Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7533

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
09/753344-12 en 10/743736-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een moskee. Door de brandstichting is voor een bedrag van ruim € 6.500,- aan schade toegebracht aan de moskee. Gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht. Zie ook LJN BX7529 (medeverdachte).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers 09/753344-12 en 10/743736-10 (TUL)

Datum uitspraak: 17 september 2012

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1988 te [ geboorteplaats],

wonende [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Torentijd" te Middelburg.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 september 2012.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. B.A.S.E. Maandag, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. E.A. Lensink heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod bij Reclassering Nederland en deelname aan een gedragsinterventie.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam d.d. 10 juni 2011 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 april 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in de [moskee] ([adres]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een met terpentine doordrenkte doek in aanraking gebracht met (open) vuur en/of (vervolgens) die doek in de brievenbus gestopt, terwijl in die brievenbus papier lag, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een met terpentine doordrenkte doek en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die [moskee] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

op 7 april 2012 te [plaats], opzettelijk brand heeft gesticht in de [moskee] ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een met terpentine doordrenkte doek in aanraking gebracht met (open) vuur en vervolgens die doek in de brievenbus gestopt ten gevolge waarvan die [moskee] gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de nacht van 7 april 2012 schuldig gemaakt aan brandstichting in de [moskee] te [plaats]. Door de brandstichting is voor een bedrag van ruim € 6.500,- aan schade toegebracht aan de moskee. Dit is een buitengewoon ernstig feit. Daarnaast valt verdachte aan te rekenen dat hij de brand heeft gesticht in een moskee, waarmee hij, ongeacht de motieven van verdachte, personen heeft aangetast in hun geloofsovertuiging. Daar komt bij dat de aanbouw aan de achterzijde van de moskee gebouwd is tegen een rij woningen, gelegen aan de [adres]. Er was dan ook gevaar voor het overslaan van de brand naar de belendende percelen.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 10 juli 2012, waaruit onder meer blijkt dat verdachte zich zeer coöperatief opstelt en gemotiveerd is om nieuwe contacten met politie en justitie te voorkomen. Verder blijkt daaruit dat het alcoholgebruik van verdachte wel een zeer grote risicofactor is en dat daardoor de kans op impulsief gedrag en delictgedrag wordt vergroot. Geadviseerd wordt dan ook om verdachte onder reclasseringstoezicht te stellen met verplichte deelname aan een leefstijltraining, waarbij verdachte wordt gemotiveerd om zijn alcoholgebruik onder controle te houden. Voorts wordt een intake bij De Waag zinvol geacht.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het op verdachte betrekking hebbend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 8 juni 2012, waaruit blijkt dat de verdachte wel eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als het onderhavige.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij vrij snel na de brandstichting is teruggegaan en heeft getracht de brand uit te maken en de brandweer heeft doen bellen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk passend en geboden is. Het voorwaardelijke deel dient ertoe te leiden dat verdachte de kans krijgt het geadviseerde hulpverleningstraject te volgen. Bovendien dient het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Mede gelet op het feit dat niet is gebleken dat verdachte de brand uit racistisch oogpunt heeft gesticht, zal de straf wat lager uitvallen dan door de officier van justitie gevorderd.

Vordering tot tenuitvoerlegging (10/743136-10)

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 2 augustus 2012 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van de rechtbank te Rotterdam d.d. 10 juni 2011, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 157 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, in dit geval RN Adviesunit 2 Den Haag, Bezuidenhoutseweg 179, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank te Rotterdam d.d. 10 juni 2011, gewezen onder parketnummer 10/743136-10, te weten gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

mrs. V.J. de Haan en M.J.J. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.D. Broers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2012.