Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9042

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
09/711788-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0588, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. Verdachte heeft een man van 34 jaar, in een café, wegens een futiele aanleiding, koelbloedig neergeschoten. Gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/711788-11

Datum uitspraak: 3 oktober 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1982 te [plaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden,

locatie Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 4 april 2012, 21 juni 2012,

30 augustus 2012 en 19 september 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W. Bos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.H. Westendorp, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

[moeder van slachtoffer], moeder van het slachtoffer, en [A], ex-partner en moeder van het zoontje van het slachtoffer, hebben ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 december 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer]van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet

en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer

kogels afgevuurd naar en/of in de richting van en/of in de nabijheid van die

[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

In de nacht van 23 op 24 december 2011 omstreeks 02.30 uur heeft in café [X] aan de Weimarstraat te Den Haag een schietincident plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gekomen en heeft het slachtoffer [slachtoffer]aangetroffen. Door de politie en de vervolgens gearriveerde ambulancemedewerkers zijn de nodige reanimatiepogingen uitgevoerd. Die zijn tevergeefs gebleken. [slachtoffer]is ter plaatse overleden.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in een uitvoerig requisitoir uiteengezet dat van een ongeluk geen sprake kan zijn geweest en dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Dit feit kan naar het oordeel van de officier van justitie niet worden gekwalificeerd als moord, omdat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is voor het aannemen van voorbedachte raad. Volgens de officier van justitie moet het feit daarom worden gekwalificeerd als doodslag. Ook is geen bewijs voorhanden dat een ander of anderen een aandeel in de schietpartij hebben gehad, zodat partiële vrijspraak dient te volgen van de onderdelen 'medeplegen' en 'voorbedachte raad'.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit, daarbij gewezen op de verklaring van verdachte, en daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen tijdens een vechtpartij met [slachtoffer] uit diens broeksband heeft gehaald en dat het wapen toen opeens afging. Er is daarom sprake van een ongeluk waarbij opzet op de dood van [slachtoffer] geen rol heeft gespeeld.

[slachtoffer] heeft verdachte plotseling aangevallen. Er was, in ieder geval in de beleving van de verdachte, sprake van één vechtpartij tussen [slachtoffer] en verdachte. Voor zover getuigen hebben verklaard over twee confrontaties zou het hoogstens kunnen gaan om een vloeiende overgang tussen meerdere vechtpartijen. Daarbij zou [slachtoffer], nadat hij [B]- een vriend van verdachte met wie hij onder meer die avond in [X] café was - knock-out had geslagen, verdachte opnieuw hebben aangevallen. Verdachte heeft zich, in zijn beleving, steeds in de nabijheid van de loungebank en de spiegelkamer bevonden. [slachtoffer] bleef bij voortduring op verdachte in slaan. "Hij bleef maar komen", zo heeft verdachte verklaard. In de worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] voelde verdachte plotseling een wapen in de broeksband van [slachtoffer]. Dat wapen heeft hij afgepakt en vervolgens is dat daarna ongewild en onopzettelijk afgegaan. Gewezen is op de mogelijkheid dat een dergelijk wapen al bij geringe druk af zou kunnen gaan.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Inleidende opmerking

De rechtbank heeft allereerst in overweging genomen of, in weerwil van de bekennende verklaring van verdachte dat hij het wapen in zijn hand had toen het afging, een ander dan verdachte het dodelijke schot zou kunnen hebben gelost. De rechtbank heeft hiervoor in het dossier geen concrete aanwijzingen gevonden. Ook ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken die zouden kunnen duiden op een dergelijk scenario. De beoordeling van de tenlastelegging spitst zich dan ook toe op de vraag of verdachte opzettelijk op [slachtoffer] heeft geschoten dan wel of sprake is geweest van een ongeluk zoals de verdediging heeft gesteld. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

De eerste confrontatie

Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte die avond op de loungebank avances heeft gemaakt in de richting van de vriendin van [slachtoffer], [C]2, dat zij hiervan niet was gediend, met een verbale confrontatie als gevolg3 en dat hierop een vechtpartij tussen [slachtoffer] en verdachte ontstond4. Verdachte en [slachtoffer] werden vervolgens uit elkaar gehaald5. Enkele getuigen hebben verklaard dat de ruzie daarmee werd gestopt of gesust, of dat het gevecht maar van korte duur was6. Voorts hebben verschillende getuigen verklaard dat verdachte in de richting van de hoofduitgang van het café werd begeleid, dan wel dat verdachte zich kort na deze vechtpartij met [slachtoffer] in de buurt van de uitgang - naast de pooltafel - bevond7.

De rechtbank stelt op grond van al deze verklaringen vast dat de vechtpartij tussen verdachte en [slachtoffer] is gestopt vanaf het moment dat zij uit elkaar zijn gehaald. Ook leidt de rechtbank hieruit af dat de fysieke afstand tussen [slachtoffer] en de verdachte, na hun korte vechtpartij, een aantal meters bedroeg en dat verdachte - anders dan hij heeft gesteld - zich niet steeds bij de loungebank heeft bevonden.

De tweede confrontatie

Volgens meerdere getuigen is kort daarna een nieuw gevecht ontstaan, nu tussen [B]en [slachtoffer]8. Onmiddellijk voorafgaand aan dit tweede gevecht heeft [B]een paar woorden met [slachtoffer] gewisseld en heeft hij zijn jas uitgetrokken en die op de pooltafel gelegd9.

De rechtbank concludeert hieruit dat er in ieder geval een ruim aantal seconden tussen het eerste en het tweede gevecht moet hebben gezeten. De rechtbank acht in dit verband verder van belang dat in geen enkele van de vele getuigenverklaringen melding is gemaakt van een nadere of voortdurende confrontatie tussen [slachtoffer] en verdachte, zoals die door verdachte is beschreven.

Verschillende getuigen verklaren dat verdachte, tijdens het gevecht tussen [B]en [slachtoffer], vanaf zijn positie bij de uitgang van het café om de pooltafel heen naar [slachtoffer] is gesneld, dan wel dat hij dichter bij [B]en [slachtoffer] is gaan staan10.

De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat verdachte op dat moment, nadat de ruzie tussen hem en [slachtoffer] was gesust, de confrontatie met [slachtoffer] bewust heeft opgezocht.

Het schietincident

Een aantal getuigen heeft verklaard dat na aanvang van het tweede gevecht en nadat verdachte in de richting van [slachtoffer] en [B]was gesneld, plotseling een schot is gevallen11. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij een vlam bij verdachte vandaan zag komen op het moment dat verdachte tussen de pooltafel en de bar stond12. Enkele getuigen hebben verklaard dat het schot viel omstreeks het moment dat de vechtpartij tussen [slachtoffer] en [B]zich naar de spiegelruimte verplaatste (de ruimte waar [slachtoffer] door verbalisanten is aangetroffen), maar nog voordat [slachtoffer] daar arriveerde13.

Meerdere getuigen hebben verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer] na het schot naar de spiegelruimte is gelopen of daar opeens was14. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte in de spiegelruimte (een) (twee) vuistslag(en) heeft gegeven aan [slachtoffer], waarna (of terwijl) deze in elkaar zakte15. Meerdere getuigen hebben verklaard dat laatste te hebben gezien16. Daarna, zo heeft getuige [getuige 4] verklaard, hebben drie mannen, onder wie twee personen met de signalementen van verdachte en [B], het café via de nooduitgang in de rokersruimte verlaten17.

Uit forensisch onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] is overleden door massaal bloedverlies en functieverlies van het hart als gevolg van een inschotverwonding onder de linkeroksel, waarbij een kogel beide longen, het hart en de lever heeft geperforeerd18. Ten aanzien van de schootsafstand is vastgesteld dat een schootsafstand van 0 centimeter (opgezet schot) veel waarschijnlijker is dan een grotere schootsafstand19.

De rechtbank stelt vast dat ook ten aanzien van het schietincident de verklaring van verdachte niet strookt met de getuigenverklaringen van een groot deel van de aanwezigen in het café en met de overige stukken in het dossier. In de eerste plaats komt uit geen van alle getuigenverklaringen naar voren dat verdachte, zoals hij heeft gesteld, het wapen uit de broeksband van [slachtoffer] heeft gehaald. Dat in de broeksband van [slachtoffer] een wapen heeft gezeten, zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk. De rechtbank betrekt daarbij dat uit forensisch onderzoek van de in het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen kogel is gebleken dat het gebruikte wapen vermoedelijk een revolver is geweest. Dit strookt met de verklaring van getuige [getuige 1] dat hij een vlam heeft gezien20, bezien in combinatie met overig forensisch onderzoek. Door de constructie van een revolver is er, anders dan bij een pistool, een ruimte tussen de cilinder waarin de kogel zit wanneer hij wordt afgevuurd en de loop, waar de kogel doorheengaat bij het afvuren. Door deze opening komt ook rook en vuur bij het afvuren21. Ook verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard over een revolver22. Niet goed voorstelbaar is dat iemand (in dit geval [slachtoffer]) een revolver met een aangespannen hamer in zijn broeksband heeft bij een bezoek aan een café in het gezelschap van zijn vriendin.

De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario van opeenvolgende toevalligheden, inhoudende (a) dat hij tijdens het gevecht met [slachtoffer] plotseling een revolver uit diens broeksband haalde, (b) dat dit wapen reeds gespannen was of door verdachte per ongeluk is gespannen, (c) dat hij per ongeluk een vinger op de trekker legde en (d) de trekker vervolgens per ongeluk overhaalde, niet geloofwaardig.

Behalve verdachte zelf verklaart geen van de als getuige gehoorde aanwezigen in het café dat verdachte het wapen heeft laten vallen of dat dit op de grond of elders in het café lag. Bij onderzoek ter plaatse is geen wapen aangetroffen23. Verder valt de lezing van verdachte dat hij direct na het afgaan van het wapen het café in paniek heeft verlaten niet goed te rijmen met de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] dat verdachte na het schot in de spiegelruimte [slachtoffer] heeft geslagen.

Slotsom

De rechtbank overweegt ten aanzien van haar overtuiging bovendien als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich na de schietpartij niet bij de politie heeft gemeld omdat hij niet wist dat daarbij iemand om het leven was gekomen en verder dat hij met niemand meer over het voorval heeft gesproken.

Verdachte is in de dagen na het schietincident in [plaats], waar hij verbleef, tot twee maal toe bezocht door zijn vriend [B], die de bewuste avond in het café eveneens bij de vechtpartij was betrokken en bij het schieten aanwezig was.

Verdachte is op 30 december 2011, zes dagen na het schietincident, aangehouden.

De verklaring van verdachte, dat hij van niets wist en met niemand had gesproken, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de geschetste omstandigheden, uiterst ongeloofwaardig.

Dit alles draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan een verdere ontkrachting van de door verdachte geschetste gang van zaken.

De rechtbank is van oordeel, in het licht van het voorgaande, dat de lezing van verdachte over de gang van zaken in het café, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer], volstrekt onaannemelijk is. Verdachtes betoog dat sprake was van een ongeluk slaagt daarom niet.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem van zeer dichtbij onder de linkeroksel neer te schieten. De rechtbank komt tot gedeeltelijke vrijspraak van de onderdelen 'medeplegen' en 'voorbedachte raad' aangezien voor een bewezenverklaring hiervan in het dossier onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 24 december 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer]van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel afgevuurd naar die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich in verband met de door hem bepleite vrijspraak niet uitgelaten over de strafmaat. Wel heeft de raadsman naar voren gebracht dat de door de officier van justitie geformuleerde eis disproportioneel is in een zaak waarbij het slachtoffer als agressor is opgetreden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Een levensdelict behoort tot de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft op 24 december 2011 [slachtoffer], een man van 34 jaar, in de bloei van zijn leven, wegens een futiele aanleiding, koelbloedig neergeschoten.

Verdachte heeft met zijn handelen onpeilbaar verdriet toegebracht aan de familie en vrienden van het slachtoffer. Dat geldt in het bijzonder voor de moeder van [slachtoffer] en voor zijn jonge zoon. Dit verdriet en de zeer zeker langdurige gevolgen zijn duidelijk geworden uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen.

Voorts draagt een dergelijk misdrijf een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter dat ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt. Het opleggen van een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur is de enige passende reactie op de daad van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 2 januari 2012 alsmede op het reclasseringsadvies d.d. 19 maart 2012.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd in aanmerking genomen.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst vermelde telefoon zal worden teruggegeven aan de verdachte (de beslaglijst is als bijlage aan dit vonnis gehecht).

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakte ten aanzien van de bestemming van de inbeslaggenomen telefoon.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst vermelde telefoon.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 vermelde telefoon.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. van As, voorzitter,

mrs. C.W. de Wit en M.L. Harmsen, rechters,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld

een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde

opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van

de processen-verbaal met het nummer PL2011/270354, van de regiopolitie Haaglanden, met

bijlagen (onderzoek TGO NOVEMBER 11).

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2011, p. 2, en

processen-verbaal van verhoor getuigen [C], p. 212, en [getuige 8], p. 87,

van de bijlage getuigenverklaringen.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2011, p. 2, en

processen-verbaal van verhoor getuigen [C], p. 212, en [getuige 5], p. 18,

van de bijlage getuigenverklaringen.

4 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 5], p. 18, [getuige 6], p. 31, [getuige 7], p. 40-41,

[getuige 8], p. 87, [getuige 9], p. 129, [getuige 10], p. 138, [getuige 11], p. 150,

[getuige 12], p. 156 [getuige 13], p. 166, [getuige 1] p. 178, [getuige 14], p. 194, [C], p. 212, en [getuige 2], p. 219,

van de bijlage getuigenverklaringen.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2011, p. 2, en

processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 11, [getuige 6], p. 26 en 31,

[getuige 7], p. 41, [getuige 8], p. 87, [getuige 19], p. 104, [getuige 4], p. 109, [getuige 9], p. 129,

[getuige 10], p. 138, [getuige 16], p. 144, [getuige 11], p. 150, [getuige 12], p. 156, [getuige 13] p. 166,

[getuige 1], p. 178, [getuige 14], p. 194, en [getuige 2], p. 219,

van de bijlage getuigenverklaringen.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2011, p. 2, en

processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 5], p. 18; [getuige 7], p. 67, [getuige 8], p. 80, [getuige 19],

p. 104, [getuige 4], p. 109, [getuige 17], p. 189, [getuige 14], p. 194, [getuige 18], p. 199, en [getuige 2], p. 219,

van de bijlage getuigenverklaringen.

7 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 11, [getuige 6], p. 26 en 32; [getuige 7],

p. 41, [getuige 7], p. 67, [getuige 19], p. 104, [getuige 9], p. 129, [getuige 10], p. 138, [getuige 1],

p. 178, en [getuige 14], p. 194,

van de bijlage getuigenverklaringen.

8 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 11, [getuige 6], p. 26 en 31, [getuige 7], p. 41,

[getuige 8], p. 88, [getuige 9], p. 129, [getuige 10], p. 138, [getuige 11], p. 150,

[getuige 12], p. 156, [getuige 1], p. 178, en [getuige 14], p. 194,

van de bijlage getuigenverklaringen.

9 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 11, [getuige 5], p. 18, [getuige 8], p. 88, [getuige 9], p. 129, [getuige 10], p. 138, [getuige 11], p. 150, [getuige 12], p. 156, [getuige 1], p. 178,

en [C], p. 213,

van de bijlage getuigenverklaringen.

10 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 6], p. 26 en 32, [getuige 7], p. 67, [getuige 12], p. 156,

en [getuige 1], p. 179, van de bijlage getuigenverklaringen.

11 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 12, [getuige 5], p. 18, [getuige 7], p. 41, [getuige 8],

p. 88, [getuige 20], p. 99, [getuige 19], p. 105, [getuige 9], p. 130, [getuige 10], p. 138,

[getuige 11], p. 150, [getuige 12], p. 156, [getuige 21], p. 161, [getuige 1], p. 178, [getuige 14], p. 194, en

[C], p. 213,

van de bijlage getuigenverklaringen.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 179 en 180, van de bijlage getuigenverklaringen.

13 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 12, [getuige 7], p. 41, [getuige 4], p. 109,

[getuige 9], p. 129, [getuige 12], p. 156, en [getuige 14], p. 194,

van de bijlage getuigenverklaringen.

14 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 7], p. 66, [getuige 19], p. 105, en [C], p. 213,

van de bijlage getuigenverklaringen.

15 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 2], p. 220, en [getuige 3], p. 203,

van de bijlage getuigenverklaringen.

16 Processen-verbaal van verhoor getuigen [getuige 15], p. 12, [getuige 7], p. 41, [getuige 9], p. 130,

[getuige 12], p. 156, [getuige 3], p. 203, [C], p. 213, en [getuige 2], p. 220,

van de bijlage getuigenverklaringen.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], p. 110, van de bijlage getuigenverklaringen.

18 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 januari 2012, zaaknummer

2011.12.23.113, opgesteld door rapporteur A. Maes, p. 125-126, van de bundel met het opschrift

Bijlagenlijst.

19 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 april 2012, zaaknummer 2011.12.23.113,

opgesteld door rapporteur ing. S.B.C.G. Chang, p. 213, van de bundel met het opschrift

Bijlagenlijst.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 179 en 180, van de bijlage getuigenverklaringen.

21 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, p 214-215, van de bundel met het opschrift

Bijlagenlijst.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte inbewaringstelling van 2 januari 2012: "Het wapen was

volgens mij een kleine revolver. Ik denk dat omdat er iets ronds aanzat."

23 Proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, p. 16-26, van de bundel met het opschrift

Bijlagenlijst.