Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9469

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
425375 / HA RK 12-468 Wrakingnummer 2012/52
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking rechter. Verzoekster heeft gesteld dat het de rechter ontbreekt aan onpartijdigheid, omdat de rechter zou zijn omgekocht. Deze stelling, die door de rechter is betwist, is door verzoekster op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de rechter is omgekocht, is de vrees van verzoekster dat de rechter jegens haar vooringenomen is, niet objectief gerechtvaardigd, zodat deze wrakingsgrond niet kan slagen. Voorts heeft verzoekster geprobeerd te verhinderen dat een rechter een beslissing zal nemen door een wrakingsverzoek in te dienen. Daarvoor is het rechtsmiddel wraking echter niet bedoeld. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen. De wrakingskamer zal voorts bepalen dat een mogelijk volgend wrakingsverzoek van verzoekster in dezelfde procedure tot het afgeven van een voorwaardelijke machtiging op basis van de Wet BOPZ niet in behandeling wordt genomen, nu het aanwenden van het middel van wraking om een rechter te beletten uitspraak te doen, misbruik van procesrecht oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/52

rekestnummer: 425375 / HA RK 12-468

zaaksnummer: 422942 FA RK 12-5110

datum beslissing: 10 september 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

raadsman: mr. H.F. van Kregten;

tegen

de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage,

strekkende tot wraking van:

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk,

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de rechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

1.1. Op 14 augustus 2012 is verzoekster in het kader van een voorwaardelijke machtiging op basis van de Wet op de Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ) door de rechter gehoord. Tijdens deze zitting heeft verzoekster mondeling meegedeeld de rechter te wraken. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2. Op 17 augustus 2012 is bij de griffie van deze rechtbank het verweerschrift van de rechter binnengekomen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

2.1. Op 27 augustus 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. H.F. van Kregten. Tevens was tegenwoordig de case manager van verzoekster, de heer [case manager], De rechter heeft te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.2. Het wrakingsverzoek is door de raadsman en verzoekster toegelicht. De raadsman heeft opgemerkt dat het proces-verbaal van 14 augustus 2012 niet correct weergeeft wat zijn cliënte heeft gezegd. Verzoekster heeft niet gezegd dat zij twee ton op haar rekening heeft, doch dat zij er via haar computer kennis van heeft genomen dat de rechter twee ton op haar rekening heeft.

3. Het standpunt van verzoekster.

3.1. Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster stelt dat zij op de ochtend van de zitting inzage heeft gehad in de bankrekening van de rechter en heeft gezien dat daar twee ton op stond. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechter is omgekocht. Voorts stelt zij dat ze niet wil dat een rechterlijke machtiging wordt verleend en dat ze de rechter heeft gewraakt, zodat zij geen uitspraak kon doen.

4. Het standpunt van mr. J.M.C. Louwinger-Rijk.

4.1. De rechter concludeert tot afwijzing van het wrakingsverzoek en stelt daartoe dat zij niet is omgekocht en dat de stelling dat zij zou zijn omgekocht op geen enkele manier door verzoekster aannemelijk is gemaakt. Voorts stelt de rechter zich op het standpunt dat het weerhouden van een rechter van het nemen van een beslissing geen grond is om te wraken. De rechter verzoekt de wrakingskamer te bepalen dat een mogelijk volgend verzoek tot wraking van mevrouw [verzoekster] in dezelfde procedure tot het afgeven van een voorwaardelijke machtiging op basis van de Wet BOPZ, niet in behandeling wordt genomen, nu het aanwenden van het middel van wraking om de rechter te verhinderen uitspraak te doen, misbruik van recht oplevert.

5. De beoordeling.

5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3. Verzoekster heeft gesteld dat het de rechter ontbreekt aan onpartijdigheid, omdat de rechter zou zijn omgekocht. Deze stelling, die door de rechter is betwist, is door verzoekster op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de rechter is omgekocht, is de vrees van verzoekster dat de rechter jegens haar vooringenomen is, niet objectief gerechtvaardigd, zodat deze wrakingsgrond niet kan slagen.

5.4. Voorts heeft verzoekster geprobeerd te verhinderen dat een rechter een beslissing zal nemen door een wrakingsverzoek in te dienen. Daarvoor is het rechtsmiddel wraking echter niet bedoeld. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.

5.5. De wrakingskamer zal voorts bepalen dat een mogelijk volgend wrakingsverzoek van verzoekster in dezelfde procedure tot het afgeven van een voorwaardelijke machtiging op basis van de Wet BOPZ niet in behandeling wordt genomen, nu het aanwenden van het middel van wraking om een rechter te beletten uitspraak te doen, misbruik van procesrecht oplevert.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de behandeling van de onder 1. vermelde procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een mogelijk volgend verzoek van verzoekster tot wraking van de rechter in dezelfde procedure tot het afgeven van een voorwaardelijke machtiging op basis van de Wet BOPZ niet in behandeling zal worden genomen;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekster p/a haar raadsman mr. H.F. van Kregten;

• de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage;

• de rechter mr. J.M.C. Louwinger-Rijk.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, H.M.D. de Jong en G.P. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.F. Ritmeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2012.