Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8027

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/27299, 12/27300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De vreemdeling, afkomstig uit Afghanistan, heeft aan de voorliggende (derde) asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Aan zijn tweede asielaanvraag had de vreemdeling eveneens ten grondslag gelegd dat hij was bekeerd tot het christendom. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen, omdat hij de bekering niet geloofwaardig achtte. Ten aanzien van de onderhavige aanvraag heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de door de vreemdeling overgelegde stukken en afgelegde verklaringen over zijn bekering geen nova zijn, omdat deze reeds op voorhand niet kunnen afdoen aan het besluit op de tweede asielaanvraag en de in die procedure gedane uitspraak. De vreemdeling heeft thans naar voren gebracht dat hij is gedoopt, hij regelmatig kerkdiensten bezoekt en hij bij de kerk bijbellessen volgt. Dit wordt door verweerder niet betwist. Ook heeft de vreemdeling met twee verklaringen van derden toegelicht dat zijn kerk niet tot het dopen van een bekeerling overgaat zonder zich eerst van de oprechtheid van die bekeerling te vergewissen. Voorts heeft de vreemdeling tijdens het gehoor over zijn aanvraag nieuwe/aanvullende verklaringen afgelegd over zijn bekering en zijn kennis van het christelijke geloof. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat op voorhand niet is uitgesloten dat deze nieuwe feiten en omstandigheden kunnen afdoen aan het eerdere besluit op de tweede asielaanvraag van eiser, welk besluit in rechte is komen vast te staan met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Verweerder heeft de aanvraag van de vreemdeling dan ook niet mogen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter zal het beroep daarom gegrond verklaren en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 27299 en AWB 12 / 27300

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2012 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen. Voorts heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te verlenen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig [tolk].

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Eiser, volgens zijn verklaring geboren op 1 oktober 1994 en burger van Afghanistan, heeft voorafgaande aan de aanvraag twee keer eerder een asielaanvraag ingediend. Aan de tweede asielaanvraag van 3 januari 2012 heeft eiser onder andere ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen, omdat hij de bekering niet geloofwaardig achtte. In beroep is die afwijzing in stand gebleven. Aan de voorliggende aanvraag heeft eiser opnieuw ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd.

3. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

4. Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (zogenoemde nova) zijn feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

5. Blijkens het bestreden besluit en hetgeen ter zitting is besproken, vindt verweerder dat de door eiser overgelegde stukken en afgelegde verklaringen over zijn bekering geen nova zijn, omdat deze reeds op voorhand niet kunnen afdoen aan het besluit op de tweede asielaanvraag van eiser en de in die procedure gedane uitspraak.

6. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat eiser nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Hij stelt sinds de uitspraak van 16 februari 2012 zijn reeds bestaande geloofsovertuiging verder te hebben uitgediept. Eiser heeft bijbellessen gevolgd en heeft meer contacten gekregen met de kerk waardoor zijn bekering zich verder heeft ontwikkeld. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in zijn doop op 24 juni 2012. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een doopakte van de Bethelkerk in Drachten overgelegd. De van de doop van eiser gemaakte filmbeelden zijn op de website van de kerk te zien. Ter onderbouwing van de oprechtheid van zijn bekering heeft eiser schriftelijke verklaringen van [naam], manager zorgbeleid van de Bethelkerk, en drs. [naam], theoloog en predikant van de Protestantse Gemeente Drachten, overgelegd. Van nieuwe feiten en omstandigheden is dan ook in ieder geval sprake. Vervolgens komt de vraag aan de orde of deze feiten en omstandigheden rechtens relevant zijn.

7. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 februari 2012 geoordeeld dat eiser zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat eiser enerzijds niet is gedoopt en anderzijds uit zijn verklaringen onvoldoende naar voren komt dat hij zich in zijn nieuwe geloof heeft verdiept. Op dat moment was van een (oprechte) bekering geen sprake. Dit betekent echter niet dat op ieder moment daarna geen sprake kan zijn van een bekering. De uitspraak van de rechtbank sluit ook niet uit dat na een doop en het blijk geven van een uitgediepte geloofsovertuiging alsnog een bekering aannemelijk kan worden geacht. De door verweerder gemaakte vergelijking met de situatie waarin een vreemdeling het in zijn eerste procedure ongeloofwaardig geachte relaas bij zijn tweede aanvraag nader onderbouwt met bijvoorbeeld documenten is, gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op. Zoals ook verweerder doorgaans aanneemt, is een bekering een proces dat iemand doormaakt en goed voorstelbaar is dan ook dat (in dit geval) de tweede aanvraag is gedaan op het moment dat van een volledige bekering nog geen sprake was, maar de laatste aanvraag op een moment dat die bekering was voltooid. Dat eiser over die (gestelde) bekering thans nieuwe feiten en omstandigheden naar voren brengt, kan dan ook wel degelijk relevant zijn. De door verweerder aangehaalde omstandigheid dat vreemdelingen, door de situatie waarin zij zich bevinden, vaker open staan voor een bekering, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet ter zake. Als dat zo zou zijn, is dit een omstandigheid die niet afdoet aan de mogelijke oprechtheid van de bekering. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in welk punt verweerder hiermee heeft willen maken.

Kortom, naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent het enkele feit dat eiser aan zijn vorige aanvraag zijn bekering ten grondslag heeft gelegd en hij dat thans weer doet, niet dat dus geen sprake kan zijn van nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

8. Zoals hiervoor reeds vermeld, heeft eiser naar voren gebracht dat hij is gedoopt, hij regelmatig kerkdiensten bezoekt en hij bij de kerk bijbellessen volgt. Dit wordt door verweerder niet betwist. Ook heeft eiser met twee verklaringen van derden toegelicht dat de Bethelkerk niet tot het dopen van een bekeerling overgaat zonder zich eerst van de oprechtheid van die bekeerling te vergewissen. Voorts heeft eiser tijdens het gehoor over zijn aanvraag nieuwe/aanvullende verklaringen afgelegd over zijn bekering en zijn kennis van het christelijke geloof. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat op voorhand niet is uitgesloten dat deze nieuwe feiten en omstandigheden kunnen afdoen aan het eerdere besluit op de tweede asielaanvraag van eiser, welk besluit in rechte is komen vast te staan met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2012 (zaaknummer AWB 12 / 1145).

Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook niet mogen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter zal het beroep daarom gegrond verklaren en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

9. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen, omdat eiser de nieuwe beslissing op de aanvraag mag afwachten.

10. De voorzieningenrechter acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in dit verband, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voorzieningenrechter acht in de afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, gelet op de gegrondverklaring van het beroep en de reden voor die afwijzing, geen grond gelegen om verweerder niet in de proceskosten, samenhangende met dat verzoek, te veroordelen. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze zaken worden derhalve 3 punten (indiening beroepschrift, indiening verzoekschrift en verschijnen ter zitting) toegekend, met een waarde van € 437,= per punt. Het gewicht van de zaken wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

11. Aangezien niet is gebleken dat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 augustus 2012;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,=, te vergoeden aan eiser;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2012.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.