Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7751

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-34641
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten tijde van het bestreden besluit had de Nederlandse wetgever de Terugkeerrichtlijn nog niet in de nationale wetgeving geïmplementeerd, terwijl de omzettingstermijn hiervoor, gelet op het bepaalde in artikel 20 van de Terugkeerrichtlijn, reeds op 24 december 2010 was verstreken. Hieruit volgt dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit gehouden was uitvoering te geven aan de Terugkeerrichtlijn. In de uitspraak van 21 maart 2011 (LJN: BP9281) heeft de Afdeling geoordeeld - en de rechtbank sluit zich hierbij aan - dat in een meeromvattende beschikking de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat, dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Nu het thans bestreden besluit een meeromvattende beschikking betreft en dit besluit is genomen op het moment dat verweerder reeds uitvoering diende te geven aan de Terugkeerrichtlijn, is daarin naar het oordeel van de rechtbank tevens een terugkeerbesluit vervat. Verweerder heeft derhalve in het bestreden besluit het recht van de Unie ten uitvoer gebracht en de zaak valt daarmee binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest.

Gelet op de brief van de kerk en de overige zich in het dossier bevindende stukken bestaan in het onderhavige geval geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser over een eigen vermogen, dan wel over zodanige inkomsten beschikt, dat hij in staat moet worden geacht het verschuldigde griffierecht te kunnen voldoen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verplichting tot het betalen van griffierecht een wezenlijke inbreuk vormt op het recht op toegang tot de rechter. Dat het in casu, anders dan in voormelde uitspraak van de Afdeling, niet om een belastend besluit gaat, doet daar niet aan af, nu uit die uitspraak niet kan worden afgeleid en naar het oordeel van de rechtbank ook niet valt in te zien dat aan die omstandigheid een doorslaggevend belang moet worden toegekend. Redelijkerwijs kan derhalve niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest vanwege het niet betalen van griffierecht.

(…).

Indien de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zou verklaren wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht zou daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, voortsin strijd worden gehandeld met het op grond van artikel 13 EVRM geldende recht op een effectief rechtsmiddel bij een nationale instantie tegen een gestelde schending van het EVRM.

(…).

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder het algemeen belang zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiser en zijn zoon om het gezinsleven in Nederland te kunnen uitoefenen en het belang van eisers zoon om zijn privéleven met eiser in Nederland te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft hierin derhalve geen aanleiding hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 34641

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 september 2012 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], burger van de Democratische Republiek Congo (DRC)

eiser,

(gemachtigde: mr. F.P. van Straelen, advocaat te Alkmaar),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “verblijf bij zijn zoon [naam] op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 26 januari 2011 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gegrond verklaard (AWB 10/9849).

Bij besluit van 29 september 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 20 januari 2012 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep, met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde verzet is bij uitspraak van 12 april 2012 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats gegrond verklaard. De uitspraak van 20 januari 2012 is daarmee komen te vervallen en het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Verweerder heeft op 25 juni 2012 verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2012. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep:

1. Ingevolge artikel 8:41, tweede lid, Awb wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank, dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

1.1 Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft het beroep tegen het besluit van 29 september 2011 bij uitspraak van 20 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser heeft verzuimd binnen de gestelde termijn het griffierecht te betalen en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is, nu eiser niet heeft gereageerd op het bij brief van 9 november 2011 geboden herstel verzuim. Bij uitspraak van 13 april 2012 is het hiertegen ingestelde verzet gegrond verklaard, omdat niet is beslist op het verzoek om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht van 2 november 2011.

1.2 Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan worden overgegaan, ligt gezien het vorenstaande ter beoordeling voor of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest vanwege het niet betalen van het griffierecht.

1.3 Eiser heeft bij brief van 2 november 2011 verzocht om vrijstelling van het griffierecht op grond van de artikelen 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en 13 EVRM . Eiser stelt dat de onderhavige procedure van fundamenteel belang is voor hem, nu hem ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM is geweigerd. Eiser beschikt echter niet over voldoende middelen om het griffierecht te voldoen en zal daar ook op korte termijn niet over beschikken. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een brief overgelegd van 11 augustus 2011 van de [naam]kerk. Voorts heeft eiser verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 juli 2011 (LJN: BR1257) en het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 januari 2012 in de zaak G.R. tegen Nederland (LJN: BV2982). Ter zitting heeft eisers gemachtigde nog toegelicht dat verweerder in het bestreden besluit het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht nu het bestreden besluit tevens een terugkeerbesluit in de zin van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) behelst.

1.4 Ingevolge artikel 47 van het Handvest heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…). Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die rechtsbijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

1.5 De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van 4 juli 2011 als volgt geoordeeld.

“Het door de rechtbank aan de Afdeling gezonden procesdossier biedt geen aanknopingspunten aan te nemen dat de vreemdeling over eigen vermogen beschikt, dan wel over andere inkomsten (…).

2.2.2. Onder deze omstandigheden vormt de verplichting tot het betalen van een bedrag van € 227,00 aan griffierecht voor het in behandeling nemen van een hoger beroep een wezenlijke inbreuk op het onder andere door artikel 47 van Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij kan er niet aan worden voorbijgegaan dat het bij het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 9 juli 2009 een ambtshalve door de minister genomen, voor de vreemdeling belastend, besluit is. Dat de vreemdeling het griffierecht niet heeft voldaan, staat dan ook niet aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in de weg.

2.2.3. De door de rechtbank aan de Afdeling toegezonden stukken bieden geen aanknopingspunten voor de procedure in beroep, waarvoor een griffiebedrag van € 150,00 gold, tot een andere slotsom te komen. De rechtbank heeft een inhoudelijke beoordeling van het door de vreemdeling tegen het besluit van 18 mei 2010 ingestelde beroep dan ook ten onrechte achterwege gelaten.”

1.6 Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010 (201003052/1/V3) is het Handvest juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest, is het Handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De rechtbank ziet zich ten aanzien van eisers beroep op artikel 47 Handvest derhalve eerst gesteld voor de vraag of verweerder in het thans bestreden besluit het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht omdat het besluit, zoals door eiser is betoogd, tevens een terugkeerbesluit behelst.

1.7 Ten tijde van het bestreden besluit had de Nederlandse wetgever de Terugkeerrichtlijn nog niet in de nationale wetgeving geïmplementeerd, terwijl de omzettingstermijn hiervoor, gelet op het bepaalde in artikel 20 van de Terugkeerrichtlijn, reeds op 24 december 2010 was verstreken. Hieruit volgt dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit gehouden was uitvoering te geven aan de Terugkeerrichtlijn. In de uitspraak van 21 maart 2011 (LJN: BP9281) heeft de Afdeling geoordeeld - en de rechtbank sluit zich hierbij aan - dat in een meeromvattende beschikking de door de Terugkeerrichtlijn vereiste administratieve vaststelling is vervat, dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Nu het thans bestreden besluit een meeromvattende beschikking betreft en dit besluit is genomen op het moment dat verweerder reeds uitvoering diende te geven aan de Terugkeerrichtlijn, is daarin naar het oordeel van de rechtbank tevens een terugkeerbesluit vervat. Verweerder heeft derhalve in het bestreden besluit het recht van de Unie ten uitvoer gebracht en de zaak valt daarmee binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest.

1.8 In de brief van de [naam]kerk van 11 augustus 2011 staat: “Hierbij verklaar ik dat de heer [naam] (…) uit Kongo onder de hoede valt van [naam] in de [naam]kerk [plaatsnaam]. De heer [naam] heeft geen enkele vorm van inkomen en krijgt daarom al sedert geruime tijd een kleine bijdrage van bovengenoemde Stichting om in zijn levensonderhoud te voorzien.”

1.9 Gelet op voormelde brief van de [naam]kerk en de overige zich in het dossier bevindende stukken bestaan in het onderhavige geval geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser over een eigen vermogen, dan wel over zodanige inkomsten beschikt, dat hij in staat moet worden geacht het verschuldigde griffierecht te kunnen voldoen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verplichting tot het betalen van griffierecht een wezenlijke inbreuk vormt op het recht op toegang tot de rechter. Dat het in casu, anders dan in voormelde uitspraak van de Afdeling, niet om een belastend besluit gaat, doet daar niet aan af, nu uit die uitspraak niet kan worden afgeleid en naar het oordeel van de rechtbank ook niet valt in te zien dat aan die omstandigheid een doorslaggevend belang moet worden toegekend. Redelijkerwijs kan derhalve niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest vanwege het niet betalen van griffierecht.

1.10 De rechtbank overweegt voorts dat, ook indien de door eiser voorgelegde zaak niet binnen de werkingssfeer van het Handvest zou vallen, ook op andere gronden niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest wegens het niet betalen van griffierecht. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

1.11 Het EHRM heeft in voornoemd arrest van 10 januari 2012, samengevat, als volgt geoordeeld.

“Klager is een uit Afghanistan afkomstige vluchteling die bij zijn aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning (om zich te voegen bij zijn wettig in Nederland verblijvende echtgenote en kinderen) vroeg om vrijstelling van betaling van de vereiste leges (€ 830). Hij legde hierbij het strookje van de bijstandsuitkering van zijn vrouw over (ongeveer € 988 per maand voor het hele gezin). De toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie eiste echter aanvullende documenten, in het bijzonder een verklaring over zijn inkomsten en bezittingen en bewijs dat hij en zijn vrouw alles in het werk hadden gesteld voldoende fondsen te verwerven uit andere bronnen. De minister weigerde daarop het verzoek in behandeling te nemen, welke weigering door de rechtbank werd gesauveerd. Bij het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak van de rechtbank (in voorlopige voorziening), diende de klager een klacht in Straatsburg in met een beroep op een schending van zijn door art. 8 EVRM gegarandeerde recht op familieleven.

Het Hof besluit de klacht echter ambtshalve te behandelen onder art. 13 EVRM, het recht op een effectief rechtsmiddel voor een nationale instantie bij een vermeende schending van het EVRM (in casu art. 8 EVRM). De centrale vraag is of de klager effectieve toegang tot de administratieve procedure had waarbij hij, als hij aan de wettelijke vereisten voldeed, een verblijfsvergunning zou kunnen krijgen. Alhoewel art. 6 EVRM in casu niet van toepassing is, kunnen de onder die bepaling bij het recht op toegang tot de rechter ontwikkelde principes ook een rol spelen bij art. 13 EVRM. Het gaat dan in het bijzonder om de rechtspraak ten aanzien van de hoogte van griffierechten waarbij het Hof diverse keren heeft aangenomen dat de hoogte daarvan de toegang tot de rechter te zeer belemmerde. Vertaald naar art. 13 EVRM betekent dit dat het wezen (‘the very essence’) van een ‘remedy’ in de zin van deze bepaling een toegankelijke procedure behelst.

Het Hof is van oordeel dat in casu vanwege de maandelijkse bijstandsuitkering van de echtgenote (€ 988) voldoende duidelijk was dat de klager niet in staat was de vereiste leges van € 830 te betalen. Het Hof kan niet begrijpen wat de verder door de minister vereiste documenten hier aan zouden kunnen toevoegen, zeker gezien het feit dat deze informatie bij de (lokale) autoriteiten bekend kon zijn. Het Hof is van oordeel, mede gezien ook de disproportionele verhouding tussen de vereiste leges en het maandelijkse inkomen van klagers familie, dat de extreem formalistische houding van de minister klager ten onrechte afhield van een overigens effectief nationaal rechtsmiddel. Het Hof concludeert dan ook unaniem tot een schending van art. 13 EVRM.”

1.12 Gelet op de door eiser overgelegde brief van de [naam]kerk acht de rechtbank, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, voldoende aannemelijk dat eiser niet in staat kan worden geacht het verschuldigde griffierecht te voldoen. Voorts is van belang dat eiser het onderhavige beroep heeft ingediend naar aanleiding van de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM en heeft aangevoerd dat dit besluit in strijd met artikel 8 EVRM is. Een inhoudelijke beoordeling van het beroep zou derhalve, evenals in voormeld arrest, zien op een gestelde schending van het EVRM. Indien de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zou verklaren wegens het niet voldoen van het verschuldigde griffierecht zou daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd worden gehandeld met het op grond van artikel 13 EVRM geldende recht op een effectief rechtsmiddel bij een nationale instantie tegen een gestelde schending van het EVRM.

1.13 Gezien het vorenstaande kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest ten aanzien van de verplichting tot het voldoen van griffierecht, zodat hierin geen aanleiding bestaat het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal vervolgens overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep:

2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser stelt sinds 4 mei 1992 in Nederland te verblijven.

Op 8 mei 1992 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij uitspraak van 2 juli 1997 van de Afdeling (R02.92.4807 en R02.93.1308) is de afwijzing van deze aanvraag door verweerder onherroepelijk komen vaststaan.

Op 14 juli 1997 heeft eiser een aanvraag om toelating wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. De afwijzing van deze aanvraag door verweerder is onherroepelijk komen vaststaan bij uitspraak van 12 juli 2000 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (AWB 00/538).

Op 29 augustus 2000 heeft eiser opnieuw een aanvraag om toelating wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. De afwijzing van deze aanvraag door verweerder is onherroepelijk komen vaststaan met de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 (200701823/1).

Bij schrijven van 29 november 2007 heeft verweerder meegedeeld dat eiser geen ambtshalve aanbod voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet zal worden gedaan vanwege contra-indicaties. De procedures die eiser hiertegen heeft gevoerd, zijn met de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2010 afgerond, zonder dat eiser in aanmerking is gebracht voor voormelde verblijfsvergunning.

Uit het uitreksel Justitiële Documentatie van 20 september 2011 blijkt dat eiser in de periode 1994 tot en met 2003 is veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:

- Op 27 april 1994 door de politierechter Alkmaar voor het plegen van diefstal (artikel 310 Wetboek van Strafrecht (Sr)) tot Fl. 125,- geldboete.

- Op 15 maart 1996 door het gerechtshof Amsterdam voor het plegen van diefstal met geweld (artikel 312 Sr) tot drie maanden gevangenisstraf.

- Op 5 juni 1997 door het gerechtshof Amsterdam voor het plegen van diefstal (artikel 310 Sr) tot twee weken gevangenisstraf met een voorwaardelijke proeftijd van twee jaren.

- Op 8 januari 1999 door de politierechter Alkmaar voor het plegen van diefstal (artikel 310 Sr) tot 30 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte en met de bijzondere voorwaarde dat de gevangenisstraf van het vonnis van 5 juni 1997 wordt omgezet in 40 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte.

- Op 12 december 2000 door de politierechter Amsterdam voor het plegen van diefstal (artikel 310 Sr) tot 40 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte en twee weken gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren.

- Op 28 mei 2002 door de politierechter Haarlem voor het plegen van diefstal (artikel 310 Sr) tot acht weken gevangenisstraf.

- Op 13 mei 2003 door het gerechtshof Amsterdam voor het plegen van diefstal (artikel 310 Sr) tot 20 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte.

Eiser heeft met [naam], geboren op [geboortedatum] een zoon gekregen, genaamd [naam] ([naam]), geboren op 1 oktober 1993 van Nederlandse en Congolese nationaliteit. [naam] was ten tijde van het bestreden besluit nog minderjarig. Eiser is er in december 2007 van op de hoogte geraakt dat hij een zoon heeft en heeft vanaf die datum omgang met zijn zoon.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Eiser is niet in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en komt niet in aanmerking voor vrijstelling van dat vereiste. Toepassing van het mvv-vereiste is niet in strijd met artikel 8 EVRM en leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder acht daartoe van belang dat geen sprake is van inmenging op het gezinsleven van eiser en [naam]. Niet is gebleken van een objectieve belemmering en de Nederlandse overheid heeft niet door het verlenen van een verblijfsvergunning uitdrukkelijk ingestemd met het verblijf van eiser en hem daardoor in de gelegenheid gesteld gezinsleven uit te oefenen. Van een scheiding tussen eiser en [naam] hoeft geen sprake te zijn nu [naam] (en zijn moeder) ook naar de DRC kunnen gaan om aldaar gezinsleven uit te oefenen. Ten aanzien van het privéleven van [naam] wordt overwogen dat [naam] in Nederland kan blijven. [naam] kan ook contact onderhouden met eiser, onder andere door middel van telefoon en internet, indien hij (en zijn moeder) niet naar de DRC zouden gaan. Thans onderhouden eiser en [naam] ook geen intensief contact. Gelet op de 17-jarige leeftijd (en binnen een week 18-jarige leeftijd) van [naam] kan worden verwacht dat de rol van zijn ouders minder belangrijk aan het worden is. Van eiser, die tot zijn 25-jarige leeftijd in de DRC heeft gewoond, kan worden verwacht dat hij zich daar kan handhaven. Daarbij is van belang dat zijn moeder en andere familieleden nog in de DRC wonen. Tot slot heeft verweerder de strafbare feiten ten nadele van eiser bij de belangenafweging betrokken.

4. Eiser voert, samengevat, aan dat hem ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste is verleend op grond van artikel 8 EVRM, gezien het gezinsleven tussen eiser en zijn zoon [naam] en op grond van het recht op privéleven van zijn zoon [naam] in Nederland. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in de DRC uit te oefenen. Mevrouw [naam], de moeder van [naam], heeft het gezag over haar zoon en zal [naam] niet toestaan om naar de DRC te verhuizen. Dat mevrouw [naam] zou moeten verhuizen, is een onrealistische stelling, nu zij geen partij is in de onderhavige procedure. Daarnaast is sprake van een negatief reisadvies voor de DRC. Ter onderbouwing heeft eiser een uitdraai van de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken overgelegd. [naam] zal niet kunnen overleven in de DRC, nu hij daar, noch in een ander buitenland heeft gewoond. Verweerder heeft voorts de zogeheten Boultif criteria niet op juiste wijze getoetst door de strafrechtelijke antecedenten zwaar te laten wegen in de belangenafweging. Verweerder heeft de aard, ernst en tijdsverloop sinds de misdrijven niet meegewogen. Meegewogen moet worden dat eiser deze strafbare feiten heeft gepleegd om te overleven. Verweerder kan geen doorslaggevend gewicht toekennen aan de omstandigheid dat eiser het gezinsleven is aangegaan tijdens illegaal verblijf in Nederland. Eiser weet pas sinds 2007 dat hij een destijds 14-jarige zoon had en kon niet weigeren om het gezinsleven aan te gaan. Eiser doet voorts een beroep op de artikelen 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Eiser doet voorts een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 oktober 2011 (LJN: BV0360). Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het privéleven dat [naam] in Nederland heeft opgebouwd. Het is niet “in the best interest” van [naam] als zijn vader naar de DRC wordt teruggestuurd. Tot slot merkt eiser op dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de minderjarigheid van [naam], zoals ten tijde van het bestreden besluit het geval was.

4.1 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser en zijn zoon [naam] in Nederland gezinsleven uitoefenen en dat eiser nimmer rechtmatig in Nederland heeft verbleven, zodat het bestreden besluit geen inmenging op dit gezinsleven tot gevolg heeft. Tussen partijen is in geschil of verweerder zich op grond van de in het bestreden besluit opgenomen belangenafweging op het standpunt heeft kunnen stellen, dat op hem geen positieve verplichting rust eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste en hem verblijf in Nederland toe te staan.

4.2 Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 EVRM in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot het uitoefenen van gezinsleven in een bepaalde lidstaat, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van die lidstaat. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat “a certain margin of appreciation” toe. Daarbij moeten alle voor de belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. In dit verband komt, zo volgt eveneens uit jurisprudentie van het EHRM, aanzienlijk gewicht toe aan de omstandigheid dat een vreemdeling gezinsleven aanvangt op een moment dat hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij geen rechtmatig verblijf had. In een dergelijk geval kan het niet toestaan van verblijf aan de vreemdeling slechts onder uitzonderlijke omstandigheden strijd opleveren met artikel 8 EVRM.

4.3 In het beleid van verweerder ter zake is in B2/10.2.3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) het volgende opgenomen.

Bij gezinshereniging dan wel -vorming zal in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden of:

• het gezinsleven is aangegaan terwijl geen verblijfsrecht is verleend;

• er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen;

• er sprake is van bijzondere omstandigheden;

• bij ouders en meerderjarige kinderen of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (more than normal emotional ties).

(…).

In Nederland gevestigde kinderen

In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:

• de nationaliteit van het in Nederland gevestigde kind;

• de leeftijd van het in Nederland gevestigde kind;

• de bijzondere omstandigheden van het in Nederland gevestigde kind;

• de bijdrage die de vreemdeling levert in de kosten voor, en opvoeding van de kinderen;

• de gezagsverhouding;

• de frequentie en regelmaat van het contact met het kind (als uitgangspunt wordt hierbij een minimum van 8 uur per week of één weekend in de twee weken aangehouden. Indien de omvang van het feitelijk contact minder is zou dit in de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling kunnen worden meegenomen);

• het belang van het kind bij de aanwezigheid van de vreemdeling;

• de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven.

4.4 Verweerder heeft de hiervoor opgenomen omstandigheden uit het beleid bij de belangenafweging betrokken en heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat op hem geen positieve verplichting rust. Voor dit oordeel is in de eerste plaats redengevend dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een objectieve belemmering in de zin van het beleid in B2/10.2.3.2 Vc. De stelling van eiser dat desalniettemin sprake is van een belemmering om het gezinsleven in de DRC uit te oefenen, omdat de moeder van [naam] hiermee niet zal instemmen, heeft eiser niet onderbouwd en volgt de rechtbank derhalve niet. Daarbij had eiser ten tijde van het bestreden besluit nagenoeg de meerderjarige leeftijd, die hij inmiddels ook heeft bereikt, zodat [naam] thans zelfstandig kan beslissen of hij gezinsleven in de DRC wenst uit te oefenen. Dat sprake is van een negatief reisadvies naar de DRC leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven aldaar uit te oefenen. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010 (LJN: BO8060), waarin is geoordeeld dat in die situatie niet kan worden gesproken van een objectieve belemmering. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat van [naam] en zijn moeder, mevrouw [naam], kan worden verlangd zich bij eiser in DRC te voegen om aldaar het gezinsleven uit te oefenen. Ten aanzien van mevrouw [naam] is in dit verband van belang dat zij geen relatie heeft met eiser en zij de Nederlandse nationaliteit heeft en ten aanzien van [naam] is van belang dat hij in Nederland is geboren en getogen. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van het bestreden besluit nu is gebleken dat [naam] en zijn vader niet zeer intensief contact onderhouden en voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die tot de conclusie dienen te leiden dat [naam] het gezinsleven met zijn vader in Nederland dient uit te oefenen. Dat eiser thans geen intensieve banden met [naam] kan onderhouden vanwege zijn verblijfsrechtelijke situatie, doet daar niet aan af. Verweerder heeft derhalve kunnen overwegen dat eiser en [naam] ook op andere wijze invulling kunnen geven aan het gezinsleven. Daarbij is niet zonder belang dat [naam] ten tijde van het bestreden besluit bijna meerderjarig was en dit thans is en daarom in staat moet worden geacht zelfstandig zijn vader in de DRC te kunnen bezoeken. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat verweerder de door hem gepleegde strafbare feiten onevenredig zwaar bij de beoordeling heeft betrokken gelet het tijdsverloop sinds deze misdrijven en eisers gedrag sindsdien. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het gezinsleven tussen eiser en [naam], leidt deze omstandigheid niet tot een ander oordeel. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder het algemeen belang zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiser en [naam] om het gezinsleven in Nederland te kunnen uitoefenen en het belang van [naam] om zijn privéleven met eiser in Nederland te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft hierin derhalve geen aanleiding hoeven zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.

4.5 Eisers beroep op de hierboven genoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 oktober 2011 faalt. Anders dan in de zaak waarop die uitspraak betrekking had, heeft de zoon van eiser, [naam], de Nederlandse nationaliteit en is hij derhalve in staat zijn privéleven in Nederland uit te oefenen, maar is hij niet in staat het gezinsleven met zijn vader in Nederland uit te oefenen.

4.6 Ten aanzien van het beroep op artikel 3 en 9 IVRK en artikel 24 Handvest overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012 (LJN: BV3716) volgt dat voormelde artikelen rechtstreekse werking hebben in zoverre dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van [naam]. Het beroep op deze artikelen faalt derhalve.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, voorzitter en mrs. H.C. Greeuw en S.W.S. Kiliç, rechters, in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.