Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
10/661226-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal misdrijven, gericht tegen de zeden van minderjarigen. Gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftij van 2 jaar, als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en het volgen van behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 10/661226-10

Datum uitspraak: 27 september 2012

(Verkort vonnis)

De rechtbank Rotterdam, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 september 2012.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.E. Borgman, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de stichting Reclassering Nederland, ressort Rotterdam.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerd voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 2 genummerd voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De officier van justitie heeft ten slotte geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.

Vrijspraak en partiële vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij gewijzigde dagvaarding onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken dat de aan de verdachte onder feit 1 verweten handelingen in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden.

De rechtbank acht voorts, op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van het voorhanden hebben van kinderpornografische afbeeldingen een gewoonte heeft gemaakt, hetgeen verdachte onder 4, laatste volzin is ten laste gelegd en zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit dat, naar het oordeel van de rechtbank, het tonen van het ontblote geslachtsdeel voor de webcam en het vervolgens verzenden van die beelden via de computer valt onder de delictsomschrijving van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht, nu immers door die handelwijze een afbeelding van de realiteit wordt weergegeven door middel van een technisch hulpmiddel. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat het, nu de wetgever juist heeft beoogd met deze bepaling personen beneden de leeftijd van zestien jaar te beschermen tegen de ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van de confrontatie met dergelijke beelden, niet in de rede ligt deze bepaling restrictief uit te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank valt derhalve de aan de verdachte onder feit 6 verweten handelwijze onder deze delictsomschrijving en kan dit feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal misdrijven, gericht tegen de zeden van minderjarigen.

Zo heeft hij zich schuldig gemaakt aan kinderpornografie, door twaalf foto's, waarop seksuele gedragingen van minderjarigen zijn afgebeeld, in zijn bezit te hebben.

Het bezit van dergelijk materiaal is buitengewoon verwerpelijk, onder meer omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen daadwerkelijk seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen, die daar het slachtoffer van zijn geworden, groot risico lopen om daar hun leven lang ernstige (psychische) gevolgen van te ondervinden. Met het handelen van verdachte wordt dergelijk misbruik in stand gehouden en zelfs aangewakkerd.

Verdachte heeft zich hierdoor kennelijk niet laten weerhouden en zijn eigen behoeften voorop gesteld. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft voorts gedurende een periode van ruim een jaar een vijftienjarige jongen gedwongen om via de webcam en de computer aan hem screens te laten zien en met hem af te spreken. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij er daarbij niet voor terugdeinsde om tegenover het slachtoffer te dreigen dat hij de seksuele geaardheid van het slachtoffer aan diens hele familie openbaar zou maken. Ook heeft verdachte het slachtoffer onder druk gezet door te zeggen dat hij hem niet met rust zou laten als het slachtoffer verdachte niet zou ontmoeten.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het seksueel corrumperen van een jongen van elf jaar door via een webcamverbinding op een voor deze jongen duidelijk zichtbare wijze zijn, verdachte's, ontblote geslachtsdeel af te trekken.

Daarmee heeft verdachte zich jegens het minderjarige slachtoffer schuldig gemaakt aan het feit dat sinds 1 januari 2010 is strafbaar gesteld in artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel strekt ertoe minderjarigen te beschermen en scheefgroei in de seksuele en persoonlijke ontwikkeling tegen te gaan. Ook heeft verdachte door middel van chatcontacten via MSN met hetzelfde slachtoffer een ontmoeting afgesproken, met de intentie om met deze jongen te zoenen. Deze ontmoeting heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden.

Via een webcamverbinding heeft verdachte voorts nog aan twee andere jongens van tien en elf jaar zijn ontblote geslachtsdeel laten zien. Confrontatie met dergelijke beelden kan een ongewenste beïnvloeding van jeugdige personen tot gevolg hebben. Dit kan schadelijk zijn voor hun ontwikkeling en zij dienen hier dan ook tegen beschermd te worden.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich bij het plegen van deze feiten slechts heeft laten leiden door zijn behoefte om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen en daarbij op geen enkele wijze stil heeft gestaan bij de impact die zijn handelen op de jonge slachtoffers had, noch bij de (mogelijk) negatieve gevolgen van zijn handelen voor de jonge slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 31 juli 2012. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 24 oktober 2010, van het psychologisch onderzoek betreffende de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. R. Zwaan, psycholoog.

Blijkens dit rapport is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van ADHD en vertoont verdachte daarnaast trekken van een antisociale persoonlijkheid. Verdachte wordt als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Geadviseerd wordt om verdachte in de gelegenheid te stellen een psychotherapeutische behandeling te volgen die de kans op een ongewenste psychoseksuele ontwikkeling negatief beïnvloedt. Dit kan gebeuren door middel van een ambulante behandeling, bijvoorbeeld door "Het Dok". Deze mogelijkheid kan worden geboden door verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat hij de opgelegde behandeling zal volgen, aldus het rapport.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemd rapport en zal het gegeven advies opvolgen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland betreffende verdachte van 15 december 2010, opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker, en mede ondertekend door [leidinggevende], leidinggevende. In dit rapport wordt geadviseerd aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 6 september 2012, ondertekend door [reclasseringswerker], reclasseringswerker.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is.

Om de behandeling en begeleiding van de verdachte zeker te stellen en als extra waarborg om delictgedrag in de toekomst te voorkomen, zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde aan de verdachte opleggen dat hij zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de stichting Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een meldingsgebod en het volgen van behandeling.

Hoewel de rechtbank, in tegenstelling tot hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen aanleiding is voor oplegging van een lichtere straf dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder de ernst en de hoeveelheid van de door verdachte gepleegde feiten in aanmerking.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerd voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het onder 4 bewezen verklaarde feit is begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genummerd voorwerp.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 100,-.

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu de verdachte deze niet heeft betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 100,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 33, 33a, 57, 240a, 240b, 248d, 248e en 284 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 4 ten laste gelegde, voor zover dit betreft het onderdeel "van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt", heeft begaan en spreekt de verdachte van dit onderdeel vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder

2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

feit 2 primair:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

feit 3:

met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, welk voorstel tot ontmoeting is gevolgd door enige handeling gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting;

feit 4:

afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben;

feit 5:

een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

feit 6:

een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, aanbieden aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Rotterdam, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en het volgen van behandeling;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerd voorwerp, te weten: 1.00 STK Computer, DELL C521, goedcode [code];

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 2 genummerd voorwerp, te weten: 1.00 STK GSM zaktelefoon, APPLE i Phone, goedcode [code];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij] een bedrag van € 100,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, voorzitter,

mrs W.A.G.J.W. Ferenschild en M. Rootring, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coskun, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank te 's-Gravenhage van

27 september 2012.

mr. Timmermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.