Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7006

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/26398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, geen cirkelredenering, rapporten van Bureau Documenten inzichtelijk, geen sprake van schending van beginsel van fair trial.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/26398

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1981,

eiser,

van Nepalese nationaliteit,

gemachtigde mr. J. de Jong,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. F.S. Schoot.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 12 augustus 2011 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 14 juni 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of het besluit van 14 juli 2011 in rechte stand kan houden.

<i>Asielrelaas</i>

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiser is sinds 2005 actief lid van de Nepali Congress Party (NCP). Vanaf dat moment ondervond eiser problemen van de zijde van de Maoïsten, die hem verweten dat eiser hen met door hem georganiseerde activiteiten tegenwerkte. Op 4 juli 2010 heeft eiser van de Maoïsten een dreigbrief ontvangen, waarin stond dat eiser het dorp binnen tien dagen moest verlaten. Op 16 juli 2010 werd eiser meegenomen naar een bos, waar hij werd mishandeld door de Maoïsten. Eiser kwam terecht in het ziekenhuis, waar hij opnieuw door een Maoïst met de dood werd bedreigd. Toen besloot eiser om het land te verlaten. Het vertrek van eiser is bespoedigd doordat iemand van de Young Communist League (YCL) op zoek was naar eiser in het hotel van de zus van eiser, waar eiser zich had verstopt in de voorraadkamer. Dezelfde dag is eiser vertrokken.

<i>Toerekenbaar documentloos?</i>

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser onder meer onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen. Eiser is in dit verband aangerekend dat hij het gebruikte paspoort na aankomst en controle in Parijs aan de reisagent heeft afgestaan.

5. Volgens vaste jurisprudentie heeft verweerder zich vanwege de afgifte van deze documenten aan de reisagent in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten, aangezien eiser op het moment van afgifte van zijn documenten in een veilig land was waar hij de bescherming van de autoriteiten in had kunnen roepen, onder gelijktijdige overlegging van deze documenten. Dat eiser wel verklaringen over zijn reis heeft afgelegd, doet hieraan verder niet af. Nu verweerder al op grond hiervan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kon tegenwerpen, komt de vraag of eiser gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd omtrent de reisroute niet meer aan de orde en behoeven de beroepsgronden dienaangaande geen bespreking meer. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 december 2008, LJN: BG9599. Voorts geldt ingevolge de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2003, JV 2003, 552 en paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dat indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, dit reeds voldoende is voor de algemene conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. Om deze reden behoeft evenmin te worden ingegaan op de standpunten van partijen aangaande het niet overleggen van documenten ter onderbouwing van de identiteit en nationaliteit.

6. Het vorenstaande leidt er volgens vaste jurisprudentie toe dat van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

<i>Positieve overtuigingskracht?</i>

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert om de volgende redenen. Eiser heeft zijn identiteit niet aannemelijk gemaakt, waardoor ernstig afbreuk is gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Voorts heeft Bureau Documenten in het documentenonderzoeksrapport van 17 november 2010 geconcludeerd dat de door eiser overgelegde documenten ter ondersteuning van zijn asielrelaas, te weten zijn rijbewijs, een lidmaatschapskaart van de NCP, een dreigbrief van de YCL, een brief van het wijkpolitiebureau te [plaats], district Dhading, een medische verklaring van het ziekenhuis in Kathmandoe en een brief van zijn echtgenote, waarschijnlijk niet echt zijn dan wel niet in de huidige gewijzigde staat zijn opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instanties. Hierdoor wordt zodanig afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid, dat eisers verklaringen inzake de problemen met de Maoïsten niet geloofwaardig worden bevonden. Daarbij geldt dat de dreigbrief van de YCL en de brief van zijn echtgenote niet afkomstig zijn van een objectief verifieerbare bron. De documenten die eiser bij brief van 16 maart 2011 heeft overgelegd, te weten een brief van het kantoor van de districtspolitie Dhading, een brief van de NCP en een bewijs van actief lidmaatschap van de NCP, leiden verweerder, gelet op het documentenonderzoeksrapport van Bureau Documenten van 9 juni 2011, niet tot een andere conclusie. Met de door eiser overgelegde geboorteakte - die volgens Bureau Documenten mogelijk een echt document betreft - kan eiser zijn identiteit niet aantonen. Het aantonen van de gestelde identiteit kan alleen bereikt worden door middel van documenten die door de overheid zijn afgegeven met daarop tenminste een pasfoto en vermelding van de geboorteplaats- en datum van de asielzoeker.

8. Eiser is van mening dat de rapporten van Bureau Documenten onvoldoende inzichtelijk zijn. Verweerder heeft hierdoor niet kunnen voldoen aan de vergewisplicht en ten onrechte geconcludeerd dat de documenten vals zijn. Voorts is er sprake van een cirkelredenering omdat de motivering van de ongeloofwaardigheid enkel berust op de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2010, zaaknummer 200906409/1/V3 en van 29 juli 2002, zaaknummer 200202959/1, blijkt dat een relaas niet uitsluitend op grond van het ontbreken van documenten en het niet hebben van echte documenten mag worden afgewezen, maar dat ook de verklaringen moet worden meegewogen. Het aanvankelijk ingenomen standpunt dat de rapporten van Bureau Documenten niet als deskundigenbericht kunnen worden aangemerkt, heeft eiser ter zitting verlaten.

<i>Inzichtelijkheid rapporten Bureau Documenten</i>

9. De rechtbank stelt op grond van de rapporten van Bureau Documenten van 17 november 2010 en 9 juni 2011 en verweerders toelichting hierbij ter zitting vast dat de door eiser overgelegde documenten zijn onderzocht op drie aspecten, te weten de echtheid van het document, de wijze waarop het document is opgemaakt en afgegeven en de inhoud van het document. Er is op drie manieren onderzoek verricht, te weten technisch, tactisch (onderzoek met behulp van referentiemateriaal) en empirisch (onderzoek op basis van ervaringsgegevens).

10. De rapporten van Bureau Documenten vermelden het volgende.

11. Het rijbewijs is volgens het rapport zeer wel mogelijk echt, maar er zijn op dat document op technisch gebied afwijkingen geconstateerd, te weten afwijkende fotobeveiliging, het is opnieuw gelamineerd en de foto is afkomstig van een ander document. Bovendien vertoont het document afwijkingen met betrekking tot de opmaak en afgifte.

Op de verklaring van het wijkpolitiebureau te [plaats], district Dhading van 19 juli 2010 – volgens welke verklaring de politie geen bescherming kan bieden tegen de aanvallen op eiser van de YCL - zijn de basisgegevens aangebracht middels een afwijkende techniek. Gelet hierop, alsmede op het beschikbare vergelijkingsmateriaal en de ervaringen met soortgelijke documenten is het document volgens het rapport waarschijnlijk niet echt. Niet kan worden vastgesteld of het is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie of autoriteit, en of het inhoudelijk juist is.

Op de medische verklaring van het ziekenhuis in Kathmandoe nummer 067/4/0123 zijn ter hoogte van de datum (067-4-1) sporen van mechanische radering zichtbaar. Eerder ingevulde gegevens zijn verwijderd. Technisch onderzoek heeft opgeleverd dat bij de invulling van de medische verklaring gebruik is gemaakt van meerdere inkten, waarvan er maar één overeen stemt met de waarde van de inkt die voor het jaartal is gebruikt. De maand en de dag vertonen een andere waarde dan het jaartal. Er is geen waarmerk aangebracht bij de wijziging. Gelet op het voorgaande is geconcludeerd door Bureau Documenten dat het document waarschijnlijk niet in de huidige gewijzigde staat is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instanties en wordt getwijfeld aan de juistheid van de inhoud ervan.

De dreigbrief van YCL van 4 juli 2010 wijkt volgens het rapport voor wat betreft de verschijningsvorm af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Omdat betrouwbaar refertemateriaal ontbreekt kan niet met voldoende zekerheid een uitspraak worden gedaan over de echtheid van het document. Niet kan worden vastgesteld of het document ook door de YCL is opgemaakt en afgegeven en of het inhoudelijk juist is.

Op de lidmaatschapskaart van de Nepali Congres Party lidnummer 904 zijn bij de rubriek datumgegevens verwijderd, waarschijnlijk de datum- of jaaraanduiding. Voorts heeft de inkt waarmee het lidnummer 904 is aangebracht een afwijkende waarde vergeleken met de overige gebruikte inkt. Bovendien is de foto niet voorzien van een fotobeveiliging. Deze onderzoeksresultaten hebben tot de conclusie geleid dat wegens het ontbreken van betrouwbaar referentiemateriaal niet met voldoende zekerheid een uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van de lidmaatschapskaart, dat niet kan worden vastgesteld of deze is opgemaakt en afgegeven door de Nepali Congress Party en of het document inhoudelijk juist is.

Betreffende de handgeschreven brief van de echtgenote van eiser kan geen uitspraak worden gedaan over de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud.

Op de brief van het Ministry of Labour & Transport Management van 28 december 2010 met daarbij een kopie van het rijbewijs van eiser - in welke brief wordt bevestigd dat de informatie op het rijbewijs “true and correct” is - zijn de basisgegevens aangebracht middels een reproductietechniek. Omdat het origineel van het rijbewijs eerder hoogstwaarschijnlijk niet echt is bevonden, alsmede gelet op de ervaring met soortgelijke documenten, is deze brief waarschijnlijk niet opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie/autoriteit en wordt getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van het document.

Op de brief van het kantoor districtspolitie Dhading van 4 januari 2011 zijn de basisgegevens aangebracht middels een techniek die niet gebruikelijk is voor dit soort documenten. Daarom, alsmede gelet op intern bekende informatie is het document zeer wel mogelijk niet echt en zeer wel mogelijk niet opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit of instantie. Tevens wordt getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van deze brief.

Voor wat betreft de brief van het Nepalees Congres in verband met het lidmaatschap van 2 januari 2011 met nummer 148 heeft Bureau Documenten geconstateerd dat in voormelde brief van het districtskantoor Dhading van 4 januari 2011 is verwezen naar dit document en dat het bewijs van lidmaatschap - dat zich volgens deze brief nog altijd in het dossier van het partijkantoor bevindt - van het Nepalees Congres niet ter onderzoek is aangeboden. Daarom, alsmede wegens het ontbreken van betrouwbaar referentiemateriaal, kan niet met zekerheid een uitspraak worden gedaan over de echtheid van het document, is het mogelijk niet opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie en kan niet worden vastgesteld of het inhoudelijk juist is.

Betreffende een brief van eveneens 2 januari 2011 van het Nepalees Congres met nummer 149 zijn geen zichtbare sporen van vervalsing aangetroffen. Wegens het ontbreken van betrouwbaar referentiemateriaal kan niet met voldoende zekerheid een uitspraak worden gedaan over de echtheid, kan niet worden vastgesteld of het document is opgemaakt door de daartoe bevoegde autoriteit/instantie en of het inhoudelijk juist is.

12. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onderzoeksrapporten van Bureau Documenten voldoende inzichtelijk en kunnen de - uitgebreide - onderzoeksbevindingen de daarin getrokken conclusies dragen. Uit voormelde rapporten blijkt dat met uitzondering van laatstgenoemde brief van 2 januari 2011 met nummer 149, alle documenten afwijkingen vertonen, danwel dat niet is vast te stellen of ze in de huidige toestand zijn opgemaakt. Verweerder heeft daarom, mede gelet op het ontbreken van betrouwbaar referentiemateriaal, geen overwegend belang hoeven hechten aan laatstgenoemde brief van het Nepalees Congres met nummer 149.

13. Al het voorgaande in aanmerking nemend ziet de rechtbank geen aanleiding met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht de door Bureau Documenten onderzochte documenten op te vragen of een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten.

<i>Cirkelredenering?</i>

14. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser heeft gesteld, geen sprake van een niet toelaatbare cirkelredenering. In de uitspraken van de Afdeling waar eiser ter onderbouwing van zijn stelling een beroep op heeft gedaan, heeft verweerder het standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is louter gebaseerd op het feit dat eiser valse documenten heeft overgelegd, nadat verweerder eerder reeds artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw had tegengeworpen. In de onderhavige zaak is het hesluit echter niet mede gebaseerd op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Verweerder heeft in het bestreden besluit wel het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser tegengeworpen. Deze tegenwerping is onder meer gebaseerd op het ontbreken van documenten betreffende de reisroute, te weten het gebruikte paspoort. Reeds op grond van het ontbreken van dit document heeft verweerder, zoals eerder overwogen, het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser mogen tegenwerpen. Het standpunt van verweerder dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, heeft verweerder echter niet gebaseerd op het ontbreken van bepaalde documenten, maar op de valsheid van bepaalde documenten. Voorts betreffen de door verweerder vals bevonden documenten andere documenten dan het door eiser bij zijn reis gebruikte paspoort. Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook als de in het bestreden besluit in het kader van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 naast het paspoort genoemde documenten (het rijbewijs, voornoemde verklaring van 28 december 2010 en de geboorte-akte) zouden worden daargelaten, verweerder nog voldoende andere argumenten heeft aangevoerd die zijn conclusie dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is kunnen dragen. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2009, LJN BK8672, rechtsoverweging 2.3.4.

<i>Nieuw voornemen vereist?</i>

15. Eiser heeft gesteld dat verweerder gehouden was na het documentenonderzoek van 9 juni 2011 een aanvullend voornemen uit te brengen. Hierin wordt eiser niet gevolgd. De enkele omstandigheid dat eiser na het uitbrengen van het voornemen nog documenten heeft ingebracht die verweerder heeft laten onderzoeken door Bureau Documenten, maakt niet dat verweerder tot een nieuw voornemen had moeten komen. Verweerder heeft al in het voornemen gemotiveerd waarom de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de YCL ongeloofwaardig worden geacht. De nadien door eiser ingebrachte documenten zijn weliswaar onderzocht door Bureau Documenten, maar omdat ook aan deze documenten volgens Bureau Documenten verschillende gebreken kleven, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zij geen nieuw licht werpen op de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het bestreden besluit is dan ook niet gebaseerd op nieuwe of anders gewogen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

<i>Schending van de beginselen van gelijkheid der wapenen en hoor en wederhoor?</i>

16. Eiser heeft tot slot betoogd dat het onmogelijk is zich te verweren tegen de onderzoeksrapporten van Bureau Documenten omdat zijn verzoek om vergoeding van de kosten voor een contra-expertise is afgewezen. Daarbij heeft eiser zich beroepen op artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het EU Handvest) en op artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

17. In artikel 47 van het EU Handvest en artikel 6 van het EVRM zijn onder meer de beginselen van de gelijkheid der wapenen (‘equality of arms’) en tegensprakelijkheid (‘adversarial proceedings’) gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien waarom in deze zaak deze beginselen niet zouden zijn nageleefd. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat eiser de gelegenheid heeft gekregen bezwaren tegen de rapporten van Bureau Documenten in te brengen. Eiser heeft voorts wel degelijk de mogelijkheid gehad een contra-expertise te laten verrichten, maar heeft in het kader van zijn aanvraag tot vergoeding van deze kosten vragen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) over de deskundigheid van de contra-expert niet inhoudelijk beantwoord, zodat niet vastgesteld kon worden of de te verrichten contra-expertise aangemerkt kon worden als een volwaardig tegenonderzoek. Dit is de reden geweest dat zijn verzoek tot vergoeding van de kosten van een contra-expertise bij besluit van 3 maart 2011 is afgewezen. De weg naar een contra-expertise heeft dus wel opengestaan voor eiser, maar is door toedoen van eiser zelf afgesloten. Bovendien zijn, zoals hiervoor reeds is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank de onderzoeksrapporten van Bureau Documenten inzichtelijk en kunnen zij de daarin getrokken conclusies dragen. De gehele procedure in ogenschouw nemend is niet gebleken dat het beginsel van een eerlijk proces als bedoeld in de artikelen 6 EVRM en 47 EU Handvest, is geschaad.

<i>Slotsom</i>

18. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hij, gelet op de onderzoeksbevindingen, geen geloof hecht aan eisers asielrelaas. Gezien het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor toelating op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

19. Hetgeen overigens naar voren is gebracht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H.J.M. Baldinger als voorzitter en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. H.J.M. Baldinger en mr. T. van de Woestijne als leden in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: