door eiser overgelegde E-106 verklaring kent de rechtbank geen betekenis toe omdat die is verstrekt op grond van Verordening 1408/71 en deze verordening op grond van het Rijnvarendenverdrag toepassing mist. Voor teruggave van in Luxemburg betaalde premies moet eiser zich wenden tot de Luxemburgse autoriteiten.

Eisers stelling dat verweerder overleg had moeten voeren met de Luxemburgse autoriteiten en de Sociale Verzekeringsbank wijst de rechtbank ook af, omdat voor dat overleg alleen aanleiding zou zijn als eiser op grond van de wetgeving van beide staten en de tussen de beide staten geldende verdragen in beide staten premieplichtig zou zijn. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2769
FutD 2012-2645
V-N Vandaag 2012/2438

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2012 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.712 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 153 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag is bij beschikking € 15 heffingsrente in rekening gebracht (de beschikking heffingsrente).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 22 maart 2012 beroep ingesteld. Per brief van 18 april 2012, bij de rechtbank ontvangen op 20 april 2012, heeft eiser zijn beroep nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012. Namens eiser is [A] daar verschenen. Namens verweerder zijn [B] en [C] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2. Eiser is geboren op [datum] 1956, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde gedurende het jaar 2006 in [Z] op het adres [adres].

3. Vanaf 2 februari 2006 tot en met 31 december 2006 wat eiser werkzaam op het Motortankschip [D] (hierna: het schip). Het schip heeft het scheepsnummer [a]. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een zogenoemde rijnvaartverklaring van de Minister van Verkeer en waterstaat (hierna: de Minister). Deze rijnvaartverklaring is op 27 september 2007 uitgereikt aan [E] B.V. te [F] als eigenaar van het schip. De rijnvaartverklaring vermeldt [G] als exploitant van het schip.

4. Tot de gedingstukken behoort de kopie van een in de Franse taal opgesteld CERTIFICAT D’EXPLOITANT, afgegeven te Grevenmacher op 16 augustus 2006. Hierin wordt verklaard dat [G] voldoet aan de voorwaarden die betrekking hebben op de exploitatie van een schip dat tot de Rijnvaart behoort (“remplit … les conditions en vue de l’exploitation d’un bateau appartenant à la navigation du Rhin”).

5. Op 20 juni 2005 heeft de Caisse de Maladie des Ouvriers te Luxemburg een zogenoemde E106-verklaring afgegeven. In deze verklaring, die in de Franse taal is opgesteld en in kopie tot de gedingstukken behoort, wordt eiser genoemd als degene die tegen vergoeding werkzaamheden heeft verricht (“travailleur salarié”) en die met zijn bij hem inwonende familieleden (“les membres de sa famille résidant avec lui”) vanaf 2 februari 2006 recht heeft op verstrekkingen wegens ziekte en moederschap (“prestations en nature de l’assurance maladie-maternité”).

6. Met dagtekening 29 oktober 2009 heeft verweerder eiser de onderhavige aanslag opgelegd. Over het verzamelinkomen waarnaar de aanslag is berekend is € 380 inkomstenbelasting (hierna: IB) en € 4.346 premie volksverzekeringen (hierna: PVV) verschuldigd. Na aftrek van € 3.347 aan heffingskortingen is € 1.379 IB en PVV verschuldigd. Bij de beschikking heffingsrente is voorts € 15 heffingsrente in rekening gebracht, zodat het aanslagbiljet, na verrekening van € 1.278 loonheffing, een te betalen bedrag vermeldt van € 116. Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder de aanslag en de beschikking heffingsrente bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Geschil

7. In geschil is de hoogte van de aanslag. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser voor het jaar 2006 PVV verschuldigd is.

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geen PVV verschuldigd is. Bij zijn nadere motivering van het beroep heeft eiser de gronden van het beroep als volgt geformuleerd:

“a. zonder bewijs wordt belanghebbende als rijnvarende gekwalificeerd

b. ten onrechte en zonder bewijs wordt door [verweerder] de eigenaar als exploitant aangemerkt en gesteld dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort zich in Nederland bevindt;

c. de beslissing op bezwaar is in strijd met de grondbeginselen van het Verdragsrecht dat geen dubbele heffingpremie volksverzekeringen plaatsvindt;

d. er is geen sprake van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit.”

9. Ter onderbouwing van de door hem aangevoerde beroepsgronden heeft eiser – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ad a: verweerder neemt zonder bewijs aan dat voor het schip een rijnvaartcertificaat, dat niet hetzelfde is als Rijnvaartverklaring, is afgegeven.

Ad b: met het in 6 vermelde certificat d’exploitant is bewezen dat [G] de exploitant van het schip is en dat het schip behoort tot de onderneming van [G].

Ad c: het opleggen van dubbele heffing is in strijd met de grondbeginselen van het EG verdrag en het Rijnvarendenverdrag die ertoe strekken dat op een rijvarende slechts de wetgeving van één enkele verdragsstaat van toepassing is.

Ad d: verweerder heeft geen overleg gepleegd met de Luxemburgse autoriteiten en de Sociale Verzekeringsbank terwijl het hem bekend is dat eiser in Luxemburg premie sociale verzekeringen heeft betaald.

10. Eiser concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bewaar en tot vermindering van de aanslag, waarbij de in de aanslag begrepen premie volksverzekeringen wordt verminderd tot nihil, alsmede tot veroordeling van verweerder in de kosten van het bezwaar en het beroep.

11. Voor de standpunten van verweerder wordt verwezen naar de stukken. Verweerder concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Regelgeving

12. Op 14 juni 1971 heeft de Raad van de Europese Gemeenschap (EG) vastgesteld de Verordening Nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op

werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening). Uit de preambule van de Verordening blijkt dat deze is vastgesteld omdat het wenselijk is dat werknemers en zelfstandigen die zich binnen de EG verplaatsen aan de wetgeving van één enkele Lidstaat onderworpen zijn. De Verordening heeft verder ten doel dat samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, wordt vermeden en dat het aantal en de draagwijdte van de gevallen waarin een persoon, als uitzondering op de algemene regel, tegelijkertijd onderworpen is aan de wetgeving van twee Lidstaten, zoveel mogelijk wordt beperkt.

13. Op 27 juli 1950 hebben Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden vastgesteld (hierna: het Rijnvarendenverdrag). Het Rijnvarendenverdrag is herzien bij verdragen van 13 februari 1961 en 30 november 1979.

14. Op grond van artikel 6 van de Verordening treedt de Verordening in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat voor twee of meer Lidstaten verbindend is. Op grond van artikel 7, tweed lid, onderdeel a, blijft het Rijnvarendenverdrag, ongeacht het bepaalde in artikel 6, van toepassing.

15. Op grond van artikel 1, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag, wordt onder rijnvarende verstaan een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat (hierna: rijnvaartcertificaat), bedoeld in artikel 22 van het Verdrag van 17 oktober 1868, Stb. 37, laatstelijk gewijzigd bij Overeenkomst van 20 november 1963 (hierna: de Herziene Rijnvaartakte).

16. Op grond van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip waarop de rijnvarende werkzaam is behoort.

17. In artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte is bepaald dat, alvorens een vaartuig de eerste reis op de Rijn onderneemt, de eigenaar of bestuurder zich moet voorzien van een verklaring dat het schip de nodige hechtheid en de vereiste uitrusting bezit voor de vaart op dat gedeelte van de stroom waarvoor het bestemd is. Deze verklaring – ook wel genoemd scheepspatent – wordt, na onderzoek door deskundigen, afgegeven door het bevoegde gezag van een van de Overeenkomstsluitende Staten.

Overwegingen aangaande het geschil

18. Vaststaat dat eiser in Nederland woont en in 2006 nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Onder die omstandigheden is eiser, op grond van de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de overeenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. In afwijking daarvan stelt eiser dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd is. Omdat eiser daarmee een beroep doet op vrijstelling van premie volksverzekeringen dient eiser feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan hij recht heeft op premievrijstelling.

19. Een werknemer of zelfstandige is rijnvarende als hij werkzaam is op een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt. Van gebruik in de Rijnvaart is sprake als het schip vaart onder de vlag van één van de verdragsluitende staten en is voorzien van een rijnvaartcertificaat. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het in 6 aangehaalde certificat d’exploitant naar voren dat het schip wordt gebruikt in de Rijnvaart. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief van Administratiekantoor [H] te [I] van 20 augustus 2009 waaruit blijkt dat het schip onder Nederlandse vlag vaart en wordt gebruikt in de binnenwateren van Nederland en Duitsland. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat verweerder niet heeft bewezen dat voor dat schip een rijnvaartcertificaat is afgegeven, maar eiser heeft de afgifte daarvan ook niet expliciet ontkend. Verweerder heeft daartegenover aangevoerd dat voor het schip wel een rijnvaartverklaring is afgegeven. De rechtbank acht mede van belang dat volgens de website van de Vereniging “[J]” het schip een motortankschip is met een lengte van 110 meter en een tonnage van 2.308 ton. Zonder rijnvaartcertificaat is gebruik van een dergelijk schip op de binnenwateren van Nederland en Duitsland nauwelijks denkbaar. Het zou daarom op de weg van eiser hebben gelegen om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat voor het schip geen rijnvaartcertificaat is afgegeven. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat voor het schip een rijnvaartcertificaat is afgegeven. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiser voor het jaar 2006 moet worden aangemerkt als rijnvarende in de zin van het Rijnvarendenverdrag.

20. Aangaande de vraag wie de exploitant van het schip is overweegt de rechtbank het volgende. De exploitant van een schip is degene die het schip met winstoogmerk gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is. Is er meer dan één persoon of lichaam bij het beheer en de exploitatie van het schip betrokken dan dient, naar het oordeel van de rechtbank, degene aan wie de vrachtopbrengsten toekomen als de exploitant van het schip te worden aangemerkt.

21. Eiser heeft gewezen op het door hem in geding gebrachte en in 6 aangehaalde certificat d’exploitant. Ter zitting heeft eiser daar onder meer nog aan toegevoegd dat de bemanning, inclusief de kapitein, bij [G] in dienst is en de bemanning de rechtstreekse opdrachten van de bevrachter uitvoert. Verweerder heeft gewezen op de fiscale jaarstukken over 2006 van [K] te [F]. Uit die jaarstukken, die in kopie tot de gedingstukken behoren, komt naar voren dat de Vennootschap onder firma [L] te [F] (hierna: de Vof) in 2004 eigenaar van het schip was en dat [K] een van de vennoten van de Vof was. De fiscale jaarstukken vermelden een netto omzet van € 986.631 en uit de bij de jaarstukken behorende specificaties blijkt dat het hier om de vrachtopbrengsten gaat. Verder blijkt uit de jaarstukken dat de Vof, al dan niet door middel van doorbelasting, de kosten van het scheepsmanagement, de onderhoudskosten en de brandstofkosten draagt. Verder vermelden de jaarstukken kostenposten als vrachtprovisies verzekeringspremies. Op grond van wat partijen over en weer hebben aangevoerd acht de rechtbank aannemelijk dat de vrachtopbrengsten aan de Vof toekomen. Derhalve moet de Vof worden aangemerkt als de exploitant van het schip.

22. Naar de rechtbank begrijpt, is tussen partijen niet in geschil dat de Vof in Nederland is gevestigd. Op grond van wat is overwogen in 21 behoort het schip tot de onderneming van de Vof, zodat eiser, naar het oordeel van de rechtbank, onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving valt.

23. Voor zijn beroep op de verdragsrechtelijke grondbeginselen heeft eiser onder meer gewezen op de Verordening en daarvoor, naar de rechtbank begrijpt, onder meer de in 4 aangehaalde E-106 verklaring overgelegd. De rechtbank overweegt dat een E 106 verklaring wordt afgegeven op grond van de Verordening. Op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, blijft de Verordening echter buiten toepassing als het Rijnvarendenverdrag van toepassing is. Omdat eiser, gelet op wat is overwogen in 20, als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het Rijnvarendenverdrag van toepassing en niet de Verordening. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder bij het opleggen van de aanslag daarom niet aan de E-106 verklaring gebonden (vgl. Hoge Raad, 9 december 2011, nr. 10/03927, LJN BQ2938). De rechtbank overweegt verder dat loyale uitvoering van het EU-verdrag inhoudt dat de lidstaten alle maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en dat zij geen maatregelen treffen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-verdrag in gevaar kunnen brengen. Deze loyaliteit houdt niet in dat een door de autoriteiten van een lidstaat genomen besluit door andere lidstaat steeds moet worden gevolgd, ook indien dit besluit, op grond van wat de lidstaten onderling zijn overeengekomen, als onjuist moet worden aangemerkt. De door eiser aangevoerde beroepsgrond, dat de uitspraak op bezwaar is in strijd met de grondbeginselen van het van het EG-verdrag en het Rijnvarendenverdrag, die strekken tot het voorkomen van dubbele premieheffing sociale verzekeringen, stuit hierop af. Nu moet worden geoordeeld dat eiser onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving valt, is hij door de Luxemburgse autoriteiten ten onrechte aangemerkt als verzekerde in Luxemburg. Het feit dat eiser in Luxemburg premie heeft betaald, maakt dit niet anders. Om de dubbele premieheffing ongedaan te maken dient eiser zich te wenden tot de Luxemburgse autoriteiten.

23. Eiser heeft aangevoerd dat de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet zorgvuldig zijn voorbereid omdat verweerder geen overleg heeft gepleegd met de Luxemburgse autoriteiten en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze beroepsgrond eveneens. Voor overleg tussen de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten zou aanleiding zijn als eiser op grond van de wetgeving van beide staten en op grond van de tussen de beide staten geldende verdragen in beide staten premieplichtig zou zijn. Dat is, gelet op wat is overwogen in 19 en 22, echter niet het geval. Bovendien is de bevoegdheid tot het voeren van overleg met de autoriteiten van andere verdragslanden toegewezen aan de SVB en niet aan verweerder. Verder is gesteld noch gebleken dat door de SVB, al dan niet na overleg met de Luxemburgse autoriteiten, ooit het standpunt is ingenomen dat eiser niet in Nederland verzekerd is. Onder die omstandigheden was er voor verweerder geen grond de heffing van premie volksverzekeringen achterwege te laten.

24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.