Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7861

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/41171
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat verweerder door in het bestreden besluit te betogen dat referente geen beroep kan doen op de Richtlijn, nu zij nimmer haar recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend omdat zij nooit voor een periode langer dan zes weken in Spanje heeft verbleven en dat aan eiser derhalve ook geen document kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000, niet heeft voldaan aan de aan hem in de uitspraak van 2 december 2010 gegeven opdracht om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak, nu daarin het genoemde standpunt van verweerder door de rechtbank uitdrukkelijk is verworpen. Dit zou slechts anders zijn als zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zouden hebben voorgedaan die maken dat dit standpunt thans wél kan worden ingenomen. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn evenwel niet gebleken. Daarnaast heeft verweerder nagelaten te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden. Het bestreden besluit is derhalve onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering. De rechtbank is van oordeel dat het beroep reeds hierom gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. (…)

De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door alsnog te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden en naar aanleiding van dit onderzoek een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/41171

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [a]

(gemachtigde: mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1974 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de weigering een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) af te geven, ongegrond verklaard.

Bij brief van 21 december 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 29 mei 2012 heeft verweerder een pleitnota ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 mei 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was M.L. van der Assen als tolk in de Engelse taal ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1 In beroep heeft eiser - samengevat - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte aan hem geen document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000 afgegeven, nu hij gehuwd is geweest met een Nederlander (hierna: referente) die gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op het document op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a en d, van de Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn). Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder in strijd met de eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 2 december 2010 (AWB 10/16378), welke uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 19 september 2011 (201012733/1/V4, www.raadvanstate.nl) is bevestigd, heeft gehandeld. Eiser heeft daarnaast een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voor het gevraagde document in aanmerking komt. Verweerder heeft hiertoe betoogd dat referente geen burger van de Unie is die zich heeft begeven naar of heeft verbleven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit heeft. Referente kan volgens verweerder geen beroep doen op haar rechten als gemeenschapsonderdaan zodat aan eiser geen document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000 kan worden verleend.

Dit standpunt heeft verweerder in de pleitnota, die hij op 29 mei 2012 aan eiser en de rechtbank heeft verzonden, en ter zitting aangevuld. Zo heeft verweerder ten aanzien van zijn standpunt dat referente vanwege haar korte verblijf in Spanje geen beroep kan doen op haar rechten als gemeenschapsonderdaan, verwezen naar artikel 7 en/of artikel 9 van de Richtlijn. Subsidiair heeft verweerder de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit gelijk is aan de eerdere afwijzende beslissing van 29 april 2010, de rechtsgevolgen in stand te laten nu gelet op de Richtlijn referente geen beroep kan doen op haar rechten als gemeenschapsonderdaan. Meer subsidiair heeft verweerder de rechtbank verzocht de bestuurlijke lus toe te passen en verweerder in de gelegenheid te stellen contact op te nemen met de Spaanse autoriteiten.

3 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt - voor zover hier van belang - onder gemeenschapsonderdanen verstaan:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het EG-Verdrag gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf hebben als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).

In artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat Onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, sub 2, een document of schriftelijke verklaring verschaft, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

In artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is bepaald dat onverminderd het vijfde lid het rechtmatig verblijf niet eindigt door de ontbinding van het huwelijk indien het huwelijk voor het begin van de gerechtelijke procedure tot scheiding ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan de vreemdeling ten minste één jaar in Nederland heeft verbleven. In het vierde lid, aanhef en onder d, van dit artikel is bepaald dat het rechtmatig verblijf, onverminderd het vijfde lid, evenmin eindigt voor de duur waarvoor de omgang is voorgeschreven, indien de vreemdeling op grond van een overeenkomst of gerechtelijke beslissing het omgangsrecht met betrekking tot een minderjarig kind heeft en de omgang ingevolge een rechterlijke beslissing in Nederland moet plaatsvinden.

4.1 De rechtbank neemt bij de beoordeling van onderhavig beroep de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

4.2 Eiser heeft op 18 januari 2009 onderhavige aanvraag ingediend. Bij besluit van

29 april 2010 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat referente geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en zich niet samen met eiser in een andere lidstaat heeft gevestigd, zodat geen aanspraak gemaakt kan worden op verblijfsrecht op grond van het EU-recht. Hiertoe is onder meer het volgende opgemerkt: "In dit geval is niet gebleken dat referente in een andere EU-lidstaat gewerkt heeft of zich in een andere lidstaat heeft gevestigd op grond van het EU gemeenschapsrecht. Weliswaar zijn Spaanse verblijfsdocumenten aangevraagd en verkregen, maar dit betekent niet dat betrokkene en referente ook daadwerkelijk samen op grond van het EG-verdrag in Spanje hebben verbleven. Uit de verklaring van referente, d.d. januari 2009, blijkt dat zij in de periode van december 2004 tot juni 2008 meerdere malen bij betrokkene in Spanje heeft verbleven. Het ging hier om periodes van 2 weken tijdens de schoolvakanties en een periode van zes weken tijdens de zomer. Voorts blijkt uit de verklaring dat referente weliswaar het plan had zich te vestigen in Spanje, maar dat dit niet is doorgegaan vanwege het feit dat zij ernstig ziek werd. Op grond hiervan wordt geoordeeld dat referente nooit bestendig verblijf in Spanje heeft bewerkstelligd, zodat zij geen gebruik gemaakt heeft van haar rechten van vrij verkeer."

4.3 Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 2 december 2010 geoordeeld dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat "uit de afgifte van een EU-verblijfskaart door de Spaanse autoriteiten in beginsel moet worden afgeleid dat referente gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer van personen als hiervoor bedoeld. Noch de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden betreffende het verblijf van betrokkenen in Spanje, noch de tegenwerping van verweerder met betrekking tot de relatief korte verblijfsperiodes van referente in Spanje, kunnen leiden tot een ander oordeel. De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat verweerder kennis draagt van de feiten op grond waarvan Spanje een EU-verblijfskaart aan betrokkenen heeft afgegeven. Om die reden kan niet worden aangenomen dat deze afgifte gebaseerd is op onjuiste informatie, dan wel op onjuiste gronden. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de bepalingen van de richtlijn niet restrictief mogen worden uitgelegd en dat aan deze in geen geval hun effectiviteit mag worden ontnomen (onder meer: Hof 11 december 2007 in de zaak Eind, C-291/05).

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met de vaststelling, zoals uit het vorenstaande blijkt: ten onrechte, dat referente geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en dat eiser reeds daarom geen aanspraak kan maken op verblijf op grond van het EU-recht. Verweerder heeft niet nader onderzocht of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn genoemde voorwaarden, en aldus zijn verblijfsrecht heeft behouden. Dit onderzoek is noodzakelijk ter beoordeling van de vraag of eiser aanspraak heeft op afgifte van een EU-verblijfskaart."

4.4 Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld. De AbRS heeft dit beroep bij uitspraak van 19 september 2011 kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 2 december 2010 bevestigd.

5.1 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de uitspraak van 2 december 2010 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, formele rechtskracht heeft gekregen. Dit brengt met zich dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit - ter uitvoering van de weergegeven uitspraak van 2 december 2010 - de overwegingen van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, in acht diende te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van 2 december 2010 blijkt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente geen beroep kan doen op de Richtlijn, nu uit de afgifte van een EU-verblijfskaart in beginsel moet worden afgeleid dat referente gebruik heeft gemaakt van het vrij verkeer van personen en de door verweerder aangevoerde argumenten - onder meer de relatief korte periode van het verblijf van referente in Spanje - niet tot een ander oordeel leiden. Vervolgens heeft de rechtbank in de uitspraak van 2 december 2010 overwogen dat verweerder ter beoordeling van de vraag of eiser aanspraak heeft op afgifte van een EU-verblijfskaart, dient te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn - thans geïmplementeerd in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 - genoemde vereisten, en aldus zijn verblijfsrecht heeft behouden.

De rechtbank overweegt dat verweerder door in het bestreden besluit te betogen dat referente geen beroep kan doen op de Richtlijn, nu zij nimmer haar recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend omdat zij nooit voor een periode langer dan zes weken in Spanje heeft verbleven en dat aan eiser derhalve ook geen document kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000, niet heeft voldaan aan de aan hem in de uitspraak van 2 december 2010 gegeven opdracht om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak, nu daarin het genoemde standpunt van verweerder door de rechtbank uitdrukkelijk is verworpen. Dit zou slechts anders zijn als zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zouden hebben voorgedaan die maken dat dit standpunt thans wél kan worden ingenomen. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn evenwel niet gebleken. Daarnaast heeft verweerder nagelaten te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden. Het bestreden besluit is derhalve onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering. De rechtbank is van oordeel dat het beroep reeds hierom gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5.2 Zoals in rechtsoverweging 2 is weergegeven, heeft verweerder in de pleitnota en ter zitting het bestreden besluit aangevuld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door zo kort voor de zitting - te weten minder dan 24 uur - het standpunt in te nemen dat referente gelet op artikel 7 van de Richtlijn geen beroep kan doen op de Richtlijn en door eerst ter zitting te verwijzen naar artikel 9 van de Richtlijn en de rechtbank te verzoeken de rechtsgevolgen in stand te laten dan wel de bestuurlijke lus toe te passen, in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. De aanvulling van het bestreden besluit kan om die reden niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep worden betrokken. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de aanvulling niet kan leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit juist is, nu geldt dat het door verweerder gedane beroep op de genoemde artikelen - zo al juist - niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die maken dat verweerder zich, ondanks de uitspraak van 2 december 2010, wederom op het standpunt kan stellen dat referente geen gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van personen.

6 Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank vast dat verweerder, in tegenstelling tot hetgeen in de uitspraak van 2 december 2010 is overwogen, niet heeft onderzocht of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, en aldus zijn verblijfsrecht heeft behouden.

De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door alsnog te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden en naar aanleiding van dit onderzoek een nieuw besluit te nemen.

7 Beslissingen omtrent proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht houdt de rechtbank aan tot de einduitspraak.

8 De rechtbank wijst partijen erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep open staat, maar pas tegelijk met de nog te wijzen einduitspraak. Tot die tijd staat tegen deze tussenuitspraak geen rechtsmiddel open.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak te onderzoeken of eiser na zijn echtscheiding heeft voldaan aan de in artikel 8.15, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde voorwaarden en naar aanleiding van dit onderzoek een nieuw besluit te nemen;

- bepaalt dat verweerder, indien hij van de hiervoor genoemde gelegenheid gebruikmaakt, een afschrift van dit besluit aan de rechtbank zal doen toekomen, onder gelijktijdige toezending aan de gemachtigde van eiser;

- stelt vervolgens eiser in de gelegenheid om binnen twee weken schriftelijk te reageren op het nieuwe besluit en deze reactie te doen toekomen aan de rechtbank, onder gelijktijdige toezending aan de gemachtigde van verweerder;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.J.T. van der Maarl-Pruijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 augustus 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 37, derde lid, van de Wet op de Raad van State kunnen partijen tegen deze tussenuitspraak nog geen hoger beroep instellen.