Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8693

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
426189 KG ZA 12-931
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat hij de huurovereenkomst heeft voortgezet omdat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Gedaagde beschikt niet over een huisvestingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 426189 / KG ZA 12-931

Vonnis in kort geding van 28 september 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Zuidplas,

zetelend te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.M. Goeman te Woerden,

tegen:

[X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.C. Blom te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als de gemeente en [X].

1. De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 september 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De gemeente, althans haar rechtsvoorgangster, heeft met ingang van 1 juni 1996 een huurovereenkomst gesloten met [Y], de moeder van [X], ten aanzien van de eengezinswoning aan de [adres] (hierna ook: de woning) te [plaats].

1.2. Per 16 april 2010 heeft [X] zich op voornoemd adres laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente (GBA).

1.3. Bij (verstek)vonnis van 23 september 2010 van deze rechtbank, Sector kanton-Locatie Gouda, heeft de kantonrechter voormelde huurovereenkomst ontbonden. Daarbij is [Y] onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.711,03 aan huurachterstand aan de toen eisende partij, de gemeente [plaats].

1.4. [Y] is op 5 april 2012 overleden.

1.5. Bij brief van 22 juni 2012 heeft gerechtsdeurwaarder Van Oudenaarden & Partners, namens de gemeente, [X] gecondoleerd met het overlijden van zijn moeder. Daarbij is gerefereerd aan het ontbindingsvonnis van 23 september 2010 en is bericht dat ontruiming van de woning door verschillende omstandigheden nog niet heeft plaatsgevonden. Ook is daarbij meegedeeld dat [X] thans zonder recht of titel in de woning verblijft en is hij gesommeerd de woning uiterlijk 6 juli 2012 te verlaten en leeg achter te laten.

1.6. Bij brief van 25 juni 2012 heeft de raadsman van [X] de gerechtsdeurwaarder geantwoord bezwaar te maken tegen de acties die de gemeente tegen hem onderneemt. Daarbij heeft hij onder meer bericht dat hij in 2010 zijn huurwoning in [plaats 2] heeft opgezegd om bij zijn moeder te komen wonen om haar te verzorgen en dat hij van een baliemedewerkster van de gemeente te horen kreeg dat hij in de woning zou kunnen blijven wonen als zijn moeder iets overkwam. Ook is in de brief vermeld dat [X] in de woning is opgegroeid, dat zijn moeder er vanaf de bouw (omstreeks 1952) heeft gewoond, dat [X] meer dan twee jaar lang een duurzame huishouding met zijn moeder in de woning heeft gevoerd, dat zijn financiële situatie toereikend is om de huidige huur (circa € 315,--) te betalen en dat hij er samen met zijn partner wil gaan wonen.

1.7. Bij brief van 28 juni 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder [X] onder meer geantwoord dat de gemeente ontkent dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat [Y] reeds op 24 november 2011 is ingeschreven in een verzorgingshuis in [plaats] en zij in 2010 ook al tijdelijk is opgenomen in zorgcentrum [verpleeghuis]. Daarbij is [X] aangezegd de woning uiterlijk 6 juli 2012 te verlaten.

1.8. Bij brief van 10 juli 2012 heeft de raadsman van [X] de gerechtsdeurwaarder onder meer bericht dat de periodes waarin de moeder van [X] in het verzorgingshuis en/of het ziekenhuis is opgenomen geweest, niet zo lang zijn geweest dat er geen sprake zou zijn geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sinds april 2010. Daarbij is nogmaals verzocht om toe te staan dat [X] de woning huurt en blijft huren.

1.9. Bij brief van 24 juli 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder onder meer geantwoord dat de gemeente [X] geen medehuurderschap zal verlenen, dat [X] niet beschikt over een huisvestingsvergunning en dat het zeer de vraag is of hij daarvoor in aanmerking komt. Daarbij is meegedeeld dat de woning volgens de Huisvestingsverordening van de gemeente door minimaal twee personen dient te worden bewoond en dat [X] als alleenstaande dus niet voor de woning in aanmerking komt. In de brief is [X] nogmaals gesommeerd de woning te verlaten.

1.10. Op basis van een aangifte van adreswijziging is met ingang van 11 september 2012 [Z], partner van [X], ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] (het adres van de woning).

2. Het geschil

In conventie

2.1. De gemeente vordert - zakelijk weergegeven - ontruiming van de woning binnen zeven dagen na dit vonnis.

2.2. Daartoe voert de gemeente onder meer het volgende aan.

[X] woont zonder recht of titel in de woning. De huurovereenkomst tussen de gemeente en [Y] was al ontbonden en overigens voldoet [X] niet aan de wettelijke eisen zoals neergelegd in artikel 7:268 lid 2 en 3 Burgerlijk Wetboek (BW) inzake het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en het beschikken over een huisvestingsvergunning. Als er al sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding van [X] met zijn moeder [Y], moet dit van korte duur zijn geweest. [Y] is kort nadat [X] bij haar was ingetrokken vertrokken naar verpleeghuis [verpleeghuis] in [plaats 3]. Vandaar is zij rechtstreeks op 23 augustus 2011 naar Zorgcentrum [zorgcentrum] gegaan.

2.3. [X] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

In reconventie

2.4. [X] vordert -zakelijk weergegeven- te bepalen dat [X] de huurovereenkomst voor de woning mag blijven voortzetten en te bepalen dat de gemeente aan [X] een huisvestingsvergunning dient te verlenen.

2.5. Daartoe voert [X] onder meer het volgende aan.

Op basis van artikel 7:268 lid 2 BW maakt [X] aanspraak op voortzetting van de huur. [X] heeft met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Hij heeft de huur voortgezet gedurende zes maanden na haar overlijden. Mede gelet op mededelingen van een baliemedewerkster van de gemeente is er sprake van opgewekt vertrouwen dat [X] in de woning mocht blijven wonen. Voor zover er sprake is geweest van een ontbonden huurovereenkomst, geldt dat die overeenkomst weer is herleefd nu de gemeente geen actie heeft ondernomen en met renovatieplannen [X], althans zijn moeder, heeft benaderd. Aan [X] dient een huisvestingsvergunning te worden verstrekt omdat [X] en zijn partner voldoen aan de in de Huisvestingswet gestelde criteria. In ieder geval wenst [X] een ontruimingstermijn van minimaal een maand zodat hij alternatieve woonruimte kan zoeken.

2.6. De gemeente heeft de vordering van [X] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal haar verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

3.1. Omdat de conventionele en de reconventionele vordering zeer met elkaar samenhangen zullen zij hierna gezamenlijk worden behandeld.

3.2. Partijen zijn het niet met elkaar eens over de vraag of [X] met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. In dat verband heeft de gemeente een e-mail van 18 september 2012 in het geding gebracht van Zorgcentrum [zorgcentrum] waarin wordt verklaard dat [Y] rechtstreeks vanuit verpleeghuis [verpleeghuis] naar [zorgcentrum] is gekomen en dat zij op 23 augustus 2011 definitief in [zorgcentrum] is komen wonen. Deze verklaring ondersteunt het standpunt van de gemeente dat er in deze zaak geen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Maar zelfs indien uitgegaan zou kunnen worden van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is ingevolge de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:268 lid 3 BW doorslaggevend of [X] beschikt over een huisvestingsvergunning. In lid 3 van dit artikel staat expliciet vermeld dat de rechter de vordering die ziet op voortzetting van de huur in ieder geval afwijst indien niet is voldaan aan drie limitatief vermelde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn -kort gezegd- het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, financiële gegoedheid en het beschikken over een huisvestingsvergunning.

3.3. Vaststaat dat [X] niet beschikt over een huisvestingsvergunning. De gemeente heeft als verweer tegen de vordering van [X] dat hem een huisvestingsvergunning verstrekt moet worden, aangevoerd dat deze vordering een verklaring voor recht vraagt die in een voorlopige procedure niet kan worden gegeven. Daarbij heeft de gemeente er onweersproken op gewezen dat [X] de vergunning nog niet via de gebruikelijke weg heeft aangevraagd en dat de gemeente een dergelijke aanvraag aan de toepasselijke normen zal moeten toetsen. [X] heeft dit verweer van de gemeente niet met kracht van argumenten kunnen weerleggen. Een en ander leidt tot de conclusie dat de reconventionele vordering van [X] inzake het verlenen van een huisvestingsvergunning moet worden afgewezen. Mede gelet op het onder 3.2. overwogene dient de vordering van de gemeente te worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. Dit brengt met zich dat de vordering van [X] inzake het voortzetten van de huurovereenkomst afgewezen moet worden. De stelling van [X] dat er sprake is van opgewekt vertrouwen kan hem niet baten. De gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat baliemedewerksters geen toezeggingen kunnen doen over het verlenen van medehuurderschap. De stelling van [X] dat ten gevolge van de renovatieplannen bij hem verwachtingen zijn gewekt, miskent dat het beschikken over een huisvestingsvergunning een noodzakelijke voorwaarde is voor het huurrecht betreffende de woning. Er is aanleiding voor het bepalen van een wat langere ontruimingstermijn dan gevorderd.

3.4. [X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

veroordeelt [X] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels, met al het zijne en de personen die zich zijdens [X] in voormelde woning verblijven, en het pand leeg en ter vrije beschikking van de gemeente te stellen;

veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.481,64, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 575,-- aan griffierecht en € 90,64 aan dagvaardingskosten;

veroordeelt [X] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de gemeente begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.

AB