Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9284

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 29349
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In artikel 5.1b van het Vb 2000 is limitatief opgesomd op grond van welke feiten en omstandigheden een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld. Deze bewaringsgronden zijn naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de gemachtigde van eiseres heeft betoogd, objectief van aard. Voor de beantwoording van de vraag of met betrekking tot een vreemdeling aan twee of meer in artikel 5.1, eerste lid, van het Vb 2000 vermelde gronden is voldaan, zal immers aansluiting gezocht moeten worden bij de feiten zoals die ten aanzien van die vreemdeling gedurende onder meer zijn verblijf in Nederland hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, en die betrekking hebben op zijn gedragingen en/of omstandigheden hier te lande die het vertrek van die vreemdeling uit Nederland (zouden kunnen) bemoeilijken. Met die feitenvaststelling is naar het oordeel van de rechtbank het objectieve karakter van de gronden zoals neergelegd in artikel 5.1b van het Vb 2000 gegeven. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen zoals ter zitting is verzocht. Het betoog dat het dragen van een groene jas ook feitelijk kan worden vastgesteld maar dat, als dit als grond zou worden opgenomen in artikel 5.1b van het Vb 2000, hiermee nog geen sprake is van een objectieve grond acht de rechtbank niet steekhoudend, reeds omdat het dragen van een groene jas door een vreemdeling geen feit of omstandigheid is die in de weg zou kunnen staan aan het vertrek uit Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 29349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2012 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde]),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in

artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

Bij faxbericht heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig S.A. Mohammed.

Overwegingen

1. Eiseres is volgens haar eigen verklaring geboren op [geboortedatum] en van Eritrese nationaliteit.

2. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de Vw 2000 en het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

3. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4. Eiseres is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld in het belang van de openbare orde aangezien er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiseres zich aan haar verwijdering zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiseres:

- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;

- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Naar aanleiding van de ter zitting aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit verwijst de rechtbank allereerst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 12 april 2012 (LJN: BW3351). De Afdeling heeft in deze uitspraak overwogen dat, gelet op de in artikel 3, zevende lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn) gegeven omschrijving van het begrip “risico op onderduiken”, aan de in artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 genoemde voorwaarde voor inbewaringstelling dezelfde betekenis toekomt als aan de voorwaarde genoemd in artikel 15, eerste lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank volgt eiseres niet haar standpunt dat de Afdeling voormelde uitspraak onbevoegd heeft gedaan. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze Afdelingsuitspraak af te wijken. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie omtrent de uitleg van het begrip “risico op onderduiken”.

6. In artikel 5.1b van het Vb 2000 is limitatief opgesomd op grond van welke feiten en omstandigheden een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld. Voorts bepaalt het tweede lid van dat artikel dat niet aan de voorwaarden voor inbewaringstelling wordt voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden uit het eerste lid van toepassing is. Hieruit volgt dat de bewaring in beginsel rechtmatig is, indien geoordeeld wordt dat twee van de bewaringsgronden van toepassing zijn. Deze bewaringsgronden zijn naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de gemachtigde van eiseres heeft betoogd, objectief van aard. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voor beantwoording van de vraag of met betrekking tot een vreemdeling aan twee of meer in artikel 5.1, eerste lid, van het Vb 2000 vermelde gronden is voldaan, aansluiting gezocht zal moeten worden bij de feiten zoals die ten aanzien van die vreemdeling gedurende onder meer zijn verblijf in Nederland hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, en die betrekking hebben op zijn gedragingen en/of omstandigheden hier te lande die het vertrek van die vreemdeling uit Nederland (zouden kunnen) bemoeilijken. Met die feitenvaststelling is naar het oordeel van de rechtbank het objectieve karakter van de gronden zoals neergelegd in artikel 5.1b van het Vb 2000 gegeven. Het namens eiseres ter zitting gehouden betoog dat het dragen van een groene jas ook feitelijk kan worden vastgesteld maar dat, als dit als grond zou worden opgenomen in artikel 5.1b van het Vb 2000, hiermee nog geen sprake is van een objectieve grond acht de rechtbank niet steekhoudend, reeds omdat het dragen van een groene jas door een vreemdeling geen feit of omstandigheid is die in de weg zou kunnen staan aan het vertrek uit Nederland. Derhalve ziet de rechtbank ook in voormeld betoog van eiseres geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen zoals ter zitting is verzocht.

7. De gemachtigde van eiseres heeft alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden bestreden en aangevoerd dat op basis van deze gronden niet kan worden gesteld dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiseres hierin niet kan worden gevolgd. Vast staat immers dat eiseres zich niet gehouden heeft aan de eerder aan haar opgelegde vertrekplicht. Eiseres heeft op 27 januari 2012 een zogeheten meeromvattende beschikking ontvangen waarin haar is aangezegd Nederland binnen vier weken te verlaten. Eiseres heeft zich hier niet aan gehouden. Zo heeft eiseres tijdens het gehoor voorafgaande aan haar inbewaringstelling op 13 september 2012 onder meer verklaard dat zij wist dat ze Nederland moest verlaten en dat zij hier onrechtmatig was. Het feit dat eiseres op enig moment wel is vertrokken naar België doet aan het vorenstaande niet af, nu eiseres hiermee niet heeft voldaan aan de op haar rustende vertrekplicht. België is immers geen land als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2011 (LJN: BR3845). Derhalve kan de grond dat eiseres eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten gestelde termijn gevolg heeft gegeven, aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Voorts heeft eiseres, nadat haar vertrektermijn was verlopen, niet voldaan aan de op haar ingevolge artikel 4.39 van het Vb 2000 rustende verplichting om zich te melden bij de Korpschef. Daarom kan ook de grond dat eiseres zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden, aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres staat ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie zodat zij niet traceerbaar is voor verweerder. Voorts staat vast dat eiseres niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, zodat het niet aannemelijk is dat zij haar terugreis uit eigen middelen zal (kunnen) bekostigen. Voormelde gronden vormen naar het oordeel van de rechtbank, in hun onderlinge samenhang bezien, voldoende basis voor verweerders standpunt dat eiseres de voorbereiding van haar vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank zal de overige gronden waartegen eiseres zich ter zitting heeft verzet, dan ook buiten bespreking zal laten.

8. Ingevolge punt 6 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn dienen lidstaten ervoor te zorgen dat het beëindigen van illegaal verblijf van onderdanen van derde landen volgens een billijke en transparante procedure geschiedt. Overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen van de EU moeten beslissingen die op grond van deze richtlijn worden genomen per geval worden vastgesteld en op objectieve criteria berusten, die zich niet beperken tot het loutere geval van illegaal verblijf. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 6 en 7, ziet de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde van eiseres heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met punt 6 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn. Het bestreden besluit berust immers op een aantal objectieve criteria die zich niet beperken tot louter illegaal verblijf.

9. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt verder dat eiseres op [datum] is geplaatst in [naam detentiecentrum]. Voorts is op

20 september 2012 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Aangezien de gestelde nationaliteit van eiseres niet vaststaat, is op 21 september 2012 een taalanalyse aangevraagd.

10. Niet is gesteld dat er geen zicht op de verwijdering van eiseres bestaat of dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

11. Gelet op het hiervoor overwogene ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit dan ook ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M.A. Akkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

28 september 2012.

w.g. mr. M.M.A. Akkers,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.