Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0005

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/11818 & 12/24275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

8 EVRM en mvv-vereiste

De voorzieningenrechter gaat er van uit, vanwege de verwijzing door verweerder naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, dat sprake is van een (sterk) vermoeden van een objectieve belemmering om het gezinsleven in ieder geval in Azerbeidzjan uit te oefenen. Bij die stand van zaken vergt een deugdelijke en volledige belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM dat niet wordt volstaan met te bezien of de belangenafweging in verband met het bestaan van een objectieve belemmering op voorhand in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. Evenmin kan verweerder zich bedienen van het argument dat (nog) niet gebleken is van een uitzichtloze situatie omdat niet is komen vast te staan dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan. Het voorgaande geeft geen blijk van een volledige toets aan artikel 8 EVRM, zoals deze door de Afdeling, in onder meer voormelde uitspraak van 27 oktober 2010, LJN: BO2098, wordt voorgestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/11818 (voorlopige voorziening)

AWB 12/24275 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2012 in de zaak tussen

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

verzoekster,

(gemachtigde: F.W. King, rechtshulpverlener te Leiden),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘beperking conform beschikking Minister’ afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit op 9 april 2012 bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten zolang verweerder niet op het bezwaarschrift heeft beslist.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 17 juli 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen op 30 juli 2012 beroep ingesteld. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

4. Op grond van artikel 3.71, eerste lid, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb is van het vereiste van een geldige mvv op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou zijn.

5. In B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat onder “l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn”, dat aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, op grond hiervan het mvv-vereiste niet wordt tegen geworpen.

6. In B2/10.2.3.2 van de Vc is ten aanzien van het bestaan van objectieve belemmeringen in het kader van artikel 8 EVRM het volgende beleid opgenomen. Objectieve belemmeringen zien op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, zal veelal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. In het zich daartoe lenende geval zal echter ook moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon Nederlander of vreemdeling is. Nederlanders kunnen zich in het algemeen ook in andere landen vestigen. In iedere zaak zal beoordeeld moet worden of er op dit moment sprake is van een objectieve belemmering. In het algemeen gelden daarbij de volgende uitgangspunten. Indien een verblijfsvergunning asiel is verleend (en het gezinslid uit hetzelfde land komt), bestaat een zeer sterk vermoeden van een objectieve belemmering, dat slechts op individuele gronden van de betreffende zaak kan worden weerlegd. Voor de vraag naar de aanwezigheid van objectieve belemmeringen is doorslaggevend de vraag of de (persoonlijke) omstandigheden die tot de verblijfsvergunning asiel hebben geleid, op dit moment nog steeds aanwezig zijn. (…).

De belangenafweging valt, indien sprake is van een objectieve belemmering, alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. (…).

7. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat zij niet beschikt over een geldige mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Het bepaalde in artikel 8 van het EVRM verzet zich niet tegen de uitzetting van verzoekster en toepassing van het mvv-vereiste leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard.

8. Verzoekster heeft hiertegen in de eerste plaats aangevoerd dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een belangenafweging zoals deze op grond van artikel 8 EVRM is vereist.

8.1 Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 27 oktober 2010, LJN: BO2098) volgt dat, gelet op de toevoeging van onderdeel l aan artikel 3.71, tweede lid, Vb en de toelichting van de staatssecretaris daarbij, bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen uit een op die zaak toegespitste belangenafweging dient te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling dient derhalve een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM plaats te vinden, aldus de Afdeling.

8.2 Tussen partijen is niet in geschil dat tussen verzoekster en haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot], die tevens afkomstig is uit Azerbeidzjan, gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaat en dat toepassing van het mvv-vereiste geen inmenging op dit gezinsleven tot gevolg heeft nu verzoekster niet in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning op grond waarvan zij in staat was dit gezinsleven uit te oefenen. Tussen partijen is in geschil is of op verweerder een positieve verplichting rust om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Verweerder heeft zich in het primaire besluit, dat is herhaald en ingelast in het bestreden besluit, zowel op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van objectieve belemmeringen (zie pag. 4 laatste alinea) als op het standpunt dat gebleken is dat de echtgenoot van verzoekster, vanwege zijn medische situatie, eerder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw en dat derhalve sprake is van een (sterk) vermoeden van een objectieve belemmering om het gezinsleven in ieder geval in Azerbeidzjan uit te oefenen (zie pag. 5 tweede alinea).

Van een situatie, als benoemd in B2/10.2.3.2 Vc, dat de belangenafweging indien sprake is van een objectieve belemmering al op voorhand uitvalt in het voordeel van verzoekster is volgens verweerder niet gebleken nu (nog) geen sprake is van een uitzichtloze situatie. Niet is vast komen te staan dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te voldoen zinloos is.

8.3 De voorzieningenrechter gaat er van uit, vanwege de verwijzing door verweerder naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, dat sprake is van een (sterk) vermoeden van een objectieve belemmering om het gezinsleven in ieder geval in Azerbeidzjan uit te oefenen. Bij die stand van zaken vergt een deugdelijke en volledige belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM dat niet wordt volstaan met te bezien of de belangenafweging in verband met het bestaan van een objectieve belemmering op voorhand in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. Evenmin kan verweerder zich bedienen van het argument dat (nog) niet gebleken is van een uitzichtloze situatie omdat niet is komen vast te staan dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan. Het voorgaande geeft geen blijk van een volledige toets aan artikel 8 EVRM, zoals deze door de Afdeling, in onder meer voormelde uitspraak, wordt voorgestaan.

8.4 De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat verzoekster niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vw.

9. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

10. De voorzieningenrechter ziet in het onderhavige geval geen aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid genoemd in artikel 8:51 a van de Awb, nu bij niet tegenwerping van het mvv-vereiste, de aanvraag vermoedelijk nog aan de overige vereisten of voorwaarden van artikel 16 Vw zal worden getoetst.

11. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

12. Nu verweerders standpunt dat verzoekster niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste ook is neergelegd in het primaire besluit en tot gevolg heeft dat het bezwaarschrift geen schorsende werking heeft, terwijl gelet op het vorenstaande niet kan worden uitgesloten dat verzoekster in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb, ziet de voorzieningenrechter aanleiding ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder zal worden verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift heeft beslist.

13. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

14. Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het beroep af;

- treft ambtshalve een voorlopige voorziening en verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan verzoekster in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep;

- draagt verweerder op € 156,- aan verzoekster te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 156,- voor het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft alsmede de ambtshalve getroffen voorlopige voorziening, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.