Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9403

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
405776 / HA RK 11-652
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2013:1402, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Geen Nederlandse nationaliteit voor het uit een polygaam huwelijk geboren kind. Het polygame huwelijk van verzoeker schaadt de Nederlandse fundamentele rechtsbeginselen onaanvaardbaar. Het onthouden van erkenning aan een bigaam huwelijk is een beperking van het recht voortvloeiend uit art. 8 EVRM dat als zodanig mogelijk is. Geen sprake van een door art. 14 EVRM verboden onderscheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 405776 / HA RK 11-652

Beschikking van 28 september 2012

in de zaak van

[vader],

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige

[dochter],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. J.E.A. Pesch.

Verzoeker wordt hierna aangeduid met '[vader]', de minderjarige met '[dochter]' en belanghebbende met 'de IND'.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 26 oktober 2011 ingekomen verzoekschrift;

- de brief van de IND van 28 februari 2012;

- de brief van mr. Jap-A-Joe van 17 september 2012 met pleitnotities.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Namens verzoeker is mr. Jap-A-Joe verschenen en namens de IND mr. Pesch. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

2. De feiten

2.1. [vader] is geboren in 1952 te [woonplaats] in Marokko. Op 24 september 1992 is hij in Taza, Marokko, in het huwelijk getreden met [echtgenote 1], geboren in 1961 te [woonplaats], Marokko. Dit huwelijk is nog steeds in stand.

2.2. Bij Koninklijk Besluit van 17 september 1993 is aan [vader] de Nederlandse nationaliteit verleend.

2.3. Op 17 maart 2006 is [vader] in Mèknes, Marokko, in het huwelijk getreden met [echtgenote 2], geboren op [geboortedatum] 1982 te [woonplaats], van Marokkaanse nationaliteit. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2007 te [woonplaats], Marokko, [dochter] geboren. Op 12 oktober 2009 is [echtgenote 2] te Sebaa Aioun overleden.

2.4. Op 30 november 2010 heeft [echtgenote 1] door optie op grond van artikel 6, eerste lid onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Nederlandse nationaliteit verkregen.

3. Het verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

3.1. [vader] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat [dochter] de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan. [dochter] heeft ingevolge artikel 3 lid 1 RWN van rechtswege de Nederlandse nationaliteit, omdat zij afstamt van een vader ([vader]) met de Nederlandse nationaliteit. De omstandigheid dat hij gedurende een bepaalde periode bigaam gehuwd is geweest kan niet ten nadele van [dochter] strekken. [dochter] blijft in familierechtelijke betrekking tot hem staan, zelfs indien zijn tweede huwelijk nietig wordt verklaard. Onthouding van erkenning aan het bigame huwelijk mag niet zover gaan dat [dochter] in haar rechten wordt verkort. Hij verwijst daarbij naar de artikelen 8 en 14 het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM).

3.2. De IND is van oordeel dat [dochter] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.3. De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

4. De beoordeling

4.1. Niet staat ter discussie dat [vader] ten tijde van de geboorte van [dochter] in Marokko gehuwd was met zowel [echtgenote 1] als [echtgenote 2] en dat het huwelijk met [echtgenote 2] als gevolg van haar overlijden op 12 oktober 2009 is ontbonden. Ten tijde van de geboorte van [dochter] was [vader] in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en [echtgenote 2] van de Marokkaanse nationaliteit.

4.2. Op grond van artikel 10:31, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig in Nederland erkend. Dit impliceert echter niet dat het polygame huwelijk van [vader] met [echtgenote 2] binnen de Nederlandse rechtsorde wordt erkend. Artikel 10:32 BW bepaalt immers dat - ongeacht artikel 10:31 BW - aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning wordt onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende betrokkenheid is met de Nederlandse rechtssfeer om erkenning aan het huwelijk van [vader] met [echtgenote 2] te onthouden. [vader] is immers al geruime tijd vóór het huwelijk met [echtgenote 2] in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Dit heeft tot gevolg dat een polygaam huwelijk van [vader] de Nederlandse fundamentele rechtsbeginselen onaanvaardbaar schaadt.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat [vader] niet kan worden aangemerkt als de juridische vader van [dochter], aangezien [dochter] niet is geboren uit een huwelijk dat naar Nederlands recht rechtsgeldig tot stand is gekomen.

4.5. Met betrekking tot de door [vader] aangehaalde artikelen van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 8 geen onbeperkt recht geeft, maar een recht dat mede met het oog op de goede zeden kan worden beperkt. Het onthouden van erkenning aan een bigaam huwelijk is een beperking van het recht voortvloeiend uit artikel 8 dat als zodanig mogelijk is. Van een door artikel 14 verboden onderscheid is dan geen sprake.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.