Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9508

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
09/900609-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer in diens woning in Delft meerdere malen met een stukgeslagen glazen fles op het hoofd geslagen. Het oor van het slachtoffer is hierdoor in meerdere stukken van zijn hoofd gekomen en kon grotendeels worden teruggeplaatst.

De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte als een voorbeeld van eigenrichting, waarbij hij een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer heeft getoond. Het op dergelijke wijze uitoefenen van eigenrichting - ook indien aangever zich inderdaad aan seksueel misbruik zou hebben schuldig gemaakt - is onacceptabel en kan geen rechtvaardiging vormen voor de handelingen waartoe dit verdachte klaarblijkelijk heeft gebracht.

Gevangenisstraf 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering endeze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900609-12

Datum uitspraak: 9 oktober 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] (Suriname),

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 september 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Voskens en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. E.J. Huisman, advocaat te ’s-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen.

Het slachtoffer heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juni 2012 te Delft ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te

beroven, die [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een

kapotgeslagen fles, althans een scherp voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het

oor heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2012 te Delft aan een persoon genaamd [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten diverse snij en steekwonden

aan het hoofd en/of een afgesneden oorschelp, althans een gedeeltellijk

afgesneden oor), heeft toegebracht, door opzettelijk (meermalen) met een

kapotgeslagen fles, althans een scherp voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het

oor van die [slachtoffer] te slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2012 te Delft ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer](meermalen) met een

kapotgeslagen fles,althans een scherp voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het

oor heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op 12 juni 2012, rond 17.20 uur, werd de politie naar het Reinier de Graaf Ziekenhuis in Delft gestuurd. Daar zou zich op de afdeling EHBO een man, naar later bleek het slachtoffer [slachtoffer] (hierna ook: aangever), bevinden die verwondingen had opgelopen ten gevolge van een mishandeling met een fles door een bekende van hem. Verbalisanten vernamen van aangever dat hij, toen hij zijn woning binnenkwam, daar vier personen zag zitten, waaronder verdachte. Volgens aangever ontstond vervolgens een woordenwisseling, waarna verdachte met een fles op het hoofd van aangever insloeg. Het linkeroor van aangever is hierdoor geheel losgekomen van zijn hoofd. Aangever zag kans zijn woning te ontvluchten en is zelf naar het Reinier de Graaf Ziekenhuis gegaan, waar hij zich aan zijn verwondingen heeft laten helpen.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte aangever met een (kapotgeslagen) fles heeft geslagen, of dat eenmaal of meermalen is geweest en onder welke omstandigheden een en ander heeft plaatsgevonden. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of verdachte al dan niet het (voorwaardelijk) opzet had om aangever om het leven te brengen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer te doden. Zij baseert zich daarbij – onder meer – op de aangifte van het slachtoffer en de verklaringen van de getuigen [getuige A.] en [getuige B.], in combinatie met de aard van het ontstane letsel.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op psychische overmacht bij verdachte en overigens geen verweer gevoerd tegen het ten laste gelegde feit.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

[getuige A.] vertelde in huize [naam] onder andere aan verdachte dat zij tijdens haar verblijf bij aangever door hem is misbruikt. Verdachte werd hier zeer boos over en ging – samen met [getuige B.] en [getuige A.] – naar de woning van aangever. [getuige A.] moest daar nog wat toiletartikelen en medicijnen ophalen en verdachte had nog ‘een appeltje te schillen’ met aangever.

Eenmaal in de woning van aangever, bleek deze niet thuis te zijn. In de woning was wel een vrouw aanwezig, die aangaf dat aangever rond 17.00 uur terug zou zijn. Besloten werd dat ter plaatse zou worden gewacht op aangever. Toen aangever – inderdaad om 17.00 uur – thuiskwam, ontstond er een woordenwisseling tussen aangever en verdachte, waarna verdachte aangever met een fles op het hoofd sloeg.

In de woning van aangever en in de hal naar de liften is op verschillende plaatsen bloed aangetroffen. Verder zijn in de hal en de slaapkamer van de woning glasdelen van (vermoedelijk) een fles aangetroffen . De eerste klap met de fles is uitgedeeld in de woning van aangever , terwijl het slaan door verdachte pas ophield bij de lift, toen aangever op de grond lag en [getuige B.] tegen verdachte zei dat het ‘nou wel mooi [is] geweest’. Aangever heeft uiteindelijk zijn oor in drie gedeelten teruggevonden in de woning en op de overloop tussen de woning en de lift .

Eenmaal of meermalen geslagen met een hele of kapotte fles?

De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van bloed(plassen) op verschillende plaatsen, niet noodzakelijkerwijs betekent dat meermalen is geslagen. Ook uit de verklaringen van de getuigen volgt niet zonder meer dat verdachte het slachtoffer meermalen met een kapotgeslagen fles heeft geslagen. [getuige B.] heeft het slaan met de fles - zoals getuige zelf aangeeft - niet gezien, maar alleen gehoord. [getuige B.] heeft verdachte bij de lift wel op het slachtoffer zien zitten en heeft hem daar ook meermaals zien slaan, maar kon niet zien of verdachte toen iets in zijn handen had. Ook [getuige A.] heeft wel gezien dat verdachte het slachtoffer sloeg en schopte, maar heeft maar één klap met een fles gezien.

Het slachtoffer zelf verklaart dat hij meermalen met een kapotgeslagen fles is geslagen en die verklaring wordt – naar het oordeel van de rechtbank – ondersteund door de aard van de verwondingen van het slachtoffer. Zijn oor is in drie delen op verschillende plaatsen teruggevonden en hij had ook op zijn hoofd diverse hechtwonden. De – aanvankelijke – verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het slachtoffer (slechts) eenmaal met een hele fles heeft geslagen, acht de rechtbank tegen de achtergrond van de verwondingen van het slachtoffer en de omstandigheid dat verspreid in de woning glasdelen zijn aangetroffen dan ook niet aannemelijk. Te minder nu verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard eigenlijk niet meer te weten of hij vaker heeft geslagen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet – gelet op het voorgaande – worden aangenomen dat verdachte meermalen met een kapotte fles op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen, zoals aangever stelt.

(Voorwaardelijk) opzet?

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de levensberoving – is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard. Bij dit laatste verdient opmerking dat bepaalde gedragingen naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft verdachte het slachtoffer meermalen met een afgebroken fles op het hoofd geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich op en bij het hoofd vitale aders, slagaders en zenuwen bevinden, evenals de hersenen. Verwondingen van dergelijke vitale delen zijn potentieel levenbedreigend en kunnen eenvoudig reeds op zichzelf leiden tot de dood van het slachtoffer. De hiervoor vastgestelde handelwijze van verdachte riep aldus de aanmerkelijke kans in het leven dat vitale delen zouden worden beschadigd en dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

Het slaan op het hoofd met een - afgebroken - fles is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de levensberoving van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties voor deze vaststelling is overigens niet gebleken. Integendeel: dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer vindt bevestiging in de verklaring van zowel het slachtoffer als die van [getuige A.], nota bene een vriendin van verdachte, die beide verklaren dat verdachte zich in die zin heeft uitgelaten voor aanvang van het gevecht met het slachtoffer , terwijl verdachte bovendien eerst door toedoen van een derde – [getuige B.] – is gestopt met slaan tegen het hoofd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte – minst genomen – voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en dat het door ingrijpen van een derde bij een poging is gebleven.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 12 juni 2012 te Delft ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te

beroven, die [slachtoffer] opzettelijk meermalen met een kapotgeslagen fles op/tegen het hoofd en het oor heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsvrouw is betoogd dat bij verdachte sprake was van psychische overmacht waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In dit verband is aangevoerd dat verdachte plotseling is geconfronteerd met aangever, de man die meerdere vrouwen – waaronder zijn vriendin en [getuige A.] – seksueel zou hebben misbruikt. Verdachte werd hierdoor overmand door woede en frustratie over hetgeen aangever deze vrouwen heeft aangedaan en over het feit dat aangever zijn wangedrag kan voortzetten, terwijl de politie machteloos staat toe te kijken omdat er onvoldoende bewijs zou zijn om tot een vervolging van aangever over te gaan. Bij deze plotselinge confrontatie kon van verdachte niet worden gevergd dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan, aldus de raadsvrouw van verdachte.

De officier van justitie heeft betoogd dat geen sprake kan zijn van een beroep op psychische overmacht, nu verdachte – samen met [getuige A.] en [B.] – bewust op pad ging naar het huis van aangever.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de verklaringen van zowel [getuige B.] als die van [getuige A.] dat verdachte met hen naar de woning van aangever is gegaan omdat hij aangever ter verantwoording wilde roepen vanwege het (vermeende) misbruik van [getuige A.]. Uit deze verklaringen volgt ook dat zij – toen aangever nog niet thuis bleek te zijn – op hem hebben zitten wachten, alsook dat verdachte bij binnenkomst van aangever meteen is opgestaan en aangever heeft geslagen. Verdachte was dus, zoals de officier van justitie heeft betoogd, een ‘man met een missie’. Onder die omstandigheden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met vrucht worden volgehouden dat verdachte ineens en onverwacht werd geconfronteerd met aangever. Integendeel: verdachte heeft het conflict met aangever naar het oordeel van de rechtbank bewust opgezocht. Daarmee is een beroep op psychische overmacht – waarvoor immers sprake moet zijn van een acute psychische drang waaraan in redelijkheid geen weerstand behoeft te worden geboden – niet aan de orde.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en onder de bijzondere voorwaarde zoals door de reclassering geadviseerd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – subsidiair – verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft aangever meerdere malen met een stukgeslagen glazen fles op het hoofd geslagen. Het oor van het slachtoffer is hierdoor in meerdere stukken van zijn hoofd gekomen en kon grotendeels worden teruggeplaatst. De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte als een voorbeeld van eigenrichting, waarbij hij een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer heeft getoond. Het op dergelijke wijze uitoefenen van eigenrichting - ook indien aangever zich inderdaad aan seksueel misbruik zou hebben schuldig gemaakt - is onacceptabel en kan geen rechtvaardiging vormen voor de handelingen waartoe dit verdachte klaarblijkelijk heeft gebracht.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2012 betreffende verdachte. Hieruit volgt dat eerdere veroordelingen van verdachte met name betrekking hebben op vermogensdelicten. Het uittreksel bevat geen vergelijkbare geweldsdelicten. Daarom zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat de eerdere veroordelingen niet in het nadeel van verdachte meewegen.

De rechtbank heeft ten slotte ook kennis genomen van het reclasseringsadvies ten behoeve van de rechtszitting d.d. 18 september 2012. Hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte een aanzienlijke verslavingsgeschiedenis kent en dat hij hoofdzakelijk als gevolg daarvan veelvuldig met Justitie in aanraking is gekomen. Naast de justitiële en verslavingsproblematiek heeft verdachte problemen op vele leefgebieden, waaronder huisvesting, inkomen, arbeid, opleiding, dagbesteding en sociale contacten. Ambulante diagnostiek voor de mogelijk aanwezige psychische problematiek is – door toedoen van verdachte – niet mogelijk gebleken. Hoewel de opsteller van het advies ambivalent staat tegen hernieuwd reclasseringstoezicht, wordt dat toch geadviseerd omdat het nodig is om betrokkene klinisch in zorg te krijgen, zodat een start kan worden gemaakt met de nodige diagnostiek. Geadviseerd wordt dan ook om in geval van een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedraagt naar voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt een meldingsgebod, opname in een zorginstelling, een behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer], vordert aan immateriële schadevergoeding een bedrag van € 20.000,-.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering weliswaar niet is onderbouwd, maar dat op grond van vergelijking met vergelijkbare gevallen in de Smartengeldgids een bedrag van € 2.000,- kan worden toegewezen, met toekennen van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken dat benadeelde psychische schade heeft geleden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Hoewel niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer (psychische) schade heeft geleden door de gebeurtenissen van 12 juni jl., heeft hij zijn vordering op geen enkele manier onderbouwd. Ook uit de verklaring die door het slachtoffer ter terechtzitting is afgelegd, kan niet worden afgeleid of hij schade heeft geleden dan wel in welke vorm zich schade heeft geopenbaard. Integendeel, het slachtoffer heeft ter terechtzitting verklaard dat hij géén (psychische) schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het begroten – en zelfs het schatten – van deze schade van het slachtoffer niet mogelijk is en een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het slachtoffer zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot zes maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt:

- dat de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na ontslag uit detentie zal melden bij GGZ Reclassering Palier op het Johanna Westerdijkplein 109, 2521 EN te Den Haag, en zich daar zal blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- opname in een zorginstelling in verband met verslavingsproblematiek en diagnostiek, een behandelverplichting en/of een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang,

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van zowel de algemene als de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

bepaalt dat de [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S.I. van Delden, voorzitter,

mrs A.L. Frenkel en R.G.C. Veneman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2012.