Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/22783 en awb 12/22683
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

COA, opvang, zeer bijzondere omstandigheden

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoekers per 1 januari 2010 opvang heeft verleend zonder dat daarvoor een grondslag in de Regeling verstrekking asielzoekers bestond. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de overgelegde parlementaire stukken niet zien op de door verweerder genoemde Tijdelijke opvangmaatregel asielzoekers. Onduidelijk is overigens gebleven welke maatregel verweerder hiermee bedoeld. Verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat hij de relevantie van de voormelde parlementaire stukken in het onderhavige geval niet inziet. De wijziging van verweerders standpunt in het verweerschrift, dat verzoekers per 1 januari 2010 in de opvang zijn geplaatst op grond van deze Tijdelijke opvangmaatregel voor reguliere procedures, is derhalve niet onderbouwd en kan daarom geen stand houden. Uit de bij de pleitnota van verzoekers gemachtigde overgelegde brief van de Stichting van 15 augustus 2012 volgt dat de door deze Stichting geboden opvang aan verzoekers geen gemeentelijke noodopvang betrof, zodat het standpunt in het verweerschrift ook op grond hiervan geen stand kan houden. Met de gemachtigde van verzoekers is de voorzieningenrechter derhalve van oordeel dat het in het onderhavige geval in het daartoe vereiste beëindigingsbesluit op de weg van verweerder ligt op kenbare wijze te motiveren op basis van welke, kennelijk bijzondere, omstandigheden verzoekers per 1 januari 2010 opvang is geboden en te motiveren in hoeverre de situatie van verzoekers thans is gewijzigd zodanig dat niet langer sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het verlenen van opvang. Nu het bestreden besluit daarvan geen blijk geeft, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. De beroepsgrond slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/22783 (voorlopige voorziening)

AWB 12/22683 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2012 in de zaak tussen

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum],

verzoekster, en

[naam verzoeker]

geboren op [geboortedatum],

verzoeker,

beiden van onbekende nationaliteit,

gezamenlijk te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA),

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage)).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat de opvang van verzoekers zo spoedig mogelijk wordt beëindigd en is het verzoek tot het continueren van de opvang afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij hebben verzocht verweerder te verbieden verzoekers uit de thans door hen bewoonde COA voorziening te zetten en de opvang te continueren.

Verweerder heeft de motivering van het bestreden besluit op 10 augustus 2012 gewijzigd. Het door verzoekers ingestelde beroep wordt op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen deze wijziging van het besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen. Verweerder heeft verzoekers asielaanvragen van 24 september 2001 bij besluit van 25 oktober 2002 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, bij uitspraak van 25 januari 2005 ongegrond verklaard (AWB 02/84545 en 02/84547). Het hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 15 juni 2005 ongegrond verklaard (200501596/1).

Verzoekers hebben op 10 april 2006 aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “medische behandeling”. De aanvragen zijn met de uitspraken van de Afdeling van 11 februari 2008 (200707850/1) ten aanzien van verzoeker en van 23 maart 2012 (20102675/1/V3) ten aanzien van verzoekster afgerond zonder dat verzoekers de gevraagde verblijfsvergunning is verleend.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers toegelicht dat verweerder de opvang van verzoekers heeft gecontinueerd tot medio november 2006. Aansluitend is verzoekers tot 31 december 2009 opvang verleend door de Stichting Noodopvang Uitgeprocedeerde Asielzoekers Kop van Noord-Holland in Schagen (de Stichting). In de bij de pleitnota gevoegde brief van deze Stichting van 15 augustus 2012 staat dat de Stichting geen gemeentelijke noodopvang heeft verleend aan verzoekers, maar dat het een particuliere Stichting betreft die is opgericht vanwege kerkelijke betrokkenheid bij asielzoekers die geen opvang meer bij AZC Schagen kregen en ook niet voor gemeentelijke opvang in aanmerking kwamen. Vervolgens is aan verzoekers met ingang van 1 januari 2010 opvang verleend door verweerder, in eerste instantie in AZC Delftzijl en vervolgens na overplaatsing in AZC Den Helder.

4. Verweerder heeft zich in het besluit van 12 juli 2012, voor zover van belang, op het volgende standpunt gesteld. Verzoekers hebben sinds hun asielprocedure tussen 2001 en 2003 tot op heden feitelijk opvang gehad. Eerst bij de beëindiging van de reguliere procedure van verzoekster met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2012 is de bewustwording ontstaan dat verzoekers tijdens de reguliere procedure geen recht op opvang meer hadden. In de periode dat de opvang eindigde was de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) nog verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelgeving inzake opvang. De DT&V was abusievelijk in de veronderstelling dat verzoekers recht op opvang hadden vanwege hun reguliere aanvragen voor het doel “medische behandeling”. In casu is evident sprake van een ambtelijke misslag die weliswaar gedurende lange tijd in het voordeel van verzoekers is uitgevallen, maar waaraan verzoekers volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen rechten voor de toekomst kunnen ontlenen. Derhalve is besloten de opvang alsnog zo spoedig mogelijk te beëindigen. Alhoewel daartoe strikt juridisch gezien geen beëindigingsbesluit noodzakelijk is, heeft verweerder hiervoor wel gekozen gelet op de beschreven uitzonderlijke situatie.

Verweerder heeft de motivering van het besluit bij verweerschrift van 10 augustus 2012 als volgt gewijzigd. Anders dan in het bestreden besluit is overwogen, hadden verzoekers gedurende hun reguliere verblijfsrechtelijke procedures wel recht op opvang gelet op de toezegging in 2009 van de toenmalige staatssecretaris in het kader van de beëindiging van de gemeentelijke noodopvang in Nederland (Tijdelijke opvangmaatregel voor reguliere procedures). Nu verzoekers om die reden opnieuw in de opvang zijn geplaatst, is in casu geen sprake van een beëindiging van het recht op opvang van rechtswege maar was een beëindigingsbesluit vereist. Gelet hierop is abusievelijk geen termijn gegeven voor het verlaten van de opvanglocatie. Gelet hierop heeft verweerder aan de rechtbank toegezegd dat de opvang van verzoekers wordt gecontinueerd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Kort voor de zitting heeft verweerders gemachtigde een aantal parlementaire stukken toegestuurd ter informatie over het bestuurlijk akkoord c.q. de bestuurlijke afspraken tussen de staatssecretaris van Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over onder meer de beëindiging van de gemeentelijke noodopvang uiterlijk eind 2009. Door verweerder is middels pijlen en arcering in de stukken gewezen op de hieronder weergegeven passages in die stukken.

TK 2006-2007, 31 018, nr. 1, brief van de staatssecretaris van Justitie van 27 april 2007 inzake het concept-bestuurlijk akkoord met de VNG over de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet: “Van vreemdelingen die, ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 geen recht (meer) hebben op van Rijkswege verstrekte (opvang)-voorzieningen, worden de voorzieningen beëindigd binnen de daartoe gestelde termijnen, waarbij de DT&V zich maximaal inspant om het daadwerkelijke vertrek uit Nederland te realiseren. Gemeenten zullen gelet op het bovenstaande noch direct noch indirect meewerken aan de opvang van onrechtmatig in ons land verblijvende vreemdelingen en de bestaande noodopvang beëindigen.”

TK 2008-2009, 31 018, nr. 52, brief van de staatssecretaris van Justitie van 13 juli 2009 over de actuele stand van zaken met betrekking tot de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet: “Voorts is afgesproken dat de gemeentelijke (financiering van) noodopvang van uitgeprocedeerde asielzoekers in samenhang met de uitvoering van de Regeling uiterlijk eind 2009 wordt beëindigd. In bestuurlijk verband volg ik in overleg met de VNG het proces van beëindiging noodopvang. De VNG heeft zich uitdrukkelijk gecommitteerd en doet momenteel een onderzoek naar dit proces.”

TK 2008-2009, 31 018, nr. 53, brief van de staatssecretaris van Justitie van 7 september 2009 over de resultaten van het onderzoek van de VNG naar de beëindiging van de gemeentelijke noodopvang met betrekking tot de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet: “In voorkomende gevallen kan tijdelijke plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie een oplossing bieden om de noodopvang te beëindigen.”

TK 2008-2009, 31 018, nr. 54, brief van de staatssecretaris van Justitie van 18 november 2009 over de actuele stand van zaken met betrekking tot de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet: “In het bestuursakkoord dat ik in mei 2007 heb afgesloten met de Vereniging Nederlandse Gemeenten is naast de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de Oude Vreemdelingenwet ook vastgelegd dat de noodopvang uiterlijk eind 2009 dient te worden beëindigd. Zoals ik u heb laten weten in mijn brief van 7 september 2009 (TK 2008-2009, 31018, nr. 53) is uit onderzoek, dat in opdracht van de VNG is uitgevoerd, gebleken dat het totale aantal ex-asielzoekers dat nog in de gemeentelijke noodopvang verblijft flink is afgenomen in de periode van december 2007 tot mei 2009. Momenteel wordt door de gemeenten die nog over noodopvang beschikken met de ondersteuning van DT&V en de IND intensief samengewerkt aan het verder terugbrengen van de omvang van de noodopvang. Dit proces verloopt voorspoedig, en ik verwacht dat per 1 januari 2010 de nu nog bestaande structurele noodopvang afgebouwd zal zijn.”

5. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij ervan uit mochten gaan dat zij per 1 januari 2010 in de opvang zijn geplaatst wegens het bestaan van zeer bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat deze omstandigheden zich niet meer voordoen en heeft de opvang derhalve ten onrechte beëindigd.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoekers per 1 januari 2010 opvang heeft verleend zonder dat daarvoor een grondslag in de Regeling verstrekking asielzoekers bestond. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de overgelegde parlementaire stukken niet zien op de door verweerder genoemde Tijdelijke opvangmaatregel asielzoekers. Onduidelijk is overigens gebleven welke maatregel verweerder hiermee bedoeld. Verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat hij de relevantie van de voormelde parlementaire stukken in het onderhavige geval niet inziet. De wijziging van verweerders standpunt in het verweerschrift, dat verzoekers per 1 januari 2010 in de opvang zijn geplaatst op grond van deze Tijdelijke opvangmaatregel voor reguliere procedures, is derhalve niet onderbouwd en kan daarom geen stand houden. Uit de bij de pleitnota van verzoekers gemachtigde overgelegde brief van de Stichting van 15 augustus 2012 volgt dat de door deze Stichting geboden opvang aan verzoekers geen gemeentelijke noodopvang betrof, zodat het standpunt in het verweerschrift ook op grond hiervan geen stand kan houden. Met de gemachtigde van verzoekers is de voorzieningenrechter derhalve van oordeel dat het in het onderhavige geval in het daartoe vereiste beëindigingsbesluit op de weg van verweerder ligt op kenbare wijze te motiveren op basis van welke, kennelijk bijzondere, omstandigheden verzoekers per 1 januari 2010 opvang is geboden en te motiveren in hoeverre de situatie van verzoekers thans is gewijzigd zodanig dat niet langer sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het verlenen van opvang. Nu het bestreden besluit daarvan geen blijk geeft, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. De beroepsgrond slaagt.

7. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 Awb. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 12 juli 2012 en 10 augustus 2012;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.