Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8539

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/5830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster is gelast binnen een termijn van vier weken na verzending van het besluit het in werking zijn van de inrichting buiten de vergunde werktijden te beëindigen. Indien niet binnen deze termijn wordt voldaan aan deze last, verbeurt verweerder een dwangsom van € 10.000,-, per geconstateerde overtreding, tot een maximum van € 100.000,-. Niet in geschil is dat verzoekster haar inrichting in werking heeft buiten de aan haar vergunde tijden, hetgeen strijd oplevert met artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Verweerder was dan ook bevoegd handhavend op te treden. Evenmin is in geschil de beginselplicht van verweerder tot handhaving en dat van een concreet zicht op legalisatie geen sprake is nu immers geen sprake is van een ontvankelijke aanvraag. Verzoekster heeft aangevoerd dat de begunstigingstermijn is aan te merken als dusdanig kort dat dit als onevenredig moet worden gezien. De voorzieningenrechter acht de gegeven begunstigingstermijn niet onredelijk. Verzoeksters beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De door verzoekster genoemde andere bedrijven vallen onder het Activiteitenbesluit en kunnen reeds hierom niet worden aangemerkt als gelijke gevallen. Ook anderszins is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid, in verband waarmee verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5830

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2012 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[BV], te Alphen aan den Rijn, verzoekster

(gemachtigde: mr. C.J.A. Boere),

tegen

het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder (gemachtigde: mr. K.J. Arends).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster gelast het met artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) strijdige gebruik op het perceel [adres 1] te Alphen aan den Rijn binnen een termijn van vier weken na de verzenddatum van het besluit te beëindigen. Verweerder heeft daarbij bepaald dat verzoekster, indien niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan aan de aanschrijving, een dwangsom met € 10.000,-, per geconstateerde overtreding verbeurt, tot een maximum van € 100.000,-.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 juli 2012, ingekomen bij verweerder op dezelfde datum, bezwaar gemaakt.

Bij brief van 16 juli 2012 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 12 september 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door [X], bijgestaan door mr. J.J. Turenhout, kantoorgenoot van gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [Y], beide werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor een beslissing in beroep.

2. Verzoekster is een sloopbedrijf. Aan haar is bij besluit van 6 mei 2009 een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opslag van puin met een onderhoudswerkplaats voor eigen materieel en stalling daarvan voor de locatie [adres 1] te Alphen aan den Rijn.

3. Bij brief van 9 februari 2012 heeft [bewoner], bewoner van de woning aan de [adres 2] te Alphen aan den Rijn, verweerder verzocht om handhaving.

4. Door een toezichthouder van verweerder op 16 maart 2012 is geconstateerd dat het bedrijf van verzoekster voor 07:00 uur in werking was. Nu op grond van de verleende omgevingsvergunning het bedrijf van verzoekster volgens verweerder alleen in werking mag zijn in de dagperiode van 07:00 uur tot 19:00, is volgens verweerder sprake van een overtreding op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Gelet hierop was verweerder voornemens een last onder dwangsom op te leggen. Bij brief van 3 april 2012 heeft verweerder aan verzoekster een vooraankondiging handhaving toegezonden. Verzoekster is in deze brief door verweerder in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op dit voornemen.

5. Bij brief van 18 april 2012 heeft verzoekster tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster is gelast binnen een termijn van vier weken na verzending van het besluit het in werking zijn van de inrichting buiten de vergunde werktijden te beëindigen. Indien niet binnen deze termijn wordt voldaan aan deze last, verbeurt verweerder een dwangsom van € 10.000,-, per geconstateerde overtreding, tot een maximum van € 100.000,-.

7. Niet in geschil is dat verzoekster haar inrichting in werking heeft buiten de aan haar vergunde tijden, hetgeen strijd oplevert met artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Verweerder was dan ook bevoegd handhavend op te treden. Evenmin is in geschil de beginselplicht van verweerder tot handhaving en dat van een concreet zicht op legalisatie geen sprake is nu immers geen sprake is van een ontvankelijke aanvraag.

8. Verzoekster heeft aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand zal houden omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid. De begunstigingstermijn is namelijk aan te merken als dusdanig kort dat dit als onevenredig moet worden gezien. Gelet op het goede overleg tussen partijen moet immers worden aangenomen dat thans wordt gewerkt aan een structurele oplossing. Met de begunstigingstermijn van vier weken wordt verzoekster gedwongen een tussenoplossing te zoeken terwijl een eindoplossing in de maak is. De kosten die gepaard gaan met een tussenoplossing zijn dermate hoog dat sprake is van onevenredigheid als het bestreden besluit op het punt van de begunstigingstermijn blijft gehandhaafd. Daarnaast beroept verzoekster zich op het gelijkheidsbeginsel nu bedrijven eveneens aan de [weg] ook al voor 07:00 uur met vrachtwagens uitrijden.

9. Met betrekking tot hetgeen is opgemerkt over de onevenredigheid van de begunstigingstermijn overweegt de rechtbank het volgende. Beoordeeld dient te worden of de begunstigingstermijn redelijk is te achten met het oog op het ongedaan maken van de onderhavige overtreding. In dit geval acht de voorzieningenrechter de gegeven begunstigingstermijn niet onredelijk. Niet onderbouwd is immers dat de gegeven termijn onvoldoende is om passende maatregelen te nemen ter beëindiging van de overtreding. Dat de termijn onvoldoende is voor verzoekster om tot een structurele verandering te komen in haar bedrijfsvoering mag zo zijn maar is in dit kader niet het relevante criterium. Het standpunt van verzoekster dat het zijn stellige overtuiging is dat de begunstigingstermijn opgerekt zal worden vanwege het goed overleg tussen beide partijen, volgt de voorzieningenrechter niet. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting immers verklaard dat hij naar aanleiding van de e-mail van 11 september 2012 van de accountmanager bedrijfsleven van verweerder contact met deze accountmanager heeft gehad en dat deze geen aanknopingspunten heeft gezien de begunstigingstermijn te verlengen. Het standpunt van verzoekster dat de uitlatingen van de gemachtigde van verweerder ter zitting niet in overeenstemming zijn met het standpunt van verweerder geven geen aanleiding tot een ander oordeel, nu dit standpunt niet is onderbouwd anders dan met het wekken van de suggestie.

10. Verzoeksters beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De door verzoekster genoemde bedrijven ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) vallen onder het Activiteitenbesluit en kunnen reeds hierom niet worden aangemerkt als gelijke gevallen.

11. Ook anderszins is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid, in verband waarmee verweerder had moeten afzien van handhavend optreden.

12. Concluderend is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat naar verwachting na bezwaar het bestreden besluit zonder onrechtmatigheid in stand zal kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Tieleman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.