Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7741

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/26660
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting heeft eiser zich uitdrukkelijk en herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat zijn beroep uitsluitend erop is gericht de uitspraak te herzien van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 24 augustus 2011 (AWB 10/42894). Hieruit begrijpt de rechtbank dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag van 9 augustus 2012.

Voor zover eiser betoogt dat het belang is gelegen in een beoordeling van het herzieningsverzoek, faalt dit betoog. Eiser heeft geen verzoek bij de rechtbank ingediend om de uitspraak van 24 augustus 2011 te herzien maar hij heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van een bij verweerder ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De hiervoor door eiser ter zitting gegeven reden, namelijk dat hij van de Raad voor Rechtsbijstand voor een herzieningsverzoek geen toevoeging kon krijgen en voor een aanvraag zonder nova wel, is geen reden om af te wijken van de wet.

Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

De rechtbank ziet aanleiding om eiser op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die verweerder heeft moeten maken, omdat eiser kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 12/26660, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam ], eiser,

gemachtigde: mr. drs. R.E.J.M. van den Toorn, advocaat te Made,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Graafland, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 17 augustus 2012 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 20 augustus 2012 beroep ingesteld.

De zaak is op 5 september 2012 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Eiser heeft op 10 juni 2008 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend bij verweerder. Deze aanvraag is bij besluit van 24 november 2010 afgewezen. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 24 augustus 2011 (AWB 10/42894) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Na deze uitspraak heeft eiser nog vier keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De laatste aanvraag heeft eiser op 9 augustus 2012 ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 17 augustus 2012 afwijzend beslist op deze asielaanvraag. Tegen deze afwijzing heeft eiser thans beroep ingesteld.

2.2. Ter zitting heeft eiser zich uitdrukkelijk en herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat zijn beroep uitsluitend erop is gericht de uitspraak te herzien van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 24 augustus 2011 (AWB 10/42894). Uit wat eiser ter zitting heeft verklaard begrijpt de rechtbank dat er wat hem betreft al bij zijn aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (ter zitting noemde eiser dit een herhaalde aanvraag zonder nova) en dat hij alleen de gestelde kennelijke misslag in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, aan de orde wil stellen. Hieruit begrijpt de rechtbank dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag van 9 augustus 2012. Voor zover eiser betoogt dat het belang is gelegen in een beoordeling van het herzieningsverzoek, faalt dit betoog. Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de rechtbank op grond van bepaalde feiten en omstandigheden, en op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien. Een verzoek om herziening van een uitspraak moet gelet op dit artikel worden gedaan door middel van het indienen van een verzoek daartoe bij de rechtbank. In het onderhavige geval heeft eiser niet aan dit vereiste voldaan, al omdat eiser geen verzoek bij de rechtbank heeft ingediend om de uitspraak van 24 augustus 2011 te herzien maar beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van een bij verweerder ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De hiervoor door eiser ter zitting gegeven reden, namelijk dat hij van de Raad voor Rechtsbijstand voor een herzieningsverzoek geen toevoeging kon krijgen en voor een aanvraag zonder nova wel, is geen reden om af te wijken van de wet.

Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

2.3. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser evenmin belang heeft bij de beoordeling van zijn asielaanvraag van 9 augustus 2012 zelfs bij het bestaan van nieuwe feiten en omstandigheden die een rechterlijke toets rechtvaardigen, omdat bij besluit van 17 februari 2012 tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd. Op de voet van artikel 66a, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan in dat geval een herhaalde aanvraag niet leiden tot het beoogde doel, namelijk rechtmatig verblijf.

2.4. De rechtbank ziet aanleiding om eiser op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die verweerder heeft moeten maken, omdat eiser kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij wist dat hij een herzieningsverzoek moest indienen bij de rechtbank, maar dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij daarvoor geen toevoeging kreeg. De vervolgens - kennelijk ter voorkoming van het zelf moeten financieren van de herzieningsprocedure - gekozen aanpak om via een nieuwe asielaanvraag en beroep tegen de afwijzing daarvan, herziening te verkrijgen van een eerdere uitspraak van de rechtbank, is misbruik van het procesrecht.

De door verweerder gemaakte kosten worden begroot op de reiskosten van een retour tweede klas van het NS station Rijswijk (gelegen in de buurt van het kantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst) naar de rechtbank in Dordrecht. De reiskosten worden op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 toegekend op basis van kosten van openbaar vervoer, tot een bedrag van € 15,56 (conform www.9292.nl). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de rechtbank niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt eiser in de proceskosten die verweerder in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 15,56 ter zake van reiskosten.

Aldus gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, en door deze en mr. S. Kuiper, griffier, ondertekend.