Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7247

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
424032 / FT RK 12.1948
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk. Verzoek WSNP. Beroep op art. 1:99 lid 1 sub b BW; Van echtpaar dat in gemeenschap van goederen is gehuwd, maar waarvan een verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, doet alleen de man een verzoek tot toelating. Vrouw heeft verzoek niet mede ondertekend, noch zijn haar schulden bekend. Rechtbank volgt verzoeker niet in de stelling dat de gemeenschap van goederen op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding eindigt, zodat het WSNP-verzoek niet mede ondertekend hoeft te zijn door de echtgenote. De wetgever heeft art. 1:99 BW veranderd met het oog op de vervroeging van het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op het moment van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Dat moment is hier nog niet aangebroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 424032/FT-RK 12.1948

uitspraakdatum: 6 september 2012

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht- meervoudige kamer

[verzoeker],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

heeft op 24 juli 2012 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is op 30 augustus 2012 behandeld. De verzoeker is verschenen en gehoord.

Verzoeker heeft op 4 mei 2012 een verzoekschrift ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 juli 2012 dit verzoek niet ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker is getrouwd in algemene gemeenschap van goederen, terwijl zijn echtgenote niet heeft meegetekend en haar schuldenlijst ontbreekt.

In het verzoekschrift van 24 juli 2012 heeft de raadsvrouw van verzoeker, mr. M.J. Post, aangevoerd dat verzoeker op 16 juli 2012 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend bij deze rechtbank. Dat zou betekenen dat ingevolge artikel 99, eerste lid onder b (nieuw) van het Burgerlijk Wetboek (BW) de gemeenschap van goederen van rechtswege is ontbonden. De rechtbank begrijpt hieruit dat verzoeker meent dat hij niet langer de toestemming van zijn echtgenote, noch een lijst met haar schulden nodig heeft voor het indienen van een verzoekschrift.

De rechtbank volgt verzoeker niet in zijn stelling. Hiertoe is het navolgende redengevend.

Artikel 1:99, aanhef en eerste lid onder b BW luidt per 1 januari 2012 als volgt:

"De gemeenschap van goederen wordt van rechtswege ontbonden in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap door de rechter: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding".

De wijziging houdt in dat de datum waarop de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden niet meer de dag is waarop het echtscheiding in de Registers van de Burgerlijke Stand is ingeschreven, maar de dag is waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend. De gedachte achter deze wijziging is dat doorgaans vanaf het moment van indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding, de door het hoofdstelsel veronderstelde solidariteit niet meer aanwezig is en dat het daarom voor de hand ligt op dat moment de gemeenschap van goederen te laten eindigen. Door de vervroeging van het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden de echtgenoten overigens ook beschermd tegen benadelende handelingen die door ieder van hen bijvoorbeeld tijdens de scheidingsprocedure zouden kunnen worden verricht. (MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 27).

Dit betekent dat de gemeenschap van goederen weliswaar eindigt op het tijdstip dat het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, maar dat de gemeenschap van goederen eerst is ontbonden indien het huwelijk is beëindigd door echtscheiding. Hiervan is op dit moment nog geen sprake, omdat de echtscheiding nog niet is uitgesproken en is inschreven in de registers. Verzoeker dient derhalve nog steeds de handtekening van zijn echtgenote te hebben en ook dient duidelijk te zijn dat alle schulden uit de gemeenschap op de 285-verklaring staan vermeld.

De gemeenschap omvat in beginsel ook alle schulden van ieder der echtgenoten (artikel 94, tweede lid, boek 1 BW). Zowel gemeenschapsschulden als privéschulden zijn verhaalbaar op de gemeenschap van goederen. Beide echtgenoten zijn, ieder voor de helft, draagplichtig voor de gemeenschapsschulden. Artikel 284, derde lid Fw. bepaalt dat de schuldsaneringsregeling het vermogen van de andere echtgenoot aangaat bij een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen.

Ingevolge artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Deze goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de verzoeker wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers te frustreren en dergelijke. Nu verzoeker en zijn echtgenote kennelijk al geruime tijd feitelijk afzonderlijk leven kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de overgelegde schuldenlijst compleet is, nu het aan (financiële) gegevens van de echtgenote van verzoeker ontbreekt. Op de door verzoeker overgelegde schuldenlijst staan klaarblijkelijk alleen de door verzoeker (al dan niet tezamen met zijn echtgenote) gemaakte schulden, maar bij gebrek aan informatie daaromtrent kan niet worden uitgesloten dat de echtgenote zelf ook gedurende het huwelijk, en met name gedurende de periode dat zij en verzoeker niet meer samenwonen, schulden heeft doen ontstaan waarvoor ook verzoeker aansprakelijk is. De rechtbank is hierdoor niet in staat om de goede trouw te toetsen.

Het verzoekschrift dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats], Suriname,

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats].

Gewezen door mr. C.M. Derijks, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. R. Cats, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2012 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach LL.B., griffier.