Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
09-607846-11 en 09-920025-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf voor de duur van1 maand, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/607846-11 en 09/920025-10 (tul)

Datum uitspraak: 13 september 2012

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 30 augustus 2012.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.I. Echteld, advocaat te Gouda, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. C. Rijnaarts heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

De officier van justitie heeft de vordering tot tenuitvoerlegging gewijzigd in die zin dat wordt gevorderd dat in plaats van een last tot tenuitvoerlegging ten aanzien van het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank d.d. 26 mei 2010, te weten jeugddetentie voor de duur van 6 weken, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 84 uren, subsidiair 42 dagen vervangende hechtenis, zal worden gelast.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [A], [C], [F], [E] en [D].

De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, opzettelijk een persoon (te weten [A]), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met een stenen kopje) tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, opzettelijk een persoon (te weten [B]), meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/tegen het gezicht, althans het hoofd (met gebalde vuist) heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meerdere tijstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 juni 2011 tot en met 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk de personen [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F], zijnde politieambtenaren in functie, van het leven te beroven, opzettelijk met (grote en/of scherpe) (stukken) (stoep)tegel(s) en/of ste(e)n(en), althans zware en/of grote en/of scherpe voorwerpen, in de richting van die [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 juni 2011 tot en met 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan de personen [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F], zijnde politieambtenaren in functie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (grote en/of scherpe) (stukken) (stoep)tegel(s) en/of ste(e)n(en), althans zware en/of grote en/of scherpe voorwerpen, in de richting van die [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24 juni 2011 tot en met 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Prinses Beatrixstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] , zijnde politieambtenaren in functie, welk geweld bestond uit het gooien met (grote en/of scherpe) (stukken) (stoep)tegel(s) en/of ste(e)n(en), althans

zware en/of grote en/of scherpe voorwerpen, in de richting van die [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2011 tot en met 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere auto's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie Hollands Midden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk stenen naar/tegen deze auto's

te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat:

1.

hij op 14 februari 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, opzettelijk een persoon te weten [A] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 25 juni 2011 te Moordrecht, gemeente Zuidplas, opzettelijk een persoon te weten [B] met kracht in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 14 februari 2011 was verdachte aanwezig als toeschouwer bij een voetbalwedstrijd. Nadat hij zich, zoals hij heeft verklaard, uitgedaagd voelde door het latere slachtoffer dat voetbalde in het team van de wederpartij, heeft hij het slachtoffer buiten bij de sportkantine twee keer tegen het hoofd gestompt. Dit is een ernstig feit. Bovendien is het slachtoffer vervolgens door vrienden van verdachte achtervolgd en door hen ook nog mishandeld. Weliswaar was verdachte daar niet meer bij aanwezig, maar de rechtbank neemt het verdachte wel kwalijk dat hij het initiatief heeft genomen om als eerste geweld tegen het slachtoffer te gebruiken. Het slachtoffer heeft zich blijkens zijn verklaring zeer angstig gevoeld. Voorts heeft verdachte op 25 juni 2011 [B] in het gezicht geslagen. Dit nadat hij het slachtoffer zonder enige aanleiding eerst woordelijk op straat had geprovoceerd en het antwoord van het slachtoffer daarop hem niet beviel. Door het handelen van verdachte is de tand van het slachtoffer door zijn onderlip gegaan. Het slachtoffer heeft zich blijkens zijn verklaring door dit alles angstig gevoeld. Ook dit is een ernstig feit. Bovendien veroorzaken feiten als de onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een pro justitia rapportage betreffende verdachte van 31 augustus 2011, opgesteld en ondertekend door psycholoog drs. I. Snijders. Deze deskundige concludeert dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis, adhd en antisociale en narcistische trekken in de persoonlijkheid, waarbij problemen met de agressieregulatie en impulscontrole een belangrijke rol spelen. Hiervan was tevens sprake ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten. De combinatie van deze stoornissen maakt de problematiek van verdachte complex en heeft dusdanig grote invloed op zijn functioneren, dat hij in conflictsituaties primair reageert en zijn woede en gedrag niet onder controle heeft. Verdachte dient naar het oordeel van de deskundige met betrekking tot de strafbare feiten als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. Met betrekking tot het recidiverisico concludeert de deskundige dat de hoge mate van spanningsbehoefte, de gebrekkige impulscontrole en het beperkte vermogen van verdachte tot controle over zijn emoties en gedrag factoren zijn die de kans op recidive bij verdachte vergroten. Daarentegen kan zijn intelligentie gezien worden als een factor die het recidiverisico vermindert. Ook acht de deskundige het in dit kader van belang dat verdachte zijn medicatie consequent inneemt. Gelet op het vorenstaande adviseert de deskundige reclasseringsbegeleiding en met het oog op de agressieregulatie het volgen van individuele therapie bij Het Palmhuis te Gouda en groepstherapie bij Het Palmhuis te Leiden.

Uit het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 25 augustus 2011, ondertekend door reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1], blijkt dat ook de reclassering van mening is dat verplicht reclasseringstoezicht nodig is alsmede het volgen van een behandeling bij Het Palmhuis.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundige drs. I. Snijders en maakt deze tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot de onderhavige gepleegde strafbare feiten acht.

Op 8 september 2011 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich moest melden bij de reclassering en zo nodig moest deelnemen aan een behandeling bij Het Palmhuis. Uit het voortgangsbericht van GGZ Palier Leiden van 15 augustus 2012, ondertekend door reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 2], blijkt dat verdachte in het kader van de schorsingsvoorwaarden een behandeling heeft ondergaan voor agressieregulatie bij stichting De Jutters en dat hij die behandeling positief heeft afgerond. Zowel verdachte als zijn behandelaar hebben aangegeven dat verdachte meer inzicht heeft gekregen en hierdoor beter in staat is om met risicovolle situaties om te gaan. Voorts heeft verdachte zich begeleidbaar opgesteld en kwam hij de afspraken met de reclassering na.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard de behandeling bij stichting De Jutters positief te hebben ervaren en daar baat bij te hebben gehad. Hij heeft verklaard dat het op dit moment goed met hem gaat. Ook dit neemt de rechtbank in aanmerking bij de aan verdachte op te leggen straf.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 31 juli 2012 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, waarvoor reeds voorwaardelijke jeugddetentie is opgelegd. Bovendien liep verdachte in een proeftijd.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Deze straf zal, met inachtneming van de richtlijnen hiervoor, lager zijn dan de door de officier van justitie geëiste straf. De rechtbank zal hierbij geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, omdat uit het voortgangsbericht van GGZ Palier Leiden blijkt dat verdachte de door de deskundigen voorgestane behandeling reeds heeft ondergaan en positief heeft afgerond en verdachte ook overigens gedurende de geschorste voorlopige hechtenis de afspraken met de reclassering goed is nagekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om nog langer reclasseringstoezicht op te leggen.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Ten aanzien van feit 1:

[A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 321,67.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de schade niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde feiten:

[C], [F], [E] en [D] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd ter zake van de vorderingen tot schadevergoeding; de vordering bedraagt voor een ieder € 268,-.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging.

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 12 juni 2012 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 26 mei 2010, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten en de omzetting daarvan in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur. De rechtbank overweegt hierbij dat in beginsel een voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer dient te worden gelegd, indien de veroordeelde in de proeftijd wederom een strafbaar feit begaat. Gelet op de inhoud van het reeds genoemde voortgangsbericht van GGZ Palier Leiden, alsmede het gegeven dat de proeftijd thans reeds is verstreken en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank het in dit geval aangewezen de jeugddetentie om te zetten in een werkstraf.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14g, 22c, 22d, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mishandeling, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) MAAND;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte;

verklaart de benadeelde partijen [A], [C], [F], [E] en [D] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 26 mei 2010, gewezen onder parketnummer 09/920025-10, te weten jeugddetentie voor de duur van 6 weken, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 84 uren, bij niet voldoen te vervangen door 42 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Peters, voorzitter,

mr. V.J. de Haan en mr. A.J.J.M. Weijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 september 2012.