Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8657

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
425982 / KG ZA 12-921
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Familierecht. De man (woonachtig in Frankrijk) vordert in kort geding de afgifte van de minderjarigen aan hem. De vrouw (woonachtig in Nederland) is vanuit Frankrijk met de minderjarigen naar Nederland gereisd. De man stelt dat de vrouw de minderjarigen onrechtmatig heeft meegenomen naar Nederland en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in Frankrijk is. De vordering is gebaseerd op het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De voorzieningenrechter overweegt kort gezegd dat naar haar oordeel de tekst van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet niet met zich brengt dat in deze zaken de procedure tot afgifte of teruggeleiding evenals bij de kinderrechter bij de voorzieningenrechter in kort geding kan worden gevoerd. Met de verwijzing naar de bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt verwezen naar de wettelijke bevoegdheid zoals vermeld in artikel 254 Rv. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een spoedeisend belang i.c. geen sprake is. De procedure bij de kinderrechter is een procedure waarin op een aanvaardbare termijn een beslissing kan worden verkregen, welke procedure bovendien met veel waarborgen, onder meer ten aanzien van het belang van het kind, is omgeven. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkomst van een dergelijke procedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Daar komt nog bij dat de feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek toewijsbaar is, geenszins tussen partijen vaststaan. Een nader onderzoek naar die feiten en omstandigheden is noodzakelijk, maar voor een dergelijk onderzoek leent de procedure in kort geding zich niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 425982 / KG ZA 12-921

Vonnis in kort geding van 31 augustus 2012

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

eiser,

advocaat mr. J.W. Leseman te Tilburg,

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.L. Daniels-Vetter te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de man' en 'de vrouw'.

1. Procesverloop

De man heeft de vrouw op 24 augustus 2012 doen dagvaarden om op 30 augustus 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 31 augustus 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 30 augustus 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Partijen zijn op [datum van het huwelijk] 2007 te [plaats vand e huwelijksvoltrekking] in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren (hierna gezamenlijk: de minderjarigen):

- [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats 1];

- [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats 2].

2.2. Het gezin heeft vanaf 2006 in Frankrijk gewoond. Na beƫindiging van de relatie heeft de man de gezamenlijke woning in februari 2012 verlaten en is hij bij zijn moeder gaan wonen in Lauris (Frankrijk). De vrouw is met de minderjarigen in de gezamenlijke woning in Frankrijk blijven wonen.

2.4. De vrouw is op 23 juni 2012 met de minderjarigen naar Nederland vertrokken.

2.5. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank alsmede een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Bij beschikking van 19 juli 2012 van deze rechtbank heeft deze zich onbevoegd verklaard van de verzoeken van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen kennis te nemen.

2.6. De man heeft bij de rechtbank in Avignon te Frankrijk eveneens een verzoek tot echtscheiding alsmede een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend, welke verzoeken op 9 oktober 2012 zullen worden behandeld.

2.7. De man heeft op 15 juli 2012 omgang gehad met de minderjarigen in Nederland en heeft hen daarna meegenomen naar Frankrijk. Partijen hebben vervolgens in onderling overleg afspraken gemaakt over de zomervakantie 2012 en zijn overeengekomen dat de man de minderjarigen op 24 juli 2012 aan de vrouw zou meegeven. Partijen hebben geen afspraken gemaakt over het verblijf van de minderjarigen na de vakantie.

2.8. De man heeft de minderjarigen op 24 juli 2012 aan de vrouw meegegeven. De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw in Blaricum.

3. Het geschil

3.1. De man vordert - zakelijk weergegeven - te gelasten dat de vrouw de minderjarigen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis afgeeft aan de man, zodat de man de minderjarigen terug kan brengen naar Frankrijk, ofwel de kinderen terugbrengt dan wel laat terugbrengen naar de man op zijn woonadres in Frankrijk, op straffe van een dwangsom.

3.2. Daartoe voert de man het volgende aan. De minderjarigen zijn opgegroeid in Frankrijk en hebben daar hun hoofdverblijfplaats. In de beslissing van deze rechtbank van 19 juli 2012 is bovendien overwogen dat de minderjarigen, die op dat moment in Nederland verbleven, hun gewone verblijfsplaats hebben in Frankrijk (waarbij de man kennelijk doelt op de passage waarin is overwogen dat partijen het er over eens zijn dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Frankrijk gelegen was). De vrouw kon niet zonder toestemming van de man de verblijfplaats van de kinderen wijzigen. Nu dit wel is gebeurd, is sprake van kinderontvoering in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). Partijen zijn overeengekomen dat de man de minderjarigen op 24 juli 2012 aan de vrouw zou meegeven en dat de vrouw bij terugkomst van de vakantie de minderjarigen op 8 augustus bij de man zou brengen. De man is zijn gedeelte van deze afspraak nagekomen. De vrouw heeft de minderjarigen echter niet teruggebracht. De vrouw heeft de man op 9 augustus 2012 meegedeeld dat zij met de minderjarigen in Nederland zou blijven. De vrouw handelt in strijd met het gezagsrecht van de man door de minderjarigen, thans voor de tweede keer, over te brengen naar Nederland. De man is in staat om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op zich te nemen en zijn woonomgeving is hier ook geschikt voor. De man heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering nu de school van de minderjarigen in Frankrijk op 3 september 2012 begint. De man wijst daarbij in het bijzonder op de belangen van Maartje.

3.3. De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Ter beoordeling staat de vordering van de man strekkende tot afgifte van de minderjarigen aan hem. De vrouw voert tot haar verweer onder meer aan dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in kort geding, nu er een snelle met meer waarborgen omklede bodemprocedure opstaat. Daar komt bij dat de man al in april 2012 door de vrouw op de hoogte is gesteld van haar voornemen met de minderjarigen naar Nederland te verhuizen en de minderjarigen ook naar school kunnen in Nederland, aldus steeds de vrouw.

4.2. Naar voorlopig oordeel slaagt dit verweer. De man kan, bij de Centrale Autoriteit of bij deze rechtbank, een teruggeleidingsprocedure aanhangig maken. Die procedure is een met voldoende waarborgen omklede procedure, waarin op korte termijn een beslissing kan worden verkregen. Weliswaar is, gelijk de man ook stelt, in artikel 11 van Uitvoeringswet bepaald dat de voorzieningenrechter in kort geding in dit soort zaken onverminderd bevoegd is naast de kinderrechter, maar dat houdt niet als vanzelfsprekend in dat de man ook een spoedeisend belang heeft bij het verkrijgen van een uitspraak in deze procedure. In kort geding zal tenminste aannemelijk moeten worden gemaakt dat een onverwijld ingrijpen noodzakelijk is. Een dergelijke noodzaak is echter onvoldoende gesteld of gebleken. Voor zover de man betoogt dat die noodzaak aanwezig is omdat het schooljaar in Frankrijk begint op 3 september 2012 en dat de minderjarigen dan in Frankrijk moeten zijn, kan dit niet slagen. De minderjarigen kunnen ook in Nederland naar school en staan ook reeds ingeschreven op een school. Voorts leidt de omstandigheid dat de man niet, zoals voorheen in Frankrijk, regelmatig contact heeft met de minderjarigen evenmin tot een ander oordeel, hoe zeer ook begrijpelijk is dat de man een zo spoedig mogelijke hereniging met de minderjarigen wenst.

4.3. Een en ander klemt temeer nu in wezen ter beoordeling ligt de vraag of het verblijf van de minderjarigen bij de vrouw als rechtmatig dient te worden aangemerkt, dan wel of sprake is van een gegronde reden voor de vrouw om de minderjarigen bij zich te houden, bijvoorbeeld op grond van een van de weigeringsgronden ingevolge het HKOV. Gelet op de aard en de complexiteit van deze problematiek en het belang van de minderjarigen, gaat de beoordeling van deze vraag het kader van een kort geding procedure te buiten, nu in deze procedure enkel ordemaatregelen kunnen worden genomen. In de teruggeleidingsprocedure kan uitgebreider worden onderzocht of teruggeleiding van de minderjarigen aan de orde is, bijvoorbeeld door de minderjarigen te horen of door de weigeringsgronden, waarop eventueel een beroep wordt gedaan te onderzoeken. Ook kan daarin een (spoed)onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming worden gevraagd. De voorzieningenrechter acht het dan ook in dit stadium onwenselijk en niet in het belang van de minderjarigen om door beoordeling van de vordering van de man een voorschot te nemen op de teruggeleidingsprocedure, waarin het belang van de minderjarigen beter kan worden gewaarborgd en waarin op aanvaardbare termijn uitsluitsel kan worden verkregen.

4.4. Voorshands oordelend is een kort gedingvonnis met een bevel tot afgifte van de minderjarigen dan ook niet de aangewezen weg, althans niet op dit moment. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de in dit kort geding gevorderde afgifte van de minderjarigen dient te worden afgewezen.

4.5. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2012.

sb