Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9085

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 20527 en AWB 11 / 20535
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsrichtlijn / familieleden die niet gezamenlijk met Unieburger in andere lidstaat hebben verbleven alvorens naar land van herkomst te reizen / artikel 8 EVRM.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het behoud van rechten krachtens het EU-recht van de eigen onderdanen na terugkeer in eigen land uitsluitend strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van eisers. Honorering van het betoog van eisers, dat de EU-rechten van eisers en referent zijn geactiveerd en niet zijn vervallen door de terugkeer van referent en zijn echtgenote naar Nederland, naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een verdergaande interpretatie van het recht op vrij verkeer dan waartoe de Richtlijn of de door eisers aangehaalde jurisprudentie van het Hof noopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

zittinghoudende te Maastricht

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 20527 en AWB 11 / 20535

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[A] en [B], eisers,

(gemachtigde: mr. L.J.H. Hoven-Kohl),

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters).

1. Procesverloop

Bij (onderscheiden) besluiten van 30 mei 2011 heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen zijn besluiten van 10 december 2009 ongegrond verklaard. Bij de laatstgenoemde besluiten heeft verweerder de (onderscheiden) aanvragen van eisers om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Eisers hebben beroep doen instellen tegen de besluiten van 30 mei 2011. De beroepsgronden zijn ingediend bij brief van 18 juli 2011 en aangevuld bij brief van 8 december 2011.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012, alwaar eiser [B] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Voorts waren [C], de broer van eisers (hierna: referent), en zijn echtgenote [D] aanwezig.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In geding is of verweerder de aanvragen om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

2.2 Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende, niet betwiste feiten.

2.3 Eisers en referent hebben de Senegalese nationaliteit. Referent is getrouwd met [D], die de Nederlandse nationaliteit bezit. Referent en zijn echtgenote hebben een periode in België verbleven om daarna terug te keren naar Nederland. Bij terugkeer in Nederland heeft referent op 23 mei 2007 een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 ontvangen.

2.4 Ten tijde van het verblijf van referent en zijn echtgenote in België bevonden eisers zich in Senegal. Eisers zijn in 2009 Nederland ingereisd met een C-visum. Eisers hebben zich vervolgens in Nederland bij referent en zijn echtgenote gevoegd en een aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw2000 ingediend. Ten tijde van de aanvragen waren eisers minderjarig.

2.5 In de bestreden besluiten heeft verweerder, zij het op andere gronden dan vermeld in de besluiten van 9 december 2009, zijn standpunt gehandhaafd dat eisers niet in aanmerking komen voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat eisers geen rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 1 58; hierna: de Richtlijn), omdat eisers niet met referent en zijn echtgenote in het gastland van referent, België, hebben verbleven en niet vanuit het gastland met hen zijn meegereisd naar Nederland. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (hierna: Hof) volgt dat het behoud van rechten krachtens het EU-recht van de eigen onderdanen na terugkeer in eigen land uitsluitend strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van eisers. Aan de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als familieleden in de zin van artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt niet toegekomen volgens verweerder, omdat eisers in het geheel niet onder de werkingssfeer van de Richtlijn vallen.

2.6 Eisers betogen allereerst – samengevat weergegeven en voor zover van belang – dat zij binnen de werkingssfeer van de Richtlijn vallen. Het feit dat eisers niet met referent en zijn echtgenote in België hebben verbleven, staat er niet aan in de weg dat zij rechten kunnen ontlenen aan het EU-recht. Eisers betogen dat wanneer zij in België het verzoek hadden gedaan om zich bij referent te mogen voegen, dit verzoek zou zijn ingewilligd. Deze EU-rechten van referent en zijn echtgenote zijn volgens eisers geactiveerd en niet verloren gegaan door het feit dat referent met zijn echtgenote is teruggekeerd naar Nederland. Voorts voeren eisers aan dat de weigering een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 te verlenen in strijd is met het recht op vrije verblijfkeuze van de echtgenote van referent, omdat zij gedwongen wordt in een andere lidstaat dan de lidstaat van haar nationaliteit te verblijven. Ter onderbouwing van hun beroepsgronden doen eisers een beroep op de uitspraken van het Hof in de zaken Surinder Singh (7 juli 1992, C-370/90); Eind (11 december 2007, C-291/05); McCarthy (5 mei 2011, C-434/09) en Dereci e.a. (15 november 2011, C-256/11).

2.7 Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting betoogd dat het EU-recht uitsluitend is geactiveerd ten aanzien van referent en zijn echtgenote en niet ten aanzien van andere familieleden. Eisers dienen een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, in te dienen, indien zij verblijf bij referent en zijn echtgenote in Nederland wensen. Verweerder meent dat er geen rechtsgrond bestaat voor afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000.

2.8 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder gemeenschapsonderdanen:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag) gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

2.9 Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

2.10 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, verschaft de minister aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, van deze wet een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

2.11 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn worden bij de Richtlijn de voorwaarden vastgesteld voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden.

2.12 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Richtlijn wordt bij de Richtlijn tevens het duurzame verblijfsrecht op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden vastgesteld.

2.13 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder "burger van de Unie" verstaan: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Ingevolge het tweede lid, wordt onder "familielid" verstaan:

a. de echtgenoot;

b. de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;

c. de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;

d. de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.

Volgens het derde lid wordt onder "gastland" verstaan: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.

2.14 Ingevolge artikel 3, eerste lid, is de Richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht binnenkomst en verblijf van andere, niet onder de definitie van artikel 2, tweede lid, vallende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de burger van de Unie die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet.

2.15 De Richtlijn is omgezet in nationaal recht in de artikelen 8.7 en volgende van het Vb 2000.

2.16 Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van afdeling 2 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

2.17 Ingevolge artikel 8.7, tweede lid aanhef en onder c, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van afdeling 2 eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner.

2.18 Ingevolge artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, is deze paragraaf van toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die zich in Nederland bij een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid voegen, in het geval zij in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling.

2.19 In paragraaf B10/5.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is vermeld dat uit jurisprudentie van het Hof (de arresten Surinder Singh en Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is de Richtlijn naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand. Over de reikwijdte van het behoud van rechten krachtens het gemeenschapsrecht van de eigen onderdaan na terugkeer in het eigen land, heeft het Hof bepaald dat deze strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van werknemers. Het gaat dus om rechten krachtens gemeenschapsrecht, waaraan reeds uitvoering is gegeven. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van de eigen onderdaan, die niet in de andere lidstaat bij hem hebben verbleven op grond van het EG-Verdrag, zijn daarom de regels als genoemd in onderdeel B2 van de Vc 2000 onverkort van toepassing.

2.20 Niet in geschil is dat referent rechten kan ontlenen aan de Richtlijn. Verweerder heeft om die reden ook op de aanvraag van referent om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 een dergelijk document verstrekt.

2.21 Aan de orde is de vraag of eisers rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn.

2.22 De rechtbank is van oordeel dat de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is op eisers. Uit de door eisers aangehaalde arresten van het Hof volgt dat niet alle personen met de nationaliteit van een derde land aan de Richtlijn rechten van binnenkomst en verblijf in een lidstaat ontlenen, maar uitsluitend diegenen die in de zin van artikel 2, onder 2, van deze richtlijn familielid zijn van een burger van de Unie die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich in een andere lidstaat te vestigen dan die waarvan hij de nationaliteit bezit (zie bijvoorbeeld het arrest inzake Dereci e.a., overweging 57). Naar oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat familieleden, met de nationaliteit van een derde land, van een burger van de Unie die in een andere lidstaat heeft verbleven rechten van binnenkomst en verblijf in de lidstaat van herkomst van de burger van de Unie ontlenen aan de Richtlijn. Deze rechten komen alleen toe aan familieleden, met de nationaliteit van een derde land, van een burger van de Unie die bij deze burger in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst willen verblijven. Eisers hebben de Senegalese nationaliteit en willen zich vanuit Senegal bij referent en zijn echtgenote in Nederland vestigen, zonder eerst in een andere lidstaat van de Europese Unie met referent en de echtgenote van referent te hebben verbleven. Op die situatie ziet de Richtlijn niet. Wanneer eisers zich bij referent en zijn echtgenote in België hadden gevoegd, zouden zij, indien en voor zover zij ook aan de andere geldende voorwaarden voldoen, in België rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn.

2.23 Het betoog van eisers dat, gelet op de door hen aangehaalde arresten van het Hof, analoge toepassing van de Richtlijn tot verstrekking van het document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 dient te leiden, volgt de rechtbank niet.

2.24 Uit de door eisers aangehaalde arresten van het Hof, in het bijzonder het arrest in de zaak Surinder Singh, volgt dat de Richtlijn naar analogie van toepassing is op de situatie waarbij een burger van de Unie, na verblijf in een andere lidstaat, met een familielid, dat de nationaliteit van een derde land bezit, terugkeert naar de lidstaat van herkomst. Dat betekent dat de situatie waarin burgers met de Nederlandse nationaliteit, die na een verblijf in een andere lidstaat terugkeren naar Nederland met familieleden, die de nationaliteit van een derde land bezitten, binnen de werkingssfeer van de Richtlijn valt. De ratio daarvan is dat een burger van de Unie niet mag worden belemmerd in het uitoefenen van zijn recht op vrij verkeer door de omstandigheid dat hij bij terugkeer naar de lidstaat van herkomst gescheiden zou kunnen geraken van een familielid, met de nationaliteit van een derde land, doordat deze in de lidstaat van herkomst niet bij hem kan verblijven.

2.25 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 9 november 2010 (JV 2011/9) is deze jurisprudentie in paragraaf B10/5.3.2.1 van de Vc 2000 onderkend. Verweerder heeft ook aangegeven om die reden de Richtlijn naar analogie te hebben toegepast op referent, hetgeen geleid heeft tot afgifte van het aangevraagde document aan referent na terugkeer van referent en zijn echtgenote in Nederland.

2.26 De situatie waarop het in overweging 2.22 bedoelde arrest ziet, doet zich ten aanzien van eisers echter niet voor. Eisers hebben, alvorens naar Nederland te zijn gereisd, niet bij referent en zijn echtgenote in België verbleven.

2.27 Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2010 (LJN BN6683) kan worden afgeleid dat familieleden met de nationaliteit van een derde land, die niet gezamenlijk met een burger van de Unie hebben verbleven in een andere lidstaat alvorens naar de lidstaat van herkomst te reizen, geen rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn.

2.28 Gelet op het voorgaande zou honorering van het betoog van eisers, dat de EU-rechten van eisers en referent zijn geactiveerd en niet zijn vervallen door de terugkeer van referent en zijn echtgenote naar Nederland, naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een verdergaande interpretatie van het recht op vrij verkeer dan waartoe de Richtlijn of de door eisers aangehaalde jurisprudentie van het Hof noopt.

2.29 De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de situatie van eisers niet binnen de werkingssfeer van de Richtlijn valt en dat eisers geen rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.30 Eisers betogen voorts dat sprake is van gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), dat gerespecteerd moet worden, omdat eisers door verweerder in staat zijn gesteld om in Nederland bij referent en zijn echtgenote te verblijven.

2.31 De rechtbank overweegt in dat verband, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2011 (JV 2012/98), dat ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waarin de bevoegdheid van verweerder tot afgifte van een document of schriftelijke verklaring waaruit rechtmatig verblijf blijkt is neergelegd, de afgifte van zodanig document geen verdere strekking heeft dan bevestiging van het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Dat betekent dat hetgeen eisers aan hun beroep op artikel 8 van het EVRM ten grondslag hebben gelegd er niet toe kan leiden dat hun verblijf moet worden toegestaan op grond van de Richtlijn. De rechtbank volgt dan ook verweerder in zijn standpunt dat, anders dan eisers betogen, de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM niet kan leiden tot verstrekking van het aangevraagde document. Eisers dienen, indien zij hun aanspraak op verblijf met het oog op artikel 8 van het EVRM beoordeeld wensen te zien, een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Deze beroepsgrond faalt eveneens.

2.32 Eisers voeren verder aan dat het verstrekken van een C-visum de verwachting heeft gewekt dat zij het doel van hun verblijf in Nederland, te weten een niet tijdelijk bezoek aan referent en zijn echtgenote, zouden kunnen verwezenlijken.

2.33 Naar het oordeel van de rechtbank dient ook deze grief te falen. De afgifte van een C-visum doet, nu daarmee uitsluitend toegestaan wordt dat eisers Nederland inreizen en dat zij hier kort verblijven, niet de rechtens te honoreren verwachting ontstaan dat op een aanvraag om afgifte van voormeld document positief zal worden beslist. Eisers hebben geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot een ander oordeel. Het feit dat eisers met het oog op een niet tijdelijk bezoek naar Nederland zijn gereisd, leidt er niet toe dat, zoals eisers betogen, met de afgifte van een C-visum de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat aan hen ook een niet tijdelijk verblijf toegestaan zou worden. Een ander oordeel zou tot gevolg hebben dat het beoogde doel van de aanvrager bij het verblijf bepalend zou zijn voor de vraag of al dan niet tot afgifte van voormeld document moet worden overgegaan.

2.34 Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn te achten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.V.L. Heuts, voorzitter, mr. R.M.M. Kleijkers en mr. D.W.M. Wenders, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brands, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.

w.g. C. Brands w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 3 oktober 2012

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.