Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
06-11-2012
Zaaknummer
413517 - FA RK 12-1261
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-1261

Zaaknummer: 413517

Datum beschikking: 20 september 2012

Alimentatie

Beschikking op het op 17 februari 2012 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats man],

advocaat: mr. M.E. Visser te Alblasserdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw],

advocaat: mr. A.M.B. Leerkotte te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het aanvullend verzoekschrift;

- het verweer op het aanvullend verzoekschrift;

- de brief van 7 augustus 2012, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht van 13 augustus 2012, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 13 augustus 2012 van de zijde van de vrouw, met een aanvullend verzoek;

- de brief van 17 augustus 2012, met bijlage, van de zijde van de vrouw.

Op 23 augustus 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met mr. A.W. Siebenga, kantoorgenoot van haar advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt - met wijziging van na te melden beschikking - met ingang van 1 januari 2011 de kinderalimentatie op € 501,67 per maand per kind te bepalen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht.

Daarnaast verzoekt de man te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de rekeningafschriften van de rekeningen van de kinderen dient te overleggen, zoals opgenomen in het tussen hen in het kader van de echtscheiding in 2008 gesloten convenant (hierna: het convenant), op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag of deel van de dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-- en daarbij tevens - voor zover uit de overgelegde inzage blijkt dat niet juist verdeeld is - alsnog een juiste verdeling van de spaargelden van de kinderen vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie meent dat de verdeling had moeten zijn.

De vrouw voert verweer dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- te bepalen dat de man nog aan haar dient te voldoen een bedrag van € 162,47 welke

verplichting voortvloeit uit artikel 1.6 van het convenant;

- voor recht te verklaren dat de man op grond van artikel 1.6 alinea 4 en 5 van het

convenant gehouden is aan de vrouw 75% te voldoen van de aanvullende kosten van de kinderen zoals deze expliciet in alinea 5 staan uitgewerkt, te weten de kosten van het schoolgeld, kosten van schoolboeken, kosten van schoolreisjes boven de € 100,--, collegegelden, kosten van de benodigdheden van schoolmaterialen voor het middelbaar onderwijs zoals voor een kapper- of koksopleiding, vervoerskosten van en naar school, onverzekerde dan wel niet volledig vergoede ziektekosten van bijvoorbeeld een bril of beugel en overige onvoorziene aanzienlijke kosten.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 1996 tot [datum echtscheiding] 2009.

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- Bij beschikking van [datum beschikking] 2008 heeft deze rechtbank, voor zover thans van belang:

* de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

* de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de

echtscheiding, neergelegd in het convenant, in de beschikking opgenomen;

* bepaald dat de man, met ingang van 8 maart 2008, voor de verzorging en opvoeding

van de minderjarigen aan de vrouw, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 768,70 per maand per kind, en indien en zodra de vrouw gaat samenwonen, een bedrag van € 713,-- per maand per kind.

- De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan bij de vrouw ingeschreven. De minderjarige [minderjarige 3] staat bij de man ingeschreven. Feitelijk verblijven de minderjarigen ofwel alle drie bij de vrouw ofwel alle drie bij de man.

- In artikel 1.5 van het convenant is het volgende opgenomen:

"Partijen hebben de behoefte van de kinderen aan de hand van hun huidige uitgaven aan de kinderen bepaald op een bedrag van € 2.306,00 per maand voor alle drie de kinderen.

Voor het moment dat de vrouw gaat samenwonen en de woonlasten voor de kinderen dalen met een bedrag van € 167,00, stellen de partijen de behoefte van de kinderen vast op een bedrag van € 2.139,00 per maand."

- In artikel 1.6 van het convenant staat het volgende vermeld:

"Met ingang van 8 maart 2008 en zolang de kinderen bij de partijen wonen, betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor de kinderen van € 768,70 per kind. Deze bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2009.

Indien en zodra de vrouw gaat samenwonen en zolang de kinderen bij de partijen wonen, betaalt de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage voor de kinderen van € 713,00 per kind. Deze bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2009.

(..)

De vrouw voldoet van de kinderalimentatie alle voorkomende kosten van de kinderen waar thans de behoefte op is gebaseerd. Partijen hebben hiervan een overzicht. Partijen komen overeen dat zij de aanvullende kosten van de kinderen, welke niet op dit overzicht staan vermeld, delen zodanig dat de vrouw 25% van deze kosten voor haar rekening neemt en de man 75%.

Partijen hebben hierbij voor ogen de kosten van schoolgeld, kosten van schoolboeken, kosten van schoolreisjes boven de € 100,00, collegegelden, kosten van de benodigdheden voor schoolmaterialen voor het middelbaar onderwijs zoals voor een kappers- of een koksopleiding, vervoerskosten van en naar school, onverzekerde dan wel niet volledig vergoede ziektekosten van bijvoorbeeld een bril of beugel en overige onvoorziene aanzienlijke kosten.

De partijen voorzien een inkomensstijging van de man binnen de termijn van een jaar of twee jaar in verband met veranderen van het vliegtuigtype dat de man gaat vliegen.

Bij het bepalen van de behoefte van de kinderen en de kinderalimentatie, zoals hiervoor weergegeven, hebben de partijen hier al rekening meegehouden, zodat deze inkomensstijging geen reden kan zijn voor een verhoging van de kinderalimentatie."

- De vrouw woont samen met een nieuwe partner.

Beoordeling

Kinderalimentatie

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven?

Partijen twisten over de vraag of het convenant, voor zover het de overeengekomen kinderbijdrage betreft, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechter kan een overeengekomen uitkering niet reeds wijzigen wanneer hij op grond van dezelfde gegevens tot een ander resultaat zou komen dan het tussen partijen overeengekomen bedrag. Het overeengekomen bedrag moet, om van grove miskenning van de wettelijke maatstaven te kunnen spreken, in een evidente wanverhouding staan tot het bedrag waartoe de rechter, met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zou zijn gekomen.

De man stelt dat daarvan sprake is. Hij stelt daartoe - verkort weergegeven - als volgt. Partijen hebben het convenant met behulp van een scheidingsbemiddelaar opgesteld. Ter bepaling van de behoefte van de minderjarigen heeft deze bemiddelaar het netto gezinsinkomen van partijen (€ 8.908,--) in aanmerking genomen en het "eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen" uitgerekend zoals deze aan de hand van de Tabel eigen aandeel bijdrage kosten van kinderen uit het Tremarapport (hierna: "Tabel kosten kinderen") zou moeten worden bepaald. Toepassing van deze tabel leidde volgens de bemiddelaar tot een eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen van

€ 2.835,-- per maand. Op grond van dit uitgangspunt hebben partijen onderhandeld over de in aanmerking te nemen behoefte van de kinderen, waarbij tussen partijen vast stond dat de man daarin volledig zou gaan voorzien, omdat de vrouw over onvoldoende draagkracht beschikte om enig aandeel te dragen. Partijen zijn vervolgens een behoefte overeengekomen van € 768,70 per maand per kind, en indien de vrouw zou gaan samenwonen van € 713,00 per maand per kind. Daarnaast hebben partijen afspraken gemaakt over het aandeel van de man in aanvullende kosten van de kinderen. Achteraf is gebleken dat de door de bemiddelaar genoemde behoefte van € 2.835,-- onjuist was. Bij deze berekening zijn de in de tabel kosten kinderen opgenomen bedragen ten onrechte lineair doorgetrokken, terwijl de behoefte volgens die tabel is geëxtrapoleerd tot een netto gezinsinkomen van maximaal € 5.000,-- per maand. De behoefte van de minderjarigen bedroeg derhalve maximaal € 501,67 per maand per kind. Over de geldende bovengrens zijn partijen door de bemiddelaar ten onrechte niet voorgelicht. De kinderbijdrage is daardoor overeengekomen met grove miskenning van de behoefte van de kinderen.

De vrouw voert verweer en stelt, kort samengevat, dat partijen tijdens de mediation uitgebreid over de behoefte van de kinderen hebben gesproken en gezien de hoge levensstandaard van partijen tot de overeengekomen bijdrage zijn gekomen. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat partijen nadrukkelijk hebben besproken dat zij bij de behoefte aan kinderalimentatie hebben gekozen voor de berekening van verrichte uitgaven tijdens het huwelijk en geprognosticeerde behoefte na de echtscheiding, waarbij zij wilden dat de kinderen in financiële zin zo min mogelijk zouden lijden onder de gevolgen van de echtscheiding. Partijen wensten dat de kinderen bij de vrouw hun oude welstandsniveau zouden kunnen handhaven, aldus de vrouw. De rechtbank begrijpt dat de vrouw met het voorgaande primair stelt dat er geen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat zij subsidiair stelt dat, waar er een afwijking heeft plaatsgevonden van de 'Tabel kosten kinderen', partijen dit bewust hebben gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. De behoefte van een kind omvat datgene wat een kind kost, mede gelet op de welstand waarin de ouders leven. Richtinggevend kan daarbij zijn voormelde Tabel kosten kinderen, zoals vermeld in het rapport Alimentatienormen. Het betreft daarbij echter slechts richtlijnen, die geen recht vormen in de zin van artikel 79 lid 1, onder b, RO. In zoverre gaat het beroep van de man, dat gebaseerd is op een (volgens hem onjuiste) toepassing van de tabel, dan ook niet op. Beoordeeld dient te worden of de tussen partijen overeengekomen (behoefte aan een) bijdrage in een evidente wanverhouding staat tot de behoefte die volgens de wettelijke maatstaven - bij voorlegging aan de rechtbank - zou zijn vastgesteld. De rechtbank acht daarbij de volgende omstandigheden van belang.

Uit het convenant blijkt dat het arbeidsinkomen van de man, die als piloot werkzaam is, ten tijde van het opstellen van het convenant € 171.039,70 bruto per jaar bedroeg, exclusief inkomen uit instructeurwerkzaamheden. Partijen voorzagen een inkomensstijging aan de zijde van de man, welke zij reeds - daarop vooruitlopend - in de overeengekomen behoefte hebben meegenomen. De vrouw ontving indertijd een bruto inkomen uit uitkering van

€ 12.688,-- per jaar. Bij de behoefte diende, zoals door de vrouw ter zitting onweersproken is gesteld, rekening te worden gehouden met een bijzonder hoge wooncomponent, welke gelegen was in het feit dat de vrouw, teneinde de afgesproken nagenoeg gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te kunnen uitvoeren, in de buurt van de man (die dichtbij Schiphol moet wonen) is blijven wonen en mitsdien toen een duurdere woning moest betrekken.

Gezien voornoemde omstandigheden en het hoge welstandsniveau van partijen tijdens het huwelijk, alsmede het feit dat de minderjarigen aan de daarmee corresponderende levensstandaard gewend waren geraakt, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de kinderen van partijen behoefte hadden en hebben aan een bijdrage in de orde van grootte van de overeengekomen bijdrage. De rechtbank vindt steun voor deze conclusie in de omstandigheid dat - dit is tussen partijen niet in geschil - partijen voorafgaand aan het opstellen van het convenant, ook daadwerkelijk overzichten hebben opgesteld met de uitgaven die partijen deden ten behoeve van de minderjarigen. Artikel 1.5 maakt hier ook melding van, daarin staat immers "Partijen hebben de behoefte van de kinderen aan de hand van hun huidige uitgaven aan de kinderen bepaald". Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank aannemelijk acht dat er sprake was en is van een hogere behoefte dan het maximale normbedrag van de Tabel kosten kinderen. Overigens is het ook volgens de Trema-normen zo dat er ruimte is voor vaststelling van een behoefte die hoger is dan de standaardbedragen, wanneer daar aanleiding toe is. Voorts merkt de rechtbank op dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage nog altijd aanzienlijk lager is dan het bedrag dat gevonden zou kunnen worden bij lineaire doortrekking van de tabel.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande niet komen vast te staan dat er sprake is van een evidente wanverhouding tussen de door partijen overeengekomen bijdrage en de bijdrage die de rechtbank destijds zou hebben vastgesteld, wanneer dit zou zijn voorgelegd, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken de extra bepaling in het convenant, inhoudende dat de man tezijnertijd nog aanvullende (studie)kosten dient te voldoen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van de door de man gestelde grove miskenning van de wettelijke maatstaven

Wijziging van omstandigheden?

De rechtbank volgt de man niet in zijn subsidiaire betoog dat zich na het sluiten van het convenant één of meerdere wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan die tot wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie nopen.

De omstandigheid dat de vrouw is gaan samenwonen, levert naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens relevante wijziging op, nu partijen die mogelijke verandering reeds in het convenant hebben verdisconteerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de artikelen 1.5 en 1.6 van het convenant.

Voor het overige zijn er geen gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de man of de vrouw gesteld die tot aanpassing van de kinderalimentatie aanleiding zouden moeten leiden. De man heeft ter zitting ook aangegeven dat, afgezien van de samenwoning van de vrouw, de (financiële) situatie van zowel de man als de vrouw nagenoeg onveranderd zijn gebleven.

Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het verzoek van de man, om de bij convenant overeengekomen kinderalimentatie te verlagen, afwijzen.

Verdeling van de kinderrekeningen

Ter beëindiging van hun geschil omtrent de verdeling van de saldi van de kinderrekeningen hebben partijen ter terechtzitting afgesproken dat de vrouw een bedrag van € 1.125,-- aan de man zal betalen. De man zal het van de vrouw te ontvangen bedrag vervolgens op de in zijn beheer zijnde spaarrekeningen van de kinderen storten.

Vergoeding medische kosten

Ter terechtzitting heeft de vrouw te kennen gegeven dat de man het haar nog verschuldigde bedrag van € 162,47 heeft voldaan. Nu de man de ontstane achterstand heeft ingelopen, heeft de vrouw haar verzoek te dien aanzien ingetrokken. De rechtbank behoeft daarop derhalve niet meer te beslissen.

Verklaring voor recht

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ter zake de verklaring voor recht bij gebrek aan belang afwijzen, nu het convenant, waaronder artikel 1.6, reeds in de echtscheidingsbeschikking van [datum beschikking] 2008 is opgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de man en de vrouw af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis- Evers in tegenwoordigheid van mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2012.