Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8818

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/28507
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlengingsbesluit

Allereerst heeft verweerder aan het bestreden besluit niet ten grondslag kunnen leggen dat ondanks zijn redelijke inspanningen, de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat het voor verweerder al vanaf

10 april 2012 mogelijk was om van de Liberiaanse autoriteiten de voor eiser benodigde reisdocumentatie te verkrijgen.

Verweerder heeft evenmin aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat eisers uitzetting meer tijd zal vergen omdat hij na zijn inbewaringstelling een procedure ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen. In dat verband is allereerst van belang dat eiser zijn aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning niet pas heeft ingediend nadat hij klaar was om uitgezet te worden. Daarnaast heeft eiser blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting reeds in 2010 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van zijn medische situatie, maar is deze aanvraag destijds buiten behandeling gesteld vanwege het niet kunnen voldoen van de legeskosten. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat eiser begin 2012, en daarmee voorafgaand aan zijn inbewaringstelling, voor een aantal intakegesprekken is gezien door een psychiater. Eisers huidige gemachtigde heeft hierover ter zitting verklaard dat de toenmalige gemachtigde van eiser vanaf begin 2012 doende was alle benodigde informatie te verzamelen ten behoeve van een op handen zijnde aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in verband met de medische behandeling van eiser, maar dat het daar toen niet van is gekomen omdat eiser reeds begin maart 2012 in bewaring is gesteld. Verweerder heeft dit niet bestreden.

Ten overvloede wijst de rechtbank, gelet op de uitspraak van Afdeling van 28 augustus 2012

(LJN: BX6309), verweerder erop dat de omstandigheid dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op korte termijn kan worden uitgezet, ingevolge artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 evenmin grond biedt voor het verlengen van de duur van de maatregel.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 28507

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).

Procesverloop

Op 10 maart 2012 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder, gelet op het artikel 59 van de Vw 2000 in het licht van het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn), de termijn van bewaring met ingang van 6 september 2012 met ten hoogste twaalf maanden verlengd.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarna verweerder een voortgangsrapportage heeft ingezonden. Eiser heeft daarop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012. Eiser is door middel van telehoren gehoord in het Detentiecentrum te Rotterdam. Eisers gemachtigde was daar ook aanwezig. Als tolk was daar eveneens aanwezig S. Huiberts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] en van Liberiaanse nationaliteit.

2. De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring laatstelijk bij uitspraak van 17 augustus 2012 (AWB 12 / 24314) ongegrond is verklaard en daarmee het voortduren van de bewaring tot het sluiten van het onderzoek ter zitting in de vorige procedure op 15 augustus 2012, rechtmatig is geacht.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring met ten hoogste twaalf maanden mag worden verlengd op de grond dat eisers uitzetting meer tijd zal vergen, omdat hij na zijn inbewaringstelling een procedure ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen. Verweerder heeft geconcludeerd dat ondanks zijn redelijke inspanningen de nodige documentatie op zich laat wachten. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op korte termijn verwijderd wordt.

4. Eiser heeft in beroep bestreden dat hij een verblijfsprocedure is gaan voeren met het kennelijke doel uitzetting of verkrijging van een reisdocument te vertragen. Eiser heeft in dat verband verwezen naar zijn medische problematiek. Verder heeft verweerder op

10 april 2012 bericht ontvangen dat voor eiser een laissez-passer (LP) afgegeven kan worden zodat geen sprake is van het niet meewerken aan het verkrijgen van een reisdocument, aldus eiser.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 duurt de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 niet langer dan zes maanden. Artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 strekt tot omzetting van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Ingevolge artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 kan de bewaring ten hoogste

met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. Deze bepaling strekt tot omzetting van artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

7. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven op grond van het navolgende.

8. Allereerst heeft verweerder aan het bestreden besluit niet ten grondslag kunnen leggen dat ondanks zijn redelijke inspanningen, de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat eisers Liberiaanse nationaliteit reeds in 2010 is vastgesteld, en dat verweerder op

10 april 2012 bericht van de LP-afdeling heeft ontvangen dat voor eiser een LP kan worden afgegeven. Voor verweerder was het dan ook al vanaf 10 april 2012 mogelijk om van de Liberiaanse autoriteiten de voor eiser benodigde reisdocumentatie te verkrijgen.

9. Verweerder heeft evenmin aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat eisers uitzetting meer tijd zal vergen omdat hij na zijn inbewaringstelling een procedure ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen. In dat verband is allereerst van belang dat, anders dan verweerder aanvankelijk ter zitting heeft gesteld, eiser zijn aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning niet pas heeft ingediend nadat hij klaar was om uitgezet te worden. Ten tijde van de aanvraag van eiser was verweerder immers nog niet in het bezit van een LP. Daarnaast heeft eiser blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting reeds in 2010 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van zijn medische situatie, maar is deze aanvraag destijds buiten behandeling gesteld vanwege het niet kunnen voldoen van de legeskosten. Tevens blijkt uit de gedingstukken dat eiser begin 2012, en daarmee voorafgaand aan zijn inbewaringstelling, voor een aantal intakegesprekken is gezien door psychiater B. Drozdek van de Reinier van Arkelgroep te

’s-Hertogenbosch. Eisers huidige gemachtigde heeft hierover ter zitting verklaard dat de toenmalige gemachtigde van eiser vanaf begin 2012 doende was alle benodigde informatie te verzamelen ten behoeve van een op handen zijnde aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in verband met de medische behandeling van eiser, maar dat het daar toen niet van is gekomen omdat eiser reeds begin maart 2012 in bewaring is gesteld. Verweerder heeft dit niet bestreden. Gezien voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiser een procedure ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren, enkel met het kennelijk doel zijn uitzetting te vertragen.

10. Ten overvloede wijst de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2012 (LJN: BX6309), verweerder erop dat de omstandigheid dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op korte termijn kan worden uitgezet, ingevolge artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 evenmin grond biedt voor het verlengen van de duur van de maatregel.

11. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd met artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is genomen. De rechtbank zal op grond van artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 in samenhang met het vierde lid van dat artikel het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Nu blijkens het bestreden besluit de termijn van bewaring met ten hoogste twaalf maanden is verlengd vanaf

6 september 2012, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring met ingang van die dag onrechtmatig is te achten. Ingevolge voormelde bepalingen beveelt de rechtbank dan ook de opheffing van de bewaring.

12. Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt. Artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge laatstbedoelde bepaling heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

13. Op grond van het vorenstaande komt eiser over de periode van 6 september 2012 tot 26 september 2012 (20 dagen) schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 20 x € 80,= is € 1.600,=. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot matiging van dit bedrag over te gaan, nu niet is gebleken dat van de zijde van eiser sprake is geweest van frustratie van zijn verwijdering.

11. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 874,= voor kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting;

waarde per punt € 437,= met wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder ten bedrage van € 1.600,=;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,= te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M.A. Akkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.

w.g. mr. M.M.A. Akkers,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.600,= (ZEGGE: ZESTIENHONDERD EURO).

Aldus gedaan op 26 september 2012 door mr. M.C.M. Hamer.

Afschrift verzonden aan partijen op: 26 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.