Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7490

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/24777
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van het vorenstaande stelt de Rb. vast dat, anders dan ten tijde van de behandelingen van de hoger beroepen door de ABRS die hebben geleid tot eerdergenoemde uitspraken van 4 en 23 mei 2012, de Chinese autoriteiten niet langer instemmen met verwijderingen met behulp van een EU-staat, zij een aanzienlijke periode geen afspraak tot overleg hebben willen maken over de verwijdering van Chinese vreemdelingen en er in augustus 2012 geen presentaties plaatsvinden. Naar het oordeel van de Rb. duidt het voorgaande niet op een welwillende houding van de Chinese autoriteiten.

De Rb. is voorts van oordeel dat hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht geen concreet aanknopingspunt oplevert dat de verwachting rechtvaardigt dat op korte termijn weer zal kunnen worden overgegaan tot verwijdering van vreemdelingen naar China met gebruikmaking van een lp of een EU-staat. Dat verweerder in september 2012 contact met de Chinese autoriteiten kan opnemen voor het maken van een afspraak tot overleg maakt dit niet anders, nu verweerder noch over het tijdstip hiervan, noch over de inhoud en reikwijdte van dit eventuele overleg concrete informatie heeft kunnen verstrekken. De Rb. passeert voorts de stelling van verweerder dat de vreemdeling eventueel met behulp van een advocaat in China aan originele documenten zou kunnen komen, zodat nog steeds zicht op uitzetting bestaat. Immers, zoals hierboven is overwogen, is gebleken dat het overleggen van andere documenten (hetzij in origineel, hetzij in kopie) dan een origineel en geldig paspoort thans niet leidt tot het verstrekken van een lp of een EU-staat. Ook de (eventuele) verkrijging van een (origineel of kopie) document anders dan een geldig en origineel paspoort, leidt derhalve bij de huidige stand van zaken niet tot een redelijk vooruitzicht op verwijdering, zodat aan de vreemdeling niet langer ter motivering van de bewaring kan worden tegengeworpen dat hij niet of in onvoldoende mate aan zijn verplichting tot medewerking voldoet, voor zover het gaat om andere documenten dan een geldig en origineel paspoort.

Uit de meergenoemde uitspraken van de ABRS van 4 mei 2012 (LJN: BW5665) en 23 mei 2012 (LJN: BW6815) blijkt evenwel ook dat in 2011 en 2012 tot dan toe circa 35 respectievelijk circa 10 Chinese vreemdelingen zijn uitgezet naar China met gebruikmaking van een geldig paspoort. Ter zitting heeft verweerder nog uiteengezet dat niet kan worden uitgesloten dat de vreemdeling alsnog in het bezit blijkt te zijn van een geldig en origineel paspoort. Ervaring heeft geleerd dat het regelmatig voorkomt dat ook indien de vreemdeling reeds geruime tijd in bewaring verblijft alsnog een paspoort wordt overgelegd, aldus verweerder.

De Rb. stelt voorop dat van de in bewaring gestelde vreemdeling volgens vaste jurisprudentie mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Derhalve mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij zijn actieve en volledige medewerking verleent aan het alsnog overleggen van een geldig paspoort, nu de vreemdeling daarmee kan worden uitgezet zonder lp of EU staat. Nu evenwel in het onderhavige geval de bewaring reeds geruime tijd voorduurt en er geen concreet aanknopingspunt is dat de vreemdeling alsnog in het bezit zal raken van een origineel en geldig Chinees paspoort, acht de Rb. het weinig waarschijnlijk dat de vreemdeling binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet naar China.

De Rb. is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval het vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2012-08-29
Vreemdelingenwet 2000 94, geldigheid: 2012-08-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/24777

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2012 in de zaak tussen

[vreemdeling], V-nummer [a],

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti, advocaat te Amsterdam),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong, ambtenaar ten departemente).

Procesverloop

De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1960 en de Chinese nationaliteit te hebben.

Op 5 augustus 2012 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het verlengingsbesluit van 2 augustus 2012, waarbij verweerder de op 16 februari 2012 aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring met ten hoogste 12 maanden heeft verlengd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft de rechtbank en de gemachtigde van de vreemdeling schriftelijke inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. De gemachtigde van de vreemdeling heeft op 8 augustus 2012 een reactie ingediend.

De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2012.

De vreemdeling heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr. F. Kellouh, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Hollebrandse, ambtenaar ten departemente.

De rechtbank is na sluiting van de zitting tot het oordeel gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest en heeft met gebruikmaking van haar bevoegdheid ex artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek bij beslissing van

20 augustus 2012 heropend en de zaak verwezen voor behandeling door de meervoudige kamer.

Op 24 augustus 2012 is het beroep opnieuw ter zitting behandeld.

De vreemdeling heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr. F. Kellouh, advocaat te Den Haag, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. de Jong, ambtenaar ten departemente.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (Tri), geïmplementeerd in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000, kan de maximaal toegestane bewaringstermijn van zes maanden met ten hoogste 12 maanden worden verlengd indien:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt; of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

Ingevolge artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 kan in afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid, de bewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op de grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

In artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat het eerste, derde en vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing is op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.

2 Verweerder heeft de beslissing tot voortzetting van de bewaring doen steunen op de omstandigheid dat de vreemdeling op geen enkele wijze initiatieven heeft getoond die gericht zijn op medewerking aan terugkeer naar China en de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Dit gebrek aan medewerking is door de vreemdeling niet bestreden.

3 Gelet op de reactie van de gemachtigde van de vreemdeling van 8 augustus 2012 en het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe op de vraag of nog sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering van de vreemdeling naar China.

In het licht van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 13 juli 2012 (LJN: BX2087) zal de rechtbank hierna beoordelen of het voortduren van de bewaring nog steeds gerechtvaardigd is te achten.

De AbRS heeft in de uitspraken van 4 mei 2012 (LJN: BW 5665) en 23 mei 2012 (LJN: BW6815) geoordeeld dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat vooruitzicht op verwijdering naar China binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hierbij heeft de AbRS van belang geacht dat uit de door verweerder verstrekte informatie volgt dat in 2011 en 2012 nog steeds overleg plaatsvond met de Chinese autoriteiten met betrekking tot de afgifte van lp's, dat de Chinese autoriteiten zich bereid hebben verklaard om op verzoek van vreemdelingen presentaties te houden en dat het naast het lp-traject mogelijk is gebleken om vreemdelingen gedwongen terug te laten keren naar China met gebruikmaking van een EU-staat.

Uit de beschikbare informatie leidt de rechtbank af dat in 2011 zeven personen met gebruikmaking van een EU-staat naar China zijn teruggekeerd en dat in 2012 zes personen zijn teruggekeerd met gebruikmaking van een EU-staat. Van belang is hierbij dat deze personen beschikten over een origineel identiteitsdocument dan wel een kopie daarvan.

Voorts valt uit de beschikbare informatie af te leiden dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met juni 2012 circa 445 lp-aanvragen bij de Chinese autoriteiten zijn ingediend.

In juni 2010 zijn zeventien lp's verstrekt, in 2011 zijn twee lp's verstrekt op basis van een kopie van een identiteitsdocument en in 2012 is tot op heden geen enkele lp afgegeven, ook niet aan vreemdelingen die beschikten over een kopie van hun paspoort dan wel een kopie van hun huwelijksakte.

Vast staat dat op 28 juni 2012 is gebleken dat de Chinese autoriteiten niet langer instemmen met de uitzetting van een vreemdeling met gebruikmaking van een EU-staat, zodat deze weg voor verweerder op dit moment niet openstaat. Verder vinden in ieder geval sinds augustus 2012 geen presentaties bij de Chinese autoriteiten meer plaats.

Naar aanleiding van de door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, gestelde vragen met betrekking tot het overleg met de Chinese autoriteiten heeft verweerder bij brief van 17 augustus 2012 geantwoord dat in april 2012 het laatste overleg met de Chinese autoriteiten heeft plaatsgevonden, dat dat een overleg op operationeel niveau was, en dat de Chinese autoriteiten hebben aangegeven dat vanwege drukke werkzaamheden geen gelegenheid bestond voor verdere afspraken. Verweerder kan in september 2012 weer contact opnemen met de Chinese autoriteiten voor het maken van een afspraak. Doel van het voorgenomen overleg is om in samenspraak met de Chinese autoriteiten te komen tot een hervatting van het proces tot afgifte van lp's.

Ter zitting heeft verweerder geen nadere informatie kunnen verstrekken over de nog te maken afspraak voor het overleg met de Chinese autoriteiten. Een exacte datum waarop contact zal worden opgenomen met de Chinese autoriteiten is nog niet bekend. Evenmin kon verweerder aangeven op welke termijn een eventuele afspraak voor overleg daadwerkelijk zal kunnen plaatsvinden. Naar verweerder heeft gesteld zal dit overleg op operationeel niveau plaatsvinden. Desgevraagd kon verweerder niet aangeven of (ook) een overleg op een hoger (bestuurlijk of ambtelijk) niveau gepland wordt. De vraag of uitsluitend het lp-proces ter sprake zal komen of ook de mogelijkheid van het hervatten van uitzettingen met behulp van een EU-staat heeft verweerder niet kunnen beantwoorden. Ook heeft verweerder niet kunnen aangeven of en zo ja, op welke termijn, de presentaties in persoon weer hervat zullen worden.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat, anders dan ten tijde van de behandelingen van de hoger beroepen door de AbRS die hebben geleid tot eerdergenoemde uitspraken van 4 en 23 mei 2012, de Chinese autoriteiten niet langer instemmen met verwijderingen met behulp van een EU-staat, zij een aanzienlijke periode geen afspraak tot overleg hebben willen maken over de verwijdering van Chinese vreemdelingen en er in augustus 2012 geen presentaties plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het voorgaande niet op een welwillende houding van de Chinese autoriteiten.

De rechtbank is voorts van oordeel dat hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht geen concreet aanknopingspunt oplevert dat de verwachting rechtvaardigt dat op korte termijn weer zal kunnen worden overgegaan tot verwijdering van vreemdelingen naar China met gebruikmaking van een lp of een EU-staat. Dat verweerder in september 2012 contact met de Chinese autoriteiten kan opnemen voor het maken van een afspraak tot overleg maakt dit niet anders, nu verweerder noch over het tijdstip hiervan, noch over de inhoud en reikwijdte van dit eventuele overleg concrete informatie heeft kunnen verstrekken. De rechtbank passeert voorts de stelling van verweerder dat de vreemdeling eventueel met behulp van een advocaat in China aan originele documenten zou kunnen komen, zodat nog steeds zicht op uitzetting bestaat. Immers, zoals hierboven is overwogen, is gebleken dat het overleggen van andere documenten (hetzij in origineel, hetzij in kopie) dan een origineel en geldig paspoort thans niet leidt tot het verstrekken van een lp of een EU-staat. Ook de (eventuele) verkrijging van een (origineel of kopie) document anders dan een geldig en origineel paspoort, leidt derhalve bij de huidige stand van zaken niet tot een redelijk vooruitzicht op verwijdering, zodat aan de vreemdeling niet langer ter motivering van de bewaring kan worden tegengeworpen dat hij niet of in onvoldoende mate aan zijn verplichting tot medewerking voldoet, voor zover het gaat om andere documenten dan een geldig en origineel paspoort.

Uit de meergenoemde uitspraken van de AbRS van 4 mei 2012 (LJN: BW 5665) en 23 mei 2012 (LJN: BW6815) blijkt evenwel ook dat in 2011 en 2012 tot dan toe circa 35 respectievelijk circa 10 Chinese vreemdelingen zijn uitgezet naar China met gebruikmaking van een geldig paspoort. Ter zitting heeft verweerder nog uiteengezet dat niet kan worden uitgesloten dat de vreemdeling alsnog in het bezit blijkt te zijn van een geldig en origineel paspoort. Ervaring heeft geleerd dat het regelmatig voorkomt dat ook indien de vreemdeling reeds geruime tijd in bewaring verblijft alsnog een paspoort wordt overgelegd, aldus verweerder.

De rechtbank stelt voorop dat van de in bewaring gestelde vreemdeling volgens vaste jurisprudentie mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Derhalve mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij zijn actieve en volledige medewerking verleent aan het alsnog overleggen van een geldig paspoort, nu de vreemdeling daarmee kan worden uitgezet zonder lp of EU staat. Nu evenwel in het onderhavige geval de bewaring reeds geruime tijd voorduurt en er geen concreet aanknopingspunt is dat de vreemdeling alsnog in het bezit zal raken van een origineel en geldig Chinees paspoort, acht de rechtbank het weinig waarschijnlijk dat de vreemdeling binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet naar China.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval het vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt.

4 Nu ter zitting is komen vast te staan dat verweerder geen concrete informatie kan verstrekken over de hervatting van het overleg met de Chinese autoriteiten is de rechtbank van oordeel dat de bewaring vanaf 24 augustus 2012 onrechtmatig moet worden geoordeeld.

Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden.

Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 5 x € 80,-- = € 400,--.

De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.311,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 400,-- ten laste van verweerder, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.311,-- welke kosten verweerder aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, voorzitter, mr. A.P. Pereira Horta en

mr. G.F. van der Linden-Burgers, leden, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95, in samenhang met artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)