Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7912

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
422419 / HA RK 12-365 Wrakingnummer 2012/42
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking kantonrechter. De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde grond, die ziet op het terugkomen op een rolbeslissing, niet kan leiden tot het toewijzen van het wrakingsverzoek. De door verzoekster aangevoerde wrakingsgrond dat de kantonrechter tijdens de comparitie van partijen uitlatingen heeft gedaan die de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid hebben gewekt, leidt wel tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Dergelijke uitspraken leveren een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan het feit dat het proces-verbaal van de comparitie van partijen geen melding maakt van dergelijke uitspraken gaat de wrakingskamer, gelet op de uitvoerige uiteenzetting van verzoekster van wat er tijdens de comparitie van partijen is voorgevallen en de verklaring van mevrouw [X], voorbij, nu er bij de wrakingskamer twijfel is ontstaan over in ieder geval de volledigheid van dit proces-verbaal, te meer nu de grond of gronden voor wraking niet in het proces-verbaal zijn opgenomen. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2012/42

rekestnummer: 422419 / HA RK 12-365

rolnummer: 1121461 RL EXPL 11-34260

datum beslissing: 10 september 2012

BESLISSING

op het mondelinge en schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. F. van de Nadort;

tegen

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

gemachtigde: mr. T.K. Dik;

strekkende tot wraking van:

mr. R.J. ter Kuile,

kantonrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

1.1. Belanghebbende heeft verzoekster gedagvaard om voor de kantonrechter te verschijnen. Daarop heeft verzoekster een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie ingediend. Vervolgens heeft belanghebbende een conclusie van antwoord in reconventie ingediend.

1.2. Uiteindelijk heeft op 19 juni 2012 een comparitie van partijen plaatsgevonden, bij welke gelegenheid verzoekster de kantonrechter heeft gewraakt. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.3. Per e-mail van 6 juli 2012 heeft de kantonrechter gereageerd op het mondelinge wrakingsverzoek.

1.4. Bij fax van 11 juli 2012 heeft verzoekster de schriftelijke weergave van het verzoek tot wraking gedaan, daar de wrakingsgronden niet in het proces-verbaal zijn opgenomen. Hierin zijn ook enige nieuwe wrakingsgronden opgenomen. Deze fax is bij brief van 12 juli 2012 door de rechtbank aan de kantonrechter gezonden. De kantonrechter heeft niet op deze schriftelijke weergave gereageerd.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

2.1. Op 27 augustus 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster [verzoekster], bijgestaan door haar gemachtigde mr. F. van de Nadort, is verschenen. Eveneens verschenen is de gemachtigde van belanghebbende, mr. T.K. Dik. De kantonrechter heeft laten weten niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zullen zijn. Het wrakingsverzoek is door de gemachtigde van verzoekster toegelicht. Mr. Dik heeft vervolgens haar standpunt over het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.

3. Het standpunt van verzoeker.

3.1. Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De kantonrechter is ten onrechte teruggekomen op een rolbeslissing, waardoor de belangen van verzoekster zijn geschaad. De kantonrechter heeft de bezwaren van verzoekster naast zich neergelegd en de comparitie van partijen voortgezet. Daarmee heeft de kantonrechter getoond partijdig te zijn, althans de schijn daarvan gewekt. Bovendien heeft de kantonrechter zich tijdens de comparitie van partijen dusdanig gedragen, dat daadwerkelijk is gebleken dat hij partijdig was. Zo heeft de kantonrechter onder meer gezegd: 'U kunt nog concluderen wat u wilt, maar mijn oordeel staat vast'. Ook heeft de kantonrechter verzoekster op sarcastische en honende wijze aangesproken. Nadat verzoekster ter comparitie te kennen heeft gegeven dat zij de kantonrechter zou wraken, heeft de kantonrechter aangegeven dat de wraking geen zin had omdat 'een andere rechter toch niets meer aan de zaak kon veranderen en hetzelfde oordeel zou hebben'. Tot slot merkt verzoekster op dat het proces-verbaal van de comparitie van partijen niet waarheidsgetrouw is opgemaakt. Het proces-verbaal bevat onjuistheden en is onvolledig doordat het - onder meer - niet de directe aanleiding voor de wraking en de wrakingsgronden weergeeft.

4. Het standpunt van mr. R.J. ter Kuile.

4.1. De kantonrechter acht het wrakingsverzoek ongegrond en voert daartoe aan dat hij zijn voorlopige indruk van de vordering en van het verweer heeft gegeven. De kantonrechter stelt dat hij tijdens de comparitie van partijen heeft aangegeven dat hij het verweer van verzoekster niet erg sterk vond, waarop de gemachtigde van verzoekster boos werd en de kantonrechter heeft gewraakt.

5. Het standpunt van betrokkene

5.1. Mr. Dik heeft tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek gesteld dat zij zich niet kan vinden in het wrakingsverzoek. Naar haar mening heeft de kantonrechter slechts kritische vragen gesteld en zijn er geen vreemde dingen gebeurd tijdens de comparitie van partijen.

6. De beoordeling.

6.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het EVRM, dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3. De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde grond, die ziet op het terugkomen op een rolbeslissing, niet kan leiden tot het toewijzen van het wrakingsverzoek, nu - zo blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen - de kantonrechter verzoekster, indien zij zulks wenste, alsnog de gelegenheid zou bieden om te concluderen. Daarmee heeft de kantonrechter de belangen van verzoekster onderkend en zijn deze niet geschaad door het voortzetten van de comparitie van partijen. Een vorm van partijdigheid valt hier niet in te onderkennen.

6.4. De door verzoekster aangevoerde wrakingsgrond dat de kantonrechter tijdens de comparitie van partijen uitlatingen heeft gedaan die de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid hebben gewekt, leidt wel tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat, hoewel dat uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen niet valt af te leiden, de kantonrechter tijdens de zitting de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid heeft gewekt. De aangehaalde uitspraken van verzoekster, zoals 'U kunt nog concluderen wat u wilt, maar mijn oordeel staat vast' en de opmerking 'dat de wraking geen zin had omdat een andere rechter toch niets meer aan de zaak kon veranderen en hetzelfde oordeel zou hebben', zijn door de kantonrechter, nadat hij de schriftelijke weergave van het verzoek heeft ontvangen, niet weersproken. Bovendien worden deze uitspraken bevestigd door mevrouw [X], die aanwezig was tijdens de zitting. Dergelijke uitspraken leveren een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan het feit dat het proces-verbaal van de comparitie van partijen geen melding maakt van dergelijke uitspraken gaat de wrakingskamer, gelet op de uitvoerige uiteenzetting van verzoekster van wat er tijdens de comparitie van partijen is voorgevallen en de verklaring van mevrouw [X], voorbij, nu er bij de wrakingskamer twijfel is ontstaan over in ieder geval de volledigheid van dit proces-verbaal, te meer nu de grond of gronden voor wraking niet in het proces-verbaal zijn opgenomen.

6.5. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek tot wraking zal worden toegewezen.

7. De beslissing.

De wrakingskamer:

- wijst toe het verzoek tot wraking van mr. R.J. ter Kuile;

- bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere kantonrechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van civiele zaken, zal zijn hervat;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. F. van de Nadort;

• verweerder in de hoofdzaak p/a haar gemachtigde mr. T.K. Dik;

• de kantonrechter mr. R.J. ter Kuile;

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, H.M.D. de Jong en G.P. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.F. Ritmeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2012.