Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8193

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/28207 en AWB 12/28206
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem, inreisverbod, artikel 64 Vw 2000.

Uit de formulering van artikel 66a, aanhef, van de Vw 2000 volgt dat verweerder slechts een inreisverbod kan uitvaardigen indien door hem is vastgesteld dat op de betreffende vreemdeling artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is. Dat betekent dat verweerder in een geval als hier aan de orde, waarin hij advies heeft gevraagd aan het BMA ter vaststelling of artikel 64 Vw 2000 van toepassing is, geen inreisverbod kan uitvaardigen tot hij naar aanleiding van het gevraagde BMA-advies heeft vastgesteld of verzoekers uitzetting vanwege zijn gezondheidstoestand achterwege dient te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/28207 en AWB 12/28206

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer 273.158.6840

(gemachtigde: M.J. Baaij),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: J.A.M. van der Klis).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [geboortedatum 1970] en dat hij de Chinese nationaliteit bezit.

Op 27 augustus 2012 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft op 31 augustus 2012 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft zijn zienswijze op deze mededeling schriftelijk naar voren gebracht. Bij besluit van 4 september 2012 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen en hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Op 4 september 2012 heeft eiser tegen het bestreden besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Tevens heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 september 2012. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Aan de onderhavige procedure zijn verblijfsrechtelijke procedures voorafgegaan. Eiser heeft op 2 april 2009 een eerste aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Op 18 mei 2011 heeft verzoeker wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft verweerder die aanvraag eveneens afgewezen. Ook dit besluit is in rechte onaantastbaar.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar de eerdere rechtens onaantastbare afwijzende beschikkingen.

4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen en voert hiertoe onder meer aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Tibet, dat de situatie in Tibet is verslechterd en hij bij terugkeer te vrezen heeft voor schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. Hierbij beroept hij zich op artikel 64 van de Vw 2000.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kan, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Indien hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, dan is er voor rechterlijke toetsing van het besluit geen plaats (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008, LJN: BC7124).

5.2. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een besluit van gelijke strekking, nu het bestreden besluit opnieuw strekt tot weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of aan de nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

5.3. Verzoeker heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Tibet en heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder het niet beheersen van de Chinese taal niet langer tegenwerpt aan vreemdelingen die stellen afkomstig te zijn uit Tibet. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat er inmiddels een taalanalyse beschikbaar is, hetgeen niet het geval was gedurende de eerdere asielprocedures. Verweerder is dan ook gehouden verzoeker alsnog een taalanalyse af te nemen, aldus verzoeker. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5.4. In het besluit van 25 augustus 2009 heeft verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan verzoeker tegengeworpen en zich op het standpunt gesteld dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist, omdat geen geloof wordt gehecht aan zijn identiteit en nationaliteit, waaronder zijn gestelde Tibetaanse herkomst. Verweerder heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat verzoeker heeft verklaard enkel (Centraal-) Tibetaans te spreken, terwijl algemeen bekend is dat elke Tibetaan in principe in meer of mindere mate Chinees spreekt. Uit de - door de Afdeling bevestigde - uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 februari 2010 naar aanleiding van het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 augustus 2009 volgt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij verzoeker niet langer tegenwerpt dat hij niet in staat is in het Chinees te communiceren. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat verweerder (desondanks) in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist.

Nu verweerder reeds in de eerste asielprocedure aan verzoeker niet langer heeft tegengeworpen dat hij niet in staat is in het Chinees te communiceren, kan de omstandigheid dat het niet beheersen van de Chinese taal niet langer door verweerder wordt tegengeworpen aan vreemdelingen die stellen afkomstig te zijn uit Tibet naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigt.

5.5. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat er inmiddels een taalanalyse beschikbaar is, waarmee hij kan aantonen dat hij afkomstig is uit Tibet, overweegt de rechtbank, onder verwijzing van de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2007 (LJN: BB8148), dat een taalanalyse reeds ten tijde van het besluit van 25 augustus 2009 beschikbaar was. Om die reden is in de gestelde beschikbaarheid van een taaltest geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid gelegen die een hernieuwde rechterlijke toets rechtvaardigt. Daarnaast is het - anders dan verzoeker stelt - ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en artikel 31 van de Vw 2000 niet aan verweerder om een taalanalyse aan te bieden. Het is in het kader van een herhaalde aanvraag aan verzoeker om ter onderbouwing van de door hem gestelde omstandigheid dat een taalanalyse beschikbaar is het resultaat van een taalanalyse te overleggen. Nu verzoeker geen resultaten van een taalanalyse heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde herkomst, kan de enkele beschikbaarheid van een taalanalyse op voorhand niet afdoen aan de besluiten van

25 augustus 2009 en 26 mei 2011. Ook om die reden is in de gestelde beschikbaarheid van een taaltest geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid gelegen die een hernieuwde rechterlijke toets rechtvaardigt.

5.6. Voorts heeft verzoeker aan onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat de situatie in Tibet is verslechterd en hij om die reden bij terugkeer te vrezen heeft voor schending van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt de volgende stukken overgelegd:

- een afschrift van een brief van 10 augustus 2012 van de Representative of His Holiness the Dalai Lama;

- foto’s van een demonstratie bij de Chinese ambassade in Den Haag, waaraan verzoeker zou hebben deelgenomen;

- diverse documenten die zien op de (verslechterde) situatie in Tibet en de problemen die Tibetanen bij terugkeer naar Tibet ondervinden.

Uit hetgeen is overwogen onder 5.4. en 5.5. volgt dat verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld die kunnen afdoen aan het eerdere oordeel over de geloofwaardigheid van verzoekers identiteit en nationaliteit, waaronder zijn gestelde Tibetaanse herkomst. Nu verzoekers gestelde identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank op voorhand uitgesloten dat de door verzoeker overgelegde documenten, die zien op de situatie in Tibet en de problemen die Tibetanen die terugkeren naar Tibet ondervinden, kunnen afdoen aan de eerdere besluiten van 25 augustus 2009 en 26 mei 2011.

5.7. Het voorgaande geldt eveneens voor het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder in andere gevallen waarin Tibetanen hebben deelgenomen aan demonstraties wel een verblijfsvergunning heeft verleend. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de identiteit en nationaliteit, waaronder de Tibetaanse herkomst, van verzoeker nog immer niet zijn aangetoond, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen en is naar het oordeel van de rechtbank op voorhand uitgesloten dat het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel kan afdoen aan de eerdere besluiten van 25 augustus 2009 en 26 mei 2011.

5.8. Nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is gebleken van dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (LJN: AG8817, Bahaddar), heeft verweerder de aanvraag op goede gronden met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

5.9. Verzoeker heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet uit Nederland kan vertrekken en dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is. Verweerder had in dat kader advies moeten vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Ter onderbouwing van zijn gezondheidstoestand heeft verzoeker onder meer de volgende medische stukken overgelegd:

- een ongedateerd concept-behandelplan van Altrecht polikliniek te Utrecht, waaruit volgt dat ten aanzien van verzoeker op 16 juli 2012 de diagnose PTSS is gesteld;

- een brief van 19 september 2011 van dr. A.W.J. Bossink, longarts, in verband met een opname van verzoeker op de Afdeling longziekten van het Diakonessenziekenhuis te Utrecht van 24 augustus tot en met 3 september 2011. In de brief wordt ten aanzien van verzoeker geconcludeerd dat sprake is van (waarschijnlijk) astma, paniekaanvallen en herbelevingen, mogelijk in het kader van PTSS en (wegraken na) hyperventilatie.

5.10. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf A4/7.2.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), op het standpunt gesteld dat hij in het kader van een opvolgende asielaanvraag artikel 64 van de Vw 2000 niet ambtshalve parallel aan de asielprocedure toetst, maar dat hiervoor een aparte procedure openstaat. In dat kader heeft verzoeker op 30 augustus 2011 verzocht om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 en heeft verweerder naar aanleiding van dit verzoek op 9 juli 2012 een BMA-onderzoek opgestart, aldus verweerder.

5.11. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft geoordeeld, geldt de verplichting op grond van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 om aan de vreemdeling een medisch onderzoek aan te bieden niet, indien sprake is van een opvolgende asielaanvraag (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011, LJN: BW5026). Gelet hierop en mede in aanmerking nemende dat verweerder reeds in het kader van het verzoek van verzoeker om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000 een BMA-onderzoek heeft opgestart, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien verzoeker in het kader van de herhaalde asielaanvraag een medisch onderzoek aan te bieden. Dientengevolge behoefde verweerder in het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de opvolgende asielaanvraag, niet te beoordelen of de door verzoeker aangevoerde medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

Het betoog van verzoeker dat verweerder in vergelijkbare zaken een advies van het BMA wel noodzakelijk achtte, faalt, nu in de zaak waar verzoeker in dit kader naar verwijst sprake was van een opvolgende asielaanvraag die in de verlengde procedure werd afgedaan. Blijkens zijn beleid toetst verweerder in dat geval wel ambtshalve artikel 64 Vw 2000 parallel aan de asielprocedure (paragraaf A4/7.2.1.2 jo. C14/5 van de Vc 2000). Nu in onderhavige zaak de aanvraag van verzoeker is afgedaan in de algemene asielprocedure is in zoverre geen sprake van gelijke gevallen.

5.12. Gelet op het voorgaande kunnen de beroepsgronden gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet slagen.

5.13. Verweerder heeft bij het bestreden besluit tevens een inreisverbod opgelegd aan verzoeker. Nu, zoals door verweerder ter zitting is bevestigd, de procedure naar aanleiding van het verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 nog niet is afgerond, dient de vraag te worden beantwoord hoe dit gegeven zich verhoudt met hetgeen is bepaald in artikel 66a, aanhef van de Vw 2000. Op grond van artikel 66a, aanhef, van de Vw 2000 wordt een inreisverbod immers uitgevaardigd aan de vreemdeling op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is.

Ter zitting heeft verweerder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat artikel 66a, aanhef, van de Vw 2000 zich niet verzet tegen het opleggen van een inreisverbod indien er nog een procedure loopt naar aanleiding van een verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat een opgelegd inreisverbod pas werking krijgt op het moment dat de betreffende vreemdeling Nederland verlaat en voorts dat verweerder vreemdelingen niet uitzet zolang er nog geen uitsluitsel is over de vraag of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is.

De rechtbank volgt die redenering niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de formulering van artikel 66a, aanhef, van de Vw 2000 dat verweerder slechts een inreisverbod kan uitvaardigen indien door hem is vastgesteld dat op de betreffende vreemdeling artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is. Dat betekent dat verweerder in een geval als hier aan de orde, waarin hij advies heeft gevraagd aan het BMA ter vaststelling of artikel 64 Vw 2000 van toepassing is, geen inreisverbod kan uitvaardigen tot hij naar aanleiding van het gevraagde BMA-advies heeft vastgesteld of verzoekers uitzetting vanwege zijn gezondheidstoestand achterwege dient te blijven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het opgelegde inreisverbod wel degelijk als direct rechtsgevolg heeft dat verzoeker strafbaar is op grond van artikel 108 van de Vw 2000, nu hij in Nederland verblijft terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd. De rechtbank kan verweerder om die reden niet volgen in zijn betoog dat een opgelegd inreisverbod pas werking krijgt op het moment dat de betreffende vreemdeling Nederland verlaat.

5.14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte een inreisverbod opgelegd aan verzoeker.

6. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb gegrond verklaard voor zover het beroep ziet op het inreisverbod en moet het bij het bestreden besluit aan verzoeker opgelegde inreisverbod worden vernietigd.

7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

8. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoek-/beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van euro 874,--, welk bedrag verweerder aan verzoeker dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op :

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)