Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7450

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/6180, AWB 11/6181, en AWB 11/6182
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser zijn drie naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. In geschil is of eiser inhoudingsplichtige is. Verder zijn de nageheven bedragen en de opgelegde vergrijpboeten in geschil.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een voor eigen rekening gedreven onderneming en dat deze onderneming een vaste inrichting in de zin van artikel 6, tweede lid van de Wet op de loonbelasting is. Met betrekking tot één van de naheffingsaanslagen komt de rechtbank tot een ander oordeel omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in het desbetreffende tijdvak voor eigen rekening een onderneming exploiteerde.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder de bewijslast terecht heeft omgekeerd en verzwaard. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de redelijkheid van de door verweerder gemaakte schatting.

De rechtbank vermindert de boetes met 20% en vermindert deze verder in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding van eiser wijst de rechtbank af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2292
FutD 2012-2482 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/6180, AWB 11/6181, en AWB 11/6182

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2012 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z] (België,) eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 18 november 2010 aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 één naheffingsaanslag (aanslagnummer [a]) en voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 twee naheffingsaanslagen loonheffingen (aanslagnummers [b] en [c]), opgelegd. Bij de vaststelling van elk van deze naheffingsaanslagen heeft verweerder een boetebeschikking en een beschikking heffingsrente gegeven. De opgelegde vergrijpboeten bedragen 50% van de nageheven loonheffingen.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 juni 2011 de naheffingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 juli 2011, ontvangen bij de rechtbank op 21 juli 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A], [B] en [C].

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2. Eiser is woonachtig in België.

3. Eiser was tot en met december 2008 huurder van het pand [a-straat 1] te [D]. Volgens de inschrijvingen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dreef eiser vanuit en in dit pand in de vorm van een eenmanszaak [E] en Massagesalon [F]. Van de activiteiten van Massagesalon [F] is geen kasadministratie bijgehouden.

4. Eiser heeft in 2008 een portiekwoning gehuurd aan de [b-straat 1] te [D]. Aanvankelijk hield eiser daar kantoor. Dat beviel hem niet; al na een maand heeft eiser zich in [G] gevestigd. Sindsdien geeft hij van daaruit leiding aan zijn zakelijke activiteiten

5. Gedurende het jaar 2008 huurde eiser een pand aan de [c-straat 1] te [H]. In dit pand was een massagesalon gevestigd. Bij brief van 18 september 2008 heeft eiser de gemeente [H] verzocht een exploitatievergunning af te geven voor de massagesalon (hierna: Massagesalon [H]). In deze brief noemt eiser de namen van de bedrijfsleider en van twee masseuses die in de Massagesalon [H] werkzaam zijn en meldt hij dat hijzelf algemeen directeur van de massagesalon is. De vergunning is niet verleend door de gemeente. In 2008 waren in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: de GBA) acht personen op het adres [c-straat 1] te [H] ingeschreven. Massagesalon [H] was niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Van de activiteiten van Massagesalon [H] is geen administratie bijgehouden.

6. Eiser heeft een pand aan de [d-straat 1] te [I] met de daarin gevestigde saunaclub (hierna: Saunaclub [I]) gehuurd. In november 2008 heeft eiser de gemeente [J] verzocht om afgifte van een exploitatievergunning en een horecavergunning voor de saunaclub. Op 12 februari 2009 heeft de gemeente [J] deze vergunningen op naam van eiser verstrekt. In een op 13 februari 2009 getekende standaard vaststellingsovereenkomst heeft eiser zich jegens verweerder verbonden in Saunaclub [I] te werken volgens het zogeheten Voorwaardenpakket. Vervolgens heeft eiser zeven opting-in verklaringen bij verweerder ingediend voor de bij Saunaclub [I] werkzame personen. Tijdens een door verweerder op 8 juli 2009 ingesteld bedrijfsbezoek is gebleken dat de administratie niet werd gevoerd overeenkomstig de eisen van het Voorwaardenpakket. Wel werd er een gedeeltelijke administratie, bestaande uit kasbladen, bijgehouden.

7. Op 7 juli 2008 heeft het Controleteam Prostitutie en Mensenhandel (hierna CPM) een bezoek aan Massagesalon [F] gebracht. Naar aanleiding van dit bezoek en de daarvan opgemaakte processen verbaal is verweerder een boekenonderzoek gestart. In eerste instantie was het boekenonderzoek gericht op het vaststellen van seksgerelateerde werkzaamheden in Massagesalon [F]. Nadien heeft verweerder ook Saunaclub [I] en Massagesalon [H] alsmede de in het pand aan de [b-straat 1] te [D] ontplooide activiteiten in het onderzoek betrokken.

Een kopie van het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgestelde rapport met dagtekening 19 augustus 2010 behoort tot de gedingstukken. Een afschrift van het (concept)controlerapport en een mededeling ten aanzien van de op te leggen naheffingsaanslagen en boetes is op 18 juni 2010 aan eiser verzonden. Op basis van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn met dagtekening 18 november 2010 de onder 8. gespecificeerde naheffingsaanslagen loonheffingen en beschikkingen opgelegd, onderscheidenlijk gegeven.

8. De naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, aanslagnummer [a], heeft betrekking op de activiteiten van Massagesalon [F] en Massagesalon [H]. Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 210.549. Bij de gelijktijdig gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente is een vergrijpboete van € 105.274 opgelegd en is € 11.834 heffingsrente in rekening gebracht. Het totaal te betalen bedrag beloopt mitsdien € 327.657.

De naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009, aanslagnummer [c], heeft betrekking op de activiteiten in Saunaclub [I]. Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 89.335. Bij de gelijktijdig gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente is een vergrijpboete van € 44.667 opgelegd en is € 1.972 heffingsrente in rekening gebracht. Het totaal te betalen bedrag beloopt mitsdien € 135.974.

De naheffingsaanslag loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009, aanslagnummer [b],heeft betrekking op de activiteiten die plaatsvonden in het pand aan de [b-straat] te [D]. Het bedrag van de naheffingsaanslag is € 32.561. Bij de gelijktijdig gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente is een vergrijpboete van € 16.280 opgelegd en is € 719 heffingsrente in rekening gebracht. Het totaal te betalen bedrag beloopt mitsdien € 49.560.

9. Eiser is op 18 augustus 2008 tweemaal verhoord door het CPM, te weten om 10.00 en om 12.00 uur. In de processen verbaal van deze verhoren heeft eiser ten aanzien van Massagesalon [F] het volgende verklaard.

Uit proces verbaal van 10.00 uur:

"(...)

Wie is eigenaar van deze massagesalon op voornoemd adres?

Ik ben de eigenaar en exploitant. Het is namelijk een eenmanszaak.

Behalve Massage Salon [F] is op datzelfde adres een ander bedrijf van mij gevestigd en die heeft de naam [E]. Dat bedrijf staat ook ingeschreven bij de kamer van koophandel.

(...)

In de massagesalon werken er drie vrouwen voor mij.

Ze hebben een contract met mij en zijn aangemeld bij de belastingdienst.

De hele opzet is als volgt. Wanneer iemand van mijn schoonmaak en montagebedrijf in de ziektewet beland en een behandeling nodig heeft, kan de zieke werknemer terecht bij de dames in de massagesalon voor een behandeling. Ook zieke werknemers van andere bedrijven kunnen terecht bij die dames.

Hoeveel vrouwen werken er voor de massagesalon?

Totaal zijn het er drie en na de vakanties, over één week al komen er twee dames bij. (...)

In wat voor dienstverband werken de vrouwen?

De dames hebben een dienstverband van 38 uur per week.

Ik heb u al een arbeidscontrct van mevrouw... opgestuurd en geef u nu een kopie van haar salarisspecificatie. Wat betreft de contracten van de andere twee dames, die zal ik later ook aan u geven.

(...)

Wat zijn de prijzen voor de diensten van de vrouwen?

De prijzen beginnen vanaf 130 euro en dat duurt een uur. (...)

Er kan ook een behandeling komen van een hals uur en dan wordt de prijs gehalveerd.

(...)

Wie stelt de prijzen van de vrouwen/behandeling vast?

Samen met de masseuses heb ik de prijzen vastgesteld. We praten daar af en toe over. Ik heb een keer per maand werkoverleg met de dames.

Wie draagt er zorg voor de dagelijkse gang van zaken?

Dat is mevrouw....voor het pand in [D], aan het [a-straat]. Zij neemt de telefoon op, maakt afspraken en masseert ook. Zij is een soort bedrijfsleider.

Zelf doe ik de inkoop van allerlei artikelen, zoals de oliën, drankjes, schoonmaakmiddelen.

(...)

Hoe kan het zijn dat er een internetsite is waarbij .... en een andere vrouw adverteren op internet met privé ontvangst en dat ze de klanten ontvangen op het adres [a-straat 1]?

Ik weet daar wel van. Het gebeurde wel, maar op kleine schaal. (...)

Ik weet dus dat er wel eens sexuele handelingen gebeuren tijdens een massage. Ik weet ook van dat de dames na werktijd wel een wat klanten ontvangen voor een sexuele massage. De dames vroegen dat aan mij en ik had er in eerste instantie bezwaar tegen. Maar omdat als ik geen toestemming zou geven ze het toch zouden doen ben ik overstag gegaan. Dit is ales overigens nog maar sinds dit jaar aan de gang. Het waren de dames.....en........die mij dit voorstel deden.

Ik ging met dat voorstel accoord en de prijs voor een half uur met een klant is 75 euro. Hiervan was 25 euro voor het huis, voor mij dus en 50 euro konden de meisjes zelf behouden. Ik wist er dus van dat de meisjes na werktijd sex hadden met klanten in het pand aan de [a-straat 1] in [D]. (...)"

Uit proces verbaal van 12.00 uur:

"Wie heeft de leiding als de massagesalon open is?

Ik heb de leiding. Als ik er niet ben heeft...de leiding over de massagesalon. Zij is een werknemer van mij.

Waarom heeft u geen exploitatievergunning aangevraagd voor uw massagesalon alwaar seksuele handelingen worden verricht?

Ik wist wel dat je hiervoor een vergunning moest hebben. Ik heb het niet aangevraagd omdat ik weet dat het zeer moeilijk is om hiervoor een vergunning te verkrijgen. De massages met hoogtepunt gebeurde daarom ook buiten openingstijden van de massagesalon.

(...)"

10. Eiser heeft voorts verklaard dat hij met advertenties in dagblad 'De Telegraaf' en op de internetsites Kinky.nl, Speurders.nl en Sexjobs masseuses wierf. Verweerder heeft een aantal advertentieteksten in het tot de gedingstukken behorende controlerapport opgenomen.

Geschil

11. In geschil is of verweerder eiser terecht heeft aangemerkt als de inhoudingsplichtige tot wie de personen die in 2008 en 2009 werkzaamheden verrichtten in Massagesalon [F], Massagesalon [H], Saunaclub [I] en het pand aan de [b-straat] te [D] in dienstbetrekking stonden.

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn voorts de bedragen van de nageheven loonheffingen in geschil. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vragen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard en of de naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op redelijke schattingen van de verschuldigde loonheffingen.

Tenslotte is in geschil of verweerder vergrijpboeten mocht opleggen en zo ja, of de boeten tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

12. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente.

13. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

14. Voor de onderbouwing van de conclusies van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag loonheffingen aanslagnummer [a]

15. Deze naheffingsaanslag betreft de betalingen in 2008 aan de in dat jaar in Massagesalon [F] en Massagesalon [H] werkzame personen.

Massagesalon [F]

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem overgelegde stukken, in het bijzonder de processen verbaal van de verhoren door het CPM, de advertentieteksten en de in het controlerapport opgenomen bevindingen van het bezoek aan Massagesalon [F] aannemelijk gemaakt dat eiser in 2008 onder de naam Massagesalon [F] voor eigen rekening een onderneming exploiteerde en dat deze onderneming seksuele dienstverlening door in de onderneming werkzame personen aanbood.

17. Niet tussen partijen in geschil is dat eiser in 2008 in België woonde. In dat verband dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of Massagesalon [F] voor de toepassing van artikel 6, lid 2, van de Wet op de loonbelasting dient te worden aangemerkt als een vaste inrichting voor de uitoefening van eisers onderneming. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en neemt daartoe het volgende in aanmerking. In de Wet op de loonbelasting wordt het begrip "vaste inrichting" niet gedefinieerd; de wetgever heeft volstaan met het noemen van enkele, hier niet van belang zijnde, werkzaamheden die voor de loonheffingen in elk geval als vaste inrichting moeten worden aangemerkt. Artikel 2, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 bevat wel een definitie; deze bepaling verstaat onder een vaste inrichting, voor zover hier van belang: een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Deze definitie kan naar het oordeel van de rechtbank ook met betrekking tot de loonheffingen worden gevolgd. Dit lijdt slechts uitzondering indien de wettelijke bepalingen inzake de loonheffingen ertoe nopen om van de definitie af te wijken. Van deze uitzondering is in het onderhavige geval echter geen sprake.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen zij onder 16. heeft geoordeeld dat Massagesalon [F] een inrichting is met behulp waarvan eiser de werkzaamheden van zijn onderneming(en) geheel of gedeeltelijk uitoefende. Uit hetgeen verweerder heeft aangevoerd, in het bijzonder de bevindingen van het controlerapport, blijkt voorts dat de inrichting voldoende duurzaam was om als vaste inrichting te worden aangemerkt.

18. De inhoud van de door verweerder overgelegde stukken en in het bijzonder de onder 9. opgenomen verklaringen van eiser laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de in Massagesalon [F] werkzame personen in dienstbetrekking stonden tot eiser. Hetgeen eiser nadien heeft aangevoerd over zijn bemoeienissen met Massagesalon [F] brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen feiten heeft gesteld en aannemelijk gemaakt die zijn latere schets van de gang van zaken in Massagesalon [F] onderbouwen.

19. Niet in geschil is dat eiser voor de Massagesalon [F] geen administratie heeft bijgehouden. Derhalve heeft eiser niet voldaan aan de uit artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) voortvloeiende administratie- en bewaarplicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht in de uitspraak op bezwaar de bewijslast op grond van artikel 25, derde lid, aanhef, letter b, en slot, van de Awr heeft omgekeerd en verzwaard. De rechtbank is dus gehouden het beroep betreffende de naheffingsaanslag loonheffingen, met aanslagnummer [a], ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar, voorzover deze de naheffingsaanslag betreft, onjuist is. De bewijslast ligt daarbij op eiser; hij moet overtuigend aantonen dat de bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde naheffingsaanslag niet te hoog is. Eiser is, met hetgeen hij in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd, hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat hij het pand waarin Massagesalon [F] werd gedreven had onderverhuurd aan een commercieel medewerkster van zijn installatiebedrijf en dat hij niet op de hoogte was van de seksuele activiteiten die in het pand plaatsvonden, is mede gelet op de onder 9. opgenomen verklaringen van eiser, daartoe onvoldoende.

20. Vervolgens is de vraag aan de orde of de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] voor zover betrekking hebbend op Massagesalon [F] berust op een redelijke schatting. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. De in het controlerapport opgenomen berekeningen van de loonheffingen die eiser verschuldigd is over de in 2008 betaalde lonen aan in de Massagesalon [F] werkzame personen, zijn gebaseerd op de in de massagesalon gehanteerde tarieven en de verklaringen van de personen die bij eiser in dienstbetrekking werkzaam waren. Eiser heeft geen feiten gesteld die, indien aannemelijk, de rechtbank aan de redelijkheid van de schatting door verweerder van de voor uitbetaling aan eiser en de in de massagesalon [F] werkzame personen beschikbare ontvangsten zouden kunnen doen twijfelen. De in onderdeel 14.1. van het controlerapport berekende correcties berusten daarom naar het oordeel van de rechtbank op redelijke schattingen.

Massagesalon [H]

21. Verweerder heeft met de door hem overgelegde stukken, in het bijzonder de bevindingen in het controlerapport waaronder de bevindingen van de politie bij haar bezoek aan de massagesalon, de op internetfora aangetroffen teksten en de kopie van de vergunningaanvraag van eiser, gedateerd 18 september 2008, aannemelijk gemaakt dat eiser in [H] voor eigen rekening een onderneming exploiteerde en dat deze onderneming seksuele dienstverlening door in de onderneming werkzame personen aanbood.

22. Hetgeen onder 17. is overwogen over de vraag of Massagesalon [F] voor de toepassing van artikel 6, lid 2, van de Wet op de loonbelasting dient te worden aangemerkt als een vaste inrichting voor de uitoefening van eisers onderneming geldt onverkort voor Massagesalon [H]. Daarom beantwoordt de rechtbank deze vraag ook voor Massagesalon [H] bevestigend.

23. De inhoud van de door verweerder overgelegde stukken en in het bijzonder de bevindingen in het controlerapport waaronder de bevindingen van de politie bij haar bezoek aan Massagesalon [H], de op internetfora aangetroffen teksten en de kopie van de vergunningaanvraag van eiser, gedateerd 18 september 2008, laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat de in Massagesalon [H] werkzame personen in dienstbetrekking stonden tot eiser. Aan dit oordeel doet niet af hetgeen eiser in bezwaar en beroep heeft aangevoerd over zijn bemoeienissen met Massagesalon [H]. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen feiten heeft gesteld en aannemelijk gemaakt die zijn latere schets van de gang van zaken in Massagesalon [H] onderbouwen.

24. Onder 19. heeft de rechtbank geoordeeld dat de de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag loonheffingen aanslagnummer [a] terecht de bewijslast heeft omgekeerd en verzwaard. Dit oordeel betreft de gehele naheffingsaanslag, dus ook het gedeelte van de naheffing dat betrekking heeft op de betalingen aan de in Massagesalon [H] werkzame personen. Eiser is, met hetgeen hij in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd, niet erin geslaagd overtuigend aan te tonen dat de naheffingsaanslag, voor zover zij betrekking heeft op de betalingen aan de in Massagesalon [H] werkzame personen, te hoog is. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, zijn de stellingen van eiser over de geringe omzet die in massagesalon [H] werd behaald, daartoe onvoldoende.

25. Vervolgens is de vraag aan de orde of de naheffing van loonheffingen over de betalingen aan de in Massagesalon [H] werkzame personen berust op een redelijke schatting. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Verweerder heeft zijn schattingen gebaseerd op de veronderstelling dat eiser

Massagesalon [H] al vanaf 1 januari 2008 voor eigen rekening dreef. Uit hetgeen verweerder ter adstructie van deze veronderstelling aanvoert kan naar het oordeel slechts worden afgeleid dat eiser Massagesalon [H] vanaf 5 juni 2008 tot en met 7 oktober 2008 dreef. Een redelijke schatting van de door eiser over de betalingen aan de in Massagesalon [H] werkzame personen verschuldigde loonheffingen, dient zich naar het oordeel van de rechtbank tot de betalingen voor de periode 5 juni 2008 tot en met 7 oktober 2008 te beperken.

Wel voldoende onderbouwd acht de rechtbank de schattingen van verweerder van het aantal personen dat in Massagesalon [H] werkte (2 personen), het aantal dagen dat zij per week werkten (5), het aantal klanten dat ieder van hen dagelijks had (2) en het aan de klanten in rekening gebrachte uurtarief (€ 75). Eiser heeft geen feiten gesteld die, indien aannemelijk, de rechtbank aan de redelijkheid van deze schattingen van verweerder zouden kunnen doen twijfelen. Daarvan uitgaande schat de rechtbank de voor uitbetaling aan eiser en de in de Massagesalon [H] werkzame personen beschikbare ontvangsten van Massagesalon [H] op (18 weken x 5 dagen per week x 2 personen x 2 klanten x € 75) € 27.000. Verweerder heeft van de door hem berekende omzet van (40 weken x 5 dagen per week x 2 personen x 2 klanten x € 75) € 60.000 een gedeelte, groot € 20.000, aan eiser toegerekend en een gedeelte, groot € 40.000, aangemerkt als het totaal van de aan de in de Massagesalon [H] werkzame personen betaalde bedragen. De schatting van de aan de in de Massagesalon [H] werkzame personen betaalde bedragen op 2/3 van de omzet acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank past op de door haar geschatte omzet van € 27.000 hetzelfde quotiënt toe. En schat de aan de in de Massagesalon [H] werkzame personen betaalde bedragen op (2/3 x € 27.000) €18.000. De aparte schatting van het nettoloon aan de bedrijfsleidster volgt de rechtbank niet nu zij geen ruimte daartoe ziet. Verweerder heeft immers de totale omzet voor 1/3 deel toebedeeld aan eiser en voor 2/3 deel aan het aantal werkzame personen, zodat een verdere toedeling van de omzet niet mogelijk is. Gelet op het een en ander dient de naheffingsaanslag loonheffingen met aanslagnummer [a] te worden verminderd tot één waarbij wordt uitgegaan van een nettoloon van € 83.742 (€ 65.742 (massagesalon [F]) + € 18.000).

Naheffingsaanslag loonheffingen aanslagnummer [b]

26. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de betalingen in 2009 aan de in dat jaar in het pand aan de [b-straat 1] te [D] (hierna: het pand) werkzame personen.

27. Tegenover de betwisting daarvan door eiser, ligt het op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat eiser gedurende het heffingstijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor eigen rekening een onderneming exploiteerde bestaande uit het aanbieden van seksuele dienstverlening in het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Verweerder heeft het pand nooit bezocht. Verweerder heeft haar standpunt dat eiser in het pand een onderneming exploiteerde enkel gebaseerd op de verklaring van één persoon. Deze verklaring hield in dat de betrokken persoon haar werkzaamheden in het pand verrichtte en dat zij per klant € 25 moest afdragen aan eiser. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, kan deze enkele verklaring - gelet op de betwisting van betrokkenheid door eiser - de daaraan door verweerder verbonden conclusies niet dragen. Derhalve dient de naheffingsaanslag met aanslag nummer [b] te worden vernietigen. Hetzelfde geldt voor de bij de naheffingsaanslag gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

Naheffingsaanslag loonheffingen aanslagnummer [c].

28. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de de betalingen in 2009 aan de in dat jaar in Saunaclub [I] werkzame personen.

29. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2009 voor eigen rekening Saunaclub [I] exploiteerde. Evenmin is tussen partijen in geschil dat Saunaclub [I] voor eiser een onderneming vormde. Nu dit gezamenlijke standpunt van partijen naar het oordeel van de rechtbank berust op een juiste rechtsopvatting, sluit zij zich erbij aan. Naar het oordeel van de rechtbank ligt hierin besloten dat Saunaclub [I] voor de toepassing van artikel 6, lid 2, van de Wet op de loonbelasting dient te worden aangemerkt als een vaste inrichting voor de uitoefening van eisers onderneming. Voor de onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 17. heeft overwogen.

30. Eiser heeft voor Saunaclub [I] slechts een beperkte administratie bijgehouden. Een loonadministratie ontbrak geheel. Derhalve heeft eiser voor Saunaclub [I] in 2009 niet voldaan aan de uit artikel 52 van de Awr voortvloeiende administratie- en bewaarplicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht in de uitspraak op bezwaar de bewijslast op grond van artikel 25, derde lid, aanhef, letter b en slot, van de Awr heeft omgekeerd en verzwaard. De rechtbank is dus gehouden het beroep betreffende de naheffingsaanslag loonheffingen, met aanslagnummer [c], ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De bewijslast ligt daarbij op eiser; hij moet overtuigend aantonen dat de bij de uitspraak op bezwaar gehandhaafde naheffingsaanslag niet te hoog is. Hierin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Met hetgeen hij over de exploitatie van Saunaclub [I] heeft aangevoerd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat hij de door verweerder in de naheffingsaanslag betrokken betalingen aan de in de saunaclub werkzame personen niet of tot lagere bedragen heeft gedaan.

31. Vervolgens is de vraag aan de orde of bovengenoemde naheffingsaanslag berust op een redelijke schatting van de ter zake van de betalingen aan de in Saunaclub [I] werkzame personen verschuldigde loonheffingen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de in het controlerapport opgenomen schattingen van de betalingen berusten op gegevens die verweerder heeft verkregen bij het bedrijfsbezoek dat hij op 8 juli 2009 aan de massagesalon heeft gebracht. Eiser heeft geen feiten gesteld die, indien aannemelijk, de rechtbank aan de redelijkheid van de schatting door verweerder van de voor uitbetaling aan eiser en de in de Saunaclub [I] werkzame personen beschikbare ontvangsten zouden kunnen doen twijfelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de in onderdeel 14.2. van het controlerapport berekende correcties redelijk zijn.

Heffingsrente

32. Onder 27. is geoordeeld dat de beschikking heffingsrente, gegeven bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [b] , dient te vervallen. Tegen de beide andere beschikkingen heffingsrente heeft eiser geen gronden aangevoerd. Niet gebleken is dat verweerder de heffingsrente ten onrechte of tot onjuiste bedragen heeft berekend, met dien verstande dat, nu de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] wordt verminderd de daarbij gegeven beschikking heffingsrente dienovereenkomstig moet worden verminderd. Gelet op dit laatste dient de bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] gegeven beschikking heffingsrente gegrond te worden verklaard. Het beroep tegen de bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [c] gegeven beschikking heffingsrente dient ongegrond te worden verklaard.

Boetes

33. Onder 27. is geoordeeld dat de boetebeschikking, gegeven bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [b], dient te vervallen. De rechtbank zal zich hierna daarom beperken tot de boetebeschikkingen, gegeven bij de naheffingsaanslagen met aanslagnummers [a] en [c]. Bij deze boetebeschikkingen zijn op de voet van artikel 67f van de Awr vergrijpboetes opgelegd van 50% van de boetegrondslag (de nageheven loonheffing). Verweerder heeft eiser op 18 juni 2010 meegedeeld dat aan hem vergrijpboeten zouden worden opgelegd. De gronden van de boetebeschikkingen zijn opgenomen in het concept controlerapport van dezelfde datum.

34. Tegen de boetebeschikkingen, gegeven bij de naheffingsaanslagen met aanslagnummers [a] en [c], heeft eiser geen gronden aangevoerd. De vermindering van de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] leidt tot een dienovereenkomstige vermindering van de boetegrondslag waarnaar de vergrijpboete is berekend. Op deze grond dient de boete te worden verminderd tot één berekend naar de zo-even bedoelde, verminderde boetegrondslag.

35. De naheffingsaanslag met aanslagnummer [c] wordt niet verminderd; hetzelfde geldt voor de boetegrondslag waarnaar de vergrijpboete is berekend, die bij de gelijktijdig met de naheffingsaanslag gegeven boetebeschikking is opgelegd. In zoverre is het beroep tegen de bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [c] gegeven boetebeschikking ongegrond.

36. Verweerder, dient te bewijzen dat het aan eisers opzet of grove schuld is te wijten dat de nageheven loonheffingen niet (volledig) zijn betaald. Hij voert daartoe het volgende aan. Uit de door eiser afgelegde verklaringen blijkt dat eiser wist dat over de beloningen van de in de massagesalons en de saunaclub werkzame personen loonheffingen moesten worden ingehouden en afgedragen. Het is dan ook aan opzet van eiser te wijten dat de betaling van de loonheffingen achterwege is gebleven. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van opzet, brengt de omstandigheid dat eiser wist van de verschuldigdheid van de loonheffingen, mee dat hem ter zake van het niet betalen daarvan grove schuld kan worden verweten.

37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat het aan opzet van eiser is te wijten dat hij de bij de naheffingsaanslagen met de aanslagnummers [a] en [c] nageheven loonheffingen niet heeft betaald. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de stukken van het geding volgt dat eiser zich er bewust van was dat hij loonheffingen diende af te dragen. Door daarvan af te zien zonder vooraf te overleggen met de fiscus en zonder zich op de hoogte te stellen van de toepasselijke regelgeving, heeft eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat verschuldigde belasting niet zouden worden afgedragen.

38. De boetegrondslagen zijn met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast vastgesteld. In deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding de opgelegde boeten met 20% te verminderen. De boetes worden dan 40% van de van de boetegrondslag. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de boetegrondslag van de bij vaststelling van de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] opgelegde boete is verminderd op de onder 34 vermelde grond; de boete wordt dus 40 % van de aldus verminderde boetegrondslag. Vergrijpboeten van 40% van de (verminderde) boetegrondslag zijn naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ernst van de beboetbare gedragingen en de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

39. De rechtbank ziet aanleiding om de opgelegde boeten verder te verminderen nu naar haar oordeel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Op 18 juni 2010 is het (concept) controlerapport en een mededeling ten aanzien van de op te leggen naheffingsaanslagen en boetes aan eiser verzonden. Sinds die datum tot heden zijn circa 2 jaar 1 maand verstreken. Voor de vraag of en zo ja in hoeverre sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dient gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37.984, LJN: AO9006, te worden beoordeeld in hoeverre bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in 4.5 van dit arrest, een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.

40. Voor het aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden gevolg knoopt de rechtbank aan bij de in de uitspraak van Hof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, LJN: BJ1298, opgenomen tabel:

Tabel 1

De overschrijding bedraagt in onderhavige zaken circa 1 maand. Toepassing van de hiervoor opgenomen tabel brengt mee dat de boete die is opgelegd bij de boetebeschikking, gegeven bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] (Massagesalon [F] en Massagesalon [H]), nader met € 2.500 moet worden verminderd en dat de boete die is opgelegd bij de boetebeschikking, gegeven bij de naheffingsaanslag met aanslagnummer [c] (Saunaclub [I]), dient te worden verminderd met 5% van 40% van de boetegrondslag. tot 38% van de boetegrondslag.

Proceskosten en verzoek schadevergoeding

41. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

42. Eiser heeft in zijn beroepschrift gevraagd om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser heeft geleden. Eiser begroot deze schade op € 100.000. Dit bedrag is naar eiser stelt gelijk aan zijn bruto jaarinkomen dat hij verdiende met zijn installatiebedrijf. Verweerder heeft met de naheffingsaanslagen en boeten een niet aflatende druk op eiser uitgeoefend, waardoor eisers gezondheid sterk is achteruitgegaan. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn voorheen goed renderende installatiebedrijf heeft moeten staken.

43. De rechtbank wijst het verzoek om veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade af. Dat verweerder door het opleggen van de naheffingsaanslagen en de boeten en in de daarop gevolgde procedure eiser schade heeft berokkend, heeft eiser - op wie in deze de bewijslast rust - niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat eisers gezondheid door het optreden van verweerder is aangetast en dat hij als gevolg daarvan zijn installatiebedrijf heeft moeten staken, is zonder onderbouwing, welke ontbreekt, daartoe onvoldoende. De rechtbank kan daarom in het midden laten of in een bestuursrechtelijke procedure vergoeding van de door eiser gestelde schade kan worden gevorderd.

Beslissing

Naheffingsaanslag met aanslagnummer [a] voor het jaar 2008 (Massagesalon [F] en Massagesalon [H]))

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot één berekend naar een aan de werknemers betaald nettoloon van € 83.742;

- wijzigt de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- wijzigt de boetebeschikking aldus dat de boete nader wordt vastgesteld op 40% van de boetegrondslag, verminderd met € 2.500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden.

Naheffingsaanslag met aanslagnummer [b] voor het jaar 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen ([b-straat])

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- vernietigt de boetebeschikking;

Naheffingsaanslag met aanslagnummer [c] voor het jaar 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen (Saunaclub [I])

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het gericht is tegen de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

- verklaart het beroep gegrond voor zover het gericht is tegen boetebeschikking;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

- wijzigt de boetebeschikking aldus dat de boete nader wordt vastgesteld op 38% van de boetegrondslag.

Alle naheffingsheffingsaanlagen en beschikkingen

De rechtbank:

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. K.M. Braun en mr. drs. M.H. van Schaik, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.