Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8705

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/26428
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 6 van Richtlijn 2004/38/EG. De vreemdeling beschikt over een geldig paspoort. De echtgenote van de vreemdeling heeft te kennen gegeven bereid en in staat te zijn zich bij de vreemdeling te voegen om verder met hem in Nederland en Belgie te verblijven. Vanaf dat moment is de maatregel van bewaring onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/26428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2012, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[vreemdeling], V-nummer [a],

(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Op 17 augustus 2012 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2012. De vreemdeling heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst in afwachting van een nadere reactie van verweerder. Bij faxbericht van 3 september 2012 heeft de gemachtigde van verweerder schriftelijk een nadere reactie aan de rechtbank en de gemachtigde van de vreemdeling doen toekomen. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hierop bij faxbericht van

3 september 2012 gereageerd. Beide partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1 De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1976 en de Egyptische nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2012 waarbij de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat hij op grond van artikel 6 van de Richtlijn 2004/38 EG vanaf 24 augustus 2012 rechtmatig verblijf in Nederland had, aangezien hij beschikt over een geldig paspoort en zijn Poolse echtgenote zich vanaf 24 augustus 2012 in Nederland bevond en hij zich vanaf dat moment bij haar wilde voegen. De vreemdeling erkent dat de bewaring rechtmatig is geweest tot en met 23 augustus 2012, maar stelt zich op het standpunt dat de inbewaringstelling vanaf 24 augustus 2012 onrechtmatig is en verzoekt vanaf die datum dan ook om schadevergoeding.

3 Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6 van Richtlijn 2004/38/EG hebben burgers van de Unie het recht om gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is dit eveneens van toepassing op familieleden die niet de nationaliteit van de lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen en in het bezit zijn van een geldig paspoort.

Niet in geschil is dat de vreemdeling in het bezit is van een geldig paspoort. Voorts bevindt zich bij de stukken een kopie van de gelegaliseerde huwelijksakte waaruit het huwelijk tussen de vreemdeling en zijn Poolse echtgenote blijkt.

Blijkens de fax van verweerder van 3 september 2012 stelt verweerder zich primair op het standpunt dat de enkele stelling dat de partner van de vreemdeling op 24 augustus 2012 te kennen heeft gegeven zich bij de vreemdeling te willen voegen niet afdoende is, aangezien niet middels objectieve, verifieerbare bescheiden aangetoond is dat zij zich op die datum daadwerkelijk in Nederland bevond. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van

24 juli 2009, 200903992/1/V3, subsidiair op het standpunt dat indien moet worden aangenomen dat bij brief van 27 augustus 2012 zou zijn aangetoond dat de vreemdeling als familielid van een burger van de Europese Unie moet worden aangemerkt, de bewaring eerst op die dag onrechtmatig zou zijn geworden. Nu echter de bewaring op 27 augustus 2012 is opgeheven, is verweerder van mening dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de primaire stelling van verweerder overweegt de rechtbank dat zowel uit de fax van de gemachtigde van de vreemdeling aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) Schiphol van 24 augustus 2012 als uit de verklaring van de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting is gebleken dat de echtgenote van de vreemdeling op 24 augustus 2012 op het kantoor van de gemachtigde langs is geweest en dat deze aldaar een (kleuren) kopie van haar geldige Poolse paspoort heeft gemaakt. Bij genoemde fax van 24 augustus 2012 is deze kopie naar DT&V Schiphol gestuurd. In deze fax is namens de vreemdeling expliciet een beroep op artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 /EG gedaan en is vermeld dat de echtgenote van de vreemdeling zich thans bij hem voegt om met hem verder in Nederland en België te verblijven, om te beginnen voor korte duur. Tevens is in de fax vermeld dat de echtgenote van de vreemdeling bereid en in staat is om heden naar het Detentiecentrum Schiphol te reizen om haar echtgenoot daar af te halen zodat zij zich bij elkaar kunnen voegen. De rechtbank is met de vreemdeling van oordeel dat door middel van het bovenstaande is aangetoond dat de echtgenote van de vreemdeling zich op 24 augustus 2012 in Nederland bevond. De rechtbank passeert derhalve het primaire standpunt van verweerder.

Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank voorts het subsidiaire standpunt van verweerder. Anders dan verweerder stelt is immers niet pas op 27 augustus 2012, maar reeds op 24 augustus 2012 aangetoond dat aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG werd voldaan. Immers, op die datum stond vast dat de vreemdeling beschikte over een geldig paspoort en gehuwd was met zijn Poolse echtgenote, terwijl voorts, zoals hierboven is overwogen, is aangetoond dat de echtgenote van de vreemdeling op die datum in Nederland was en zich bij hem wilde voegen voor een kort verblijf in Nederland en België. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder redelijkerwijs de gelegenheid moet worden geboden om hetgeen namens de vreemdeling was gesteld te verifiëren. Gelet hierop acht de rechtbank de maatregel van bewaring met ingang van

25 augustus 2012 onrechtmatig.

5 Het beroep is derhalve gegrond.

6 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 2 x € 80,-- = € 160,--.

7 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 160,-- ten laste van verweerder, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-- welke kosten verweerder aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).