Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
AWB 12_13104
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1618, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hazara, toerekenbaar ongedocumenteerd, relaas geloofwaardig, problemen eerwraak, rapport Maley december 2011, passage inzake risico Hazara's in het algemeen ambtsbericht juli 2012 onvoldoende inzichtelijk, beroep gegrond

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Middelburg

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/13104

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank in de zaak tussen

[naam eiser],

eiser,

gemachtigde mr. J.C.A. Koen,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 22 maart 2012 (hierna: het bestreden besluit) waarbij zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen en tevens is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012.

Eiser is ter zitting verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D. Madjlessi, tolk in de Dari taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Op 6 december 2011 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij het bestreden besluit is zijn aanvraag afgewezen.

2. In artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staan de gronden vermeld voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij ongeveer tien jaar geleden samen met zijn moeder en broertje Afghanistan heeft verlaten nadat zij werden bedreigd door [naam], de vader van de man die met zijn tante – de zus van zijn vader – wilde trouwen, die dit geweigerd had. Drie à vier dagen na de afwijzing van het huwelijksaanzoek verdween zijn vader en enkele dagen daarna werd de woning van eiser en zijn moeder en broertje in brand gestoken door [naam]. Eisers moeder werd in elkaar geslagen. Eiser is toen met zijn moeder en broertje naar Iran vertrokken waar hij nog tien jaar heeft gewoond. Omdat Afghanen in Iran meer problemen kregen en eiser het risico liep te worden teruggezonden naar Afghanistan, heeft hij uiteindelijk Iran verlaten en in Nederland asiel aangevraagd.

4. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Eiser heeft toerekenbaar geen documenten overgelegd om zijn reisrelaas te staven nu hij de door hem gebruikte documenten aan de reisagent heeft afgestaan dan wel zelf heeft weggegooid. Verweerder heeft voorts het standpunt ingenomen dat eisers relaas niet onaannemelijk wordt geacht. Eiser heeft zijn gestelde vrees echter niet aannemelijk gemaakt. Gelet op de verstreken tijd tussen de problemen van eiser in Afghanistan en zijn recente vertrek naar Nederland, zijn er geen aanwijzingen dat eiser problemen zal ondervinden van welke zijde dan ook. Eiser behoort als Hazara niet tot een door de minister aangewezen kwetsbare minderheidsgroep, nu Hazara’s in Kaboel niet in de minderheid zijn en Hazara’s thans geen bijzondere risico’s lopen op basis van etniciteit, verweerder heeft hiervoor ter zitting verwezen naar het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van juli 2012 van de minister van Buitenlandse Zaken (hierna te noemen: het ambtsbericht). Eiser kan voor opvang terug naar zijn moeder, zodat hij evenmin in aanmerking komt voor een vergunning als amv, aldus verweerder.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte het ontbreken van documenten die zijn reisrelaas onderbouwen toerekenbaar heeft geacht. Eiser is minderjarig, bevond zich in een van de reisagent afhankelijke positie en heeft de documenten in opdracht van de reisagent afgestaan en weggegooid. Ook wordt eisers afkomst niet betwist zodat het ontbreken van (reis-) documenten irrelevant is voor de beoordeling van zijn asielrelaas. Eiser is Hazara en Hazara’s zijn Sjiiet. Reeds op grond van zijn afkomst loopt hij bij terugkeer een risico. Eiser dient op grond van het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep te worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève. Eiser verwijst hiertoe naar het ambtsbericht en naar een artikel van professor William Maley, van 7 december 2011, getiteld: ‘On the Position of the Hazara Minority in Afghanistan’. Eiser vreest voor eerwraak van de zijde van Mohammed Rahim en heeft geen familieverband in Afghanistan dat hem daartegen kan beschermen. De veiligheidssituatie in meerdere provincies, maar vooral in Kaboel, is verslechterd vanwege de toenemende macht van, en strijd tegen, de Taliban. Ook vinden aanvallen plaats tegen Sjiieten. Voorts dient aan eiser een vergunning wegens minderjarigheid te worden verleend, aangezien in zijn land van herkomst geen directe familie is die hem kan opvangen en er ook anderszins geen opvang voor hem beschikbaar is. Zijn moeder is niet in staat om vanuit haar cultureel achterlijke positie als vrouw vanuit Iran, in Afghanistan opvang voor eiser te regelen, aldus eiser.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Eisers gestelde afhankelijkheid van de reisagent doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid om zijn asielaanvraag zoveel mogelijk te documenteren. De door eiser gestelde afhankelijkheid is niet gelijk te stellen met dwang tot afgifte van de documenten aan de reisagent. Dwang tot afgifte is niet aannemelijk te achten, nu eiser heeft verklaard de door hem gebruikte documenten aan de reisagent te hebben afgestaan dan wel deze documenten zelf te hebben vernietigd en weggegooid. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het feit dat een asielzoeker minderjarig is, onvoldoende om te oordelen dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij geen reispapieren, documenten of enig ander indicatief bewijs van zijn reis heeft kunnen overleggen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2008 (JV 2009, 96). Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem kan worden toegerekend. Dat verweerder eisers asielrelaas wel geloofwaardig heeft geacht doet aan het vorenstaande niet af.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder het asielrelaas van eiser geloofwaardig heeft geacht. In het licht van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, zoals nader toegelicht ter zitting, zal de rechtbank beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29 van de Vw 2000.

8. Eiser heeft aangevoerd dat hij voor eerwraak vreest van de zijde van [naam] en zijn familie. De geloofwaardig geachte problemen die eiser van de zijde van [naam] heeft ondervonden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet te herleiden tot één van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag.

9. Eiser heeft voorts betoogd dat hij vanwege het behoren tot de bevolkingsgroep van de Hazara’s dient te worden aangemerkt als vluchteling dan wel een reëel risico loopt bij terugkeer naar het land van herkomst. Eiser heeft hiertoe verwezen naar het ambtsbericht en het onder punt 5 genoemde artikel van professor William Maley van 7 december 2011. Verweerder meent, onder verwijzing naar het ambtsbericht, dat Hazara’s in Kaboel niet in de minderheid zijn en dat Hazara’s thans geen bijzondere risico’s lopen op basis van hun etniciteit. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder niet en overweegt hiertoe het volgende.

10. In het door verzoeker overgelegde rapport van professor William Maley staat onder meer het volgende over de positie van Hazara’s in Afghanistan:

“6. Hazaras have been subject to discrimination and persecution at least since the ‘Hazara wars’ of 1891-1893, and there is no reason to believe that the underlying factors (both ethnic and sectarian) fuelling hostility towards Hazaras have dissipated. Under the Taliban, however, discrimination against Hazaras took a murderous form. (…) 7. The overthrow of the Taliban regime and its replacement by the Interim Administration under Hamid Karzai put an end to official discrimination against Hazaras, but did nothing to secure them against Taliban attack in the vast tracts of Afghanistan where the Kabul Government is ineffectual. (...) 11. It is also a mistake to conclude that Kabul is safe for Hazaras. This was tragically demonstrated on 6 December 2011, when a suicide bomber attacked Shiite Afghans, most of them Hazaras, at a place of commemoration in downtown Kabul during the Ashura festival (…). Almost simultaneously a bomb in Mazar-e-Sharif also killed Afghan Shia. The Kabul bomb killed at least 55 people and the Mazar bomb four more (…). All ‘country information’ that suggests a ‘golden age’ for Hazaras after 2011, or that suggest that Hazara Shia have not suffered persecution for reasons recognised by the 1951 Convention, should be regarded as definitively outdated. 12. The spectacularly gruesome nature of this event should not distract attention from a number of largely-unreported attacks in the past that many observers and decision makers have overlooked. (…). 19. To assume that Hazaras can expect protection from the agencies of the Afghan state is unrealistic. (…).”

11. In het ambtsbericht staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“In Kaboel wonen veel Pashtuns. Ook Tadzjieken zijn in de hoofdstad ruim vertegenwoordigd. Sinds 30 jaar trekken ook veel Hazara’s naar Kaboel. Inmiddels zou een kwart van de bevolking van de hoofdstad uit Hazara’s bestaan. Ook alle andere etniciteiten zijn in de hoofdstad vertegenwoordigd.” (p. 6).

“Respect voor godsdienstvrijheid van de sjiitische moslim-minderheid in Afghanistan is sinds de val van de Taliban verbeterd. De meeste sjiitische Afghanen behoren tot de etnische Hazara-groep. Vanouds ondervinden Hazara’s discriminatie. Tijdens deze verslagperiode was het over het algemeen mogelijk voor sjiitische moslims om hun geloof en bijkomstige rituelen uit te voeren zonder hinder of incidenten. Er was echter in december 2011 een zelfmoordaanslag op het belangrijkste sjiitische heiligdom in Kaboel tijdens Ashura, een feestdag voor Sjiieten met openbare processies en rituelen. Kort daarna was er een aanslag in Mazar-e-Sharif gericht op sjiitische pelgrims. Deze aanslagen eisten ten minste 63 levens. De Afghaanse Taliban ontkenden verantwoordelijkheid voor deze aanslagen, maar een terroristische groep uit Pakistan bekende verantwoordelijkheid. Deze groep pleegde ook regelmatig aanslagen in Pakistan op sjiitische moslims.” (p. 52).

“In de grondwet is in de bepalingen met betrekking tot nationaliteit een passage opgenomen ten aanzien van de erkenning van de etnische diversiteit van de Afghaanse samenleving. Tijdens de burgeroorlog begin jaren negentig van de vorige eeuw tussen de elkaar bestrijdende mujahedinpartijen en de Taliban-periode waren er etnische spanningen tussen Tadzjieken, Pashtuns en Hazara’s. Ook nu nog is sprake van vooroordelen en wantrouwen tussen verschillende groepen. Taliban, krijgsheren en politici proberen etnische groepen tegen elkaar op te zetten. Conflicten in Afghanistan lijken vaak etnisch, maar meestal schuilt er iets anders achter, zoals machtsconflicten over land en water of problemen van sociale aard. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat personen in een regio waar zij een etnische minderheid vormen om reden van hun etniciteit het risico kunnen lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, zoals discriminatie, afpersing of mishandeling. Of en in welke mate dit gebeurt, verschilt per periode en hangt af van de lokale context.” (p. 64).

“Hazara’s vormen een sjiitische minderheid in Afghanistan. Hazara’s zijn in het verleden vaak het slachtoffer geweest van discriminatie op zowel religieuze als raciale gronden. Tijdens het Talibanregime was sprake van misstanden jegens de Hazara-bevolking in met name centraal-Afghanistan. Dit is ook de reden dat Hazara’s bezorgd zijn over verzoeningsgesprekken met de Taliban. Omdat Hazara’s een belangrijk aandeel hebben geleverd in de overwinning op de Taliban is hun situatie inmiddels verbeterd. De Hazara-bevolking is meer dan in het verleden vertegenwoordigd in overheidsinstituties. Hazara’s lopen thans geen bijzondere risico’s in Afghanistan op basis van etniciteit. Discriminerende (gewelddadige) incidenten kunnen evenwel nog steeds voorkomen, vooral in gebieden waar zij een minderheid vormen. In deze verslagperiode waren er eind 2011 gewelddadige incidenten toen twee gecoördineerde aanvallen op heiligdommen van sjiieten, voornamelijk Hazara’s, tijdens Ashura, een belangrijke religieuze dag voor sjiieten, plaats vonden. Verder kan sprake zijn van sociale discriminatie. Zo waren er gedurende de verslagperiode meldingen van controleposten waar Hazara’s smeergeld moesten betalen teneinde doorgelaten te worden, terwijl Pashtuns ongemoeid hun weg konden vervolgen. Ook zijn er geregeld spanningen daar waar verschillende bevolkingsgroepen door elkaar wonen. Spanningen tussen Kuchi’s en Hazara’s komen bijvoorbeeld eens in de zoveel tijd aan de oppervlakte, vooral in Wardak waar conflicten over land bestaan.” (p. 66).

“Professor William Maley is het hier (en hiermee met de bronnen in voetnoot 302) overigens niet mee eens. Volgens hem zijn Shia Hazara’s wel degelijk doelwit op basis van hun religie en etniciteit. Hazara’s worden volgens hem al sinds de ‘Hazara oorlogen’ van 1891-1893 gediscrimineerd en vervolgd en er is geen enkele reden om aan te nemen dat de onderliggende factoren (zowel etnisch als sectarisch) die vijandigheid richting Hazara’s aanwakkeren zijn verdwenen. Ook spanningen tussen Hazara’s en Kuchi’s zouden volgens Maley bijvoorbeeld ook niet simpel af te doen zijn als landconflict omdat het hier gaat om zeer complexe sociale relaties; Professor William Maley, ‘On the position of the Hazara Minority in Afghanistan’, 07.12.2012.” (voetnoot 312, p. 66).

12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 april 2004, 200401579/1) kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder, als het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen waaruit deze informatie afkomstig is. Verweerder mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van een dergelijk ambtsbericht uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

13. De rechtbank stelt vast dat de hiervoor opgenomen passage in het ambtsbericht, waarin wordt geconcludeerd dat Hazara’s thans geen bijzondere risico’s lopen vanwege hun etniciteit, niet wordt onderbouwd door de bronnen waar in de voetnoten naar verwezen wordt. Uit de tekst van voetnoot 312 kan immers niet worden opgemaakt waarop de minister van Buitenlandse Zaken voormelde conclusie heeft gebaseerd, nu daarin slechts staat dat en om welke redenen professor Maley het oneens is met deze conclusie. De voetnoten 311 tot en met 314 (p. 66 van het ambtsbericht) rechtvaardigen voormelde conclusie over Hazara’s evenmin. Ook het in voetnoot 302 op pagina 64 genoemde rapport van Amnesty International: ‘Afghanistan ten years on: slow progress and failed promises’, van oktober 2011, waarnaar in voetnoot 312 is verwezen, rechtvaardigt voormelde conclusies ten aanzien van Hazara’s niet. Dit rapport heeft namelijk niet betrekking op de positie van Hazara’s in Afghanistan, maar op de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen.

14. Daarmee is niet inzichtelijk waarop de conclusie in het ambtsbericht dat Hazara’s thans geen bijzondere risico’s lopen is gebaseerd, zodat verweerder deze passage in het ambtsbericht ten onrechte bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Nu uit het door verzoeker overgelegde rapport van professor Maley naar voren komt dat Hazara’s vanwege hun etniciteit juist wel risico’s lopen en in het ambtsbericht ook staat dat personen in een regio waar zij een etnische minderheid vormen, zoals Hazara’s in Kaboel, het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, kan verweerder zonder nadere motivering niet worden gevolgd in zijn standpunt dat verzoeker, op grond van zijn etniciteit, niet is aan te duiden als behorend tot een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep. De vraag of daarvan sprake is, is van betekenis voor de beoordeling of eiser, mede gelet op zijn individuele asielrelaas, in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel onder b, ten tweede, van de Vw 2000. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van de beroepsgronden die betrekking hebben op het niet-verlenen van een verblijfsvergunning als amv.

15. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,00 (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2012.

Afschrift verzonden op: 20 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State.