Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6878

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/9734
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair ambtenarenrecht; militair invaliditeitspensioen; zorgvuldige voorbereiding; PTSS Protocol; afronding invaliditeitspercentage in strijd met artikel 7, tweede lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/9734

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats],

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.H.J. Geldof van Doorn).

Procesverloop

Op 28 januari 2009 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een invaliditeitspensioen.

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verweerder eiser een invaliditeitspensioen toegekend berekend naar de mate van invaliditeit met dienstverband van 15%.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 juli 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 december 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een reactie op de beroepsgronden van de (bezwaar)verzekeringsarts [A] van 16 februari 2012.

Het beroep is op 11 juli 2012 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door eisers echtgenote en zoon.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is als beroepsmilitair voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht in de periode van 2 augustus 1994 tot 14 februari 1995 uitgezonden geweest naar het voormalig Joegoslavië in het kader van de United Nations Protection Force (UNPROFOR). Daar heeft hij, doordat hij veel in Bosnië moest reizen en oorlogshandelingen meemaakte, traumatische ervaringen ondervonden. Na repatriëring is hij zeven maanden uitgevallen. Daarna heeft hij zijn werkzaamheden weer hervat en nadat hij, inmiddels in de rang van eerste luitenant, te horen kreeg dat hij opnieuw in aanmerking zou komen voor uitzending, is hem op zijn verzoek per oktober 1999 eervol ontslag uit de militaire dienst verleend. Daarna is hij vier jaar werkzaam geweest bij een bedrijf in de ICT-branche, waar hij wegens een reorganisatie is ontslagen. Daarna is hij als zelfstandig ondernemer een brasserie begonnen. In zijn privé gezinsleven ging het niet goed met hem. Directe aanleiding voor de toename van zijn klachten van slapeloosheid en uitgeblust zijn was het overlijden van de zoon van generaal [B]. Zijn echtgenote heeft hem ertoe aangezet hulp te zoeken bij het Veteraneninstituut. Het psychiatrisch diagnose centrum (PDC) heeft bij eiser de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld, waarna hij onder behandeling is gekomen van de psychiater [C]. Zijn werkzaamheden in de brasserie kon hij niet meer verrichten, waardoor schulden zijn ontstaan en zijn echtgenote de taken moest overnemen.

Op 28 januari 2009 heeft eiser een invaliditeitspensioen aangevraagd. Hij is op 19 februari 2009 onderzocht door de verzekeringsarts [D], die daarna informatie heeft ingewonnen van de behandelend psychiater. Hij concludeert in zijn rapportage dat eiser lijdt aan PTSS en een depressieve stoornis waarvoor per 28 januari 2009, de datum van aanvraag van het invaliditeitspensioen, verergerend dienstverband aannemelijk is. Eiser wordt adequaat behandeld. De beperkingen bij de activiteiten van het dagelijkse leven/bijzondere activiteiten dagelijkse leven (ADL/BDL) omschrijft hij in zijn conclusie als volgt:

Voordat cliënt in behandeling was gekomen waren de beperkingen uitgebreider. Inmiddels is de toestand duidelijk verbeterd. De moeheid en het uitgebluste is in remissie, cliënt heeft zijn impulsen beter onder controle en ook het slapen gaat stukken beter met medicatie. Inmiddels is de nachtrust relatief goed, maar cliënt is niet goed uitgerust en is er sprake van niet frequente herbelevingen waardoor klasse 1 v.w.b. het slapen van toepassing wordt geacht. De seksualiteit is thans behoorlijk gestoord. Klasse 3 lijkt van toepassing met name omdat er geen seksuele handelingen meer worden verricht, terwijl er wel sprake is van lustbeleving. Verbetering wordt wel verwacht. Klasse 2 wordt in plaats van klasse 3 toegepast, omdat het aannemelijk is dat ook factoren niet gelegen in de militaire dienst van invloed zijn op de seksualiteit. Voor wat betreft het sociaal functioneren, met name de rubriek sociale activiteiten wordt klasse 1 van toepassing geacht met name vanwege de negatieve invloed op het gezinsleven. Omdat er relatief lichte problemen zijn met de concentratie wordt klasse 1 van toepassing geacht. Dit aspect is na therapie ook verbeterd, omdat cliënt beter is gaan slapen. Voor wat betreft de adaptatie aan stressvolle gebeurtenissen wordt klasse 2 van toepassing geacht, met name omdat cliënt een langere recuperatietijd nodig heeft na life-events en omdat hij nu tijdelijk hulp nodig heeft, waarbij de prognose gunstig wordt geacht.

De prognose wordt door [D] gunstig ingeschat. De therapie heeft reeds succes en wordt uitgebreid met groepstherapie. Een medische eindtoestand wordt over twee jaar verwacht. Het voorlopige invaliditeitspercentage werd door [D] bepaald op 15%, waarbij hij het op basis van het PTSS Protocol vastgestelde invaliditeitspercentage van 17,9% naar beneden heeft afgerond.

2. Verweerder heeft op basis van het advies van deze verzekeringsgeneeskundige eiser bij het primaire besluit een invaliditeitspensioen toegekend berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 15%. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit besluit, onder verwijzing naar de reactie van de (bezwaar)verzekeringsarts [A] van 23 september 2009, gehandhaafd.

3. Eiser voert in beroep aan dat de conclusies die de verzekeringsarts uit zijn onderzoek heeft getrokken zijn gebaseerd op gebrekkige informatie, omdat het gesprek van de verzekeringsarts met eiser slechts maximaal tien minuten in beslag heeft genomen en de verzekeringsarts niet meer dan twee á drie uur aan de zaak heeft gewerkt, terwijl een psychiater maximaal twaalf uur nodig heeft om tot een rapport te komen. Voorts is de na het gesprek van de behandelend arts ingewonnen informatie niet met eiser besproken.

Eiser stelt voorts dat de verzekeringsarts zijn conclusies onvoldoende heeft onderbouwd. De gehanteerde methode van beschrijvende vergelijking brengt mee dat hij dient aan te geven waarom voor een bepaalde klasse wordt gekozen en niet voor de naastgelegen klassen. De mening van de verzekeringsarts is niet onaantastbaar. Ten onrechte heeft hij bepaalde onderwerpen niet besproken en beoordeeld op basis van de stukken. Ten onrechte heeft hij de gegeven scores behorende bij de klasse-indeling in een regel of twaalf besproken, hetgeen niet toereikend is. Eiser betwist deze scores. In het bijzonder betwist hij de gegeven score bij de Activiteiten van het dagelijks leven, subrubriek 4 "seksuele functie" waarbij de beperking is beoordeeld als "mild" (klasse 2). De verzekeringsarts kan niet beoordelen en heeft niet kunnen vaststellen dat een deel van deze beperkingen voortkomen uit een andere oorzaak dan de PTSS. Eiser heeft samen met zijn echtgenote het formulier ingevuld en zij zijn tot geheel andere conclusies gekomen.

Eiser stelt tot slot dat verweerder de vaststelling psychische beperkingen, die hij met de toepasselijke systematiek heeft berekend op 17,9% niet naar beneden mocht afronden, maar naar boven had moeten afronden.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweerder gevoerd.

5. De rechtbank is van oordeel dat de standpunten van eiser over de onzorgvuldige voorbereiding van de invaliditeitsvaststelling door verweerder niet kunnen worden gevolgd. Daarbij kan in het midden blijven hoe lang het onderzoeksgesprek met eiser en het totale onderzoek door de verzekeringsarts [D] heeft geduurd, nu het bij uitstek aan de deskundige dient te worden gelaten welke onderzoeksduur nodig is voor het opstellen van een deskundigenrapportage. Dat de deskundige in een zodanig kort tijdsbestek tot zijn oordeel is gekomen, dat het redelijkerwijs onmogelijk moet worden geacht dat de deskundige tot een afgewogen advies heeft kunnen komen, blijkt niet uit de door [D] opgestelde rapportage.

De rechtbank is van oordeel dat de verslaglegging met betrekking tot de beperkingen ADL/BDL weliswaar summier is, maar niet onvoldoende. De conclusies met betrekking tot de beperkingen vinden steun in het overige deel van de rapportage en in de ingewonnen informatie van [C] en van het PDC.

Evenmin wordt het standpunt van eiser gevolgd dat de verzekeringsarts zijn advisering aan de hand van het PTSS Protocol en de daarbij behorende "scoringslijst" van beperkingen, verdeeld in de vier daar genoemde subrubrieken, onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de ingevulde "scores" bij de subrubrieken voldoende zijn onderbouwd en worden gedragen door in het rapport weergegeven onderzoeksgegevens en de van de behandelend sector (MGGZ en PDC) verkregen informatie. De stelling van eiser dat iedere "score" vergelijkenderwijs moet worden gemotiveerd en dat aan de verantwoording daarvan de eis moet worden gesteld dat dient te worden gemotiveerd waarom zowel de naasthoger gelegen categorie als de naastlager gelegen categorie niet van toepassing is, gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver en vindt geen steun in het recht.

Anders dan eiser aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat eiser en zijn echtgenote niet beter dan de verzekeringsarts in staat zijn zich een oordeel te vormen over het invaliditeitspercentage. Bij het in kaart brengen van beperkingen is de verzekeringsarts beter dan de patiënt zelf in staat tot objectivering en tot het op basis van zijn ervaring, in vergelijking met andere patiënten, duiden en beoordelen van de beperkingen in het functioneren, waarbij hij niet alleen hoeft en dient af te gaan op direct van de betrokkene of in samenspraak met de betrokkene verkregen informatie. Bovendien heeft eiser zijn standpunt dat toepassing van het PTSS Protocol tot hele andere conclusies leidt niet met een medische verklaring onderbouwd.

6. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat verweerder de beperking ten aanzien van het seksuele functioneren met de kwalificatie "mild (klasse 2)" heeft onderschat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals in het PTTS Protocol, bijlage 1, (pag 37) is vermeld, het hier gaat om nauwelijks objectiveerbare gegevens, zodat beperkingen slechts dienen te worden aangenomen, indien uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem specifieke behandeling of hulp is gezocht bij een professioneel deskundige. Eiser heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat dit het geval is.

7.1. Met betrekking tot het betoog van eiser dat verweerder het op basis van het PTSS Protocol vastgestelde invaliditeitspercentage van 17,9% niet op (een veelvoud van) 5% naar beneden had mogen afronden, is de volgende regelgeving van belang.

7.2. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen worden aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair, de pensioenaanspraken voor de dienstplichtige of reservist en hun nagelaten betrekkingen, alsmede de grondslag voor het verstrekken van de met die invaliditeit samenhangende bijzondere leef- en werkvoorzieningen, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel worden de noodzakelijke nadere regels ter uitvoering van de in het vijfde lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur vastgesteld door Onze Minister.

7.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het op artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen steunende Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bedrag van het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen gelijk aan zoveel procent van de bij de betreffende militaire betrekking behorende berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband beloopt.

7.4. Ingevolge artikel 13 van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen (hierna: Besluit procedure geneeskundig onderzoek), wordt bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen uitgegaan van de War Pensions Committee-schaal (verder: WPC-schaal), zoals in de bijlage opgenomen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de minister van Defensie in bepaalde gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

7.5. Op 1 juli 2008 is de op artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen en op artikel 13, tweede lid, van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek steunende ministeriële regeling van 27 juni 2008, Afdeling Pensioenen, Sociale Zekerheid en Zorg, nr. P/2008011730 (hierna: Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen, zoals dat ten tijde van belang luidde en voor zover thans van belang, worden bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen ter nadere invulling van de WPC-schaal de volgende protocollen gehanteerd:

a. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen (WIA/IP Protocol), gevoegd als bijlage 1;

b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stress stoornis (PTSS Protocol), gevoegd als bijlage 2;

c. (...).

In de bijlage 1 "Beoordelingslijst vastleggen psychiatrische beperkingen" bij het PTTS Protocol staat bij "opmerkingen vooraf" (pagina 35):

"De waarden 0-5 vertegenwoordigen een percentage tussen de 0-100%. De vertaalslag van de rubriekscore naar invaliditeitspercentage geschiedt vervolgens lineair en wordt weergegeven in stappen van 5%. Zo komt een gemiddelde rubriekscore van 2,4 uit op een percentage van 48%, zijnde een schatting tussen 45- 50%. Zie voor een schematische weergave van de beperkingscore het voorbeeld in hoofdstuk 7, tabel 3."

Tabel 3 bij hoofdstuk 7 bevat een voorbeeld van een berekening van het invaliditeitspercentage berekend via rubrieken. Onderin deze tabel staat:

"Invaliditeitspercentage berekend via rubrieken: Rubriekscore = 2,7. Op de schaal van 0-5 geeft dit 54%, dus klasse 50-55. Dit geeft 50% voor het Militair Invaliditeit Pensioen."

7.6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het berekende invaliditeitspercentage van 17,9 terecht naar beneden is afgerond op 15% omdat op pagina 34 van het PTSS Protocol een afronding op (een veelvoud van) 5% is voorgeschreven en op pagina 32 van het PTSS Protocol is voorgeschreven dat naar beneden dient te worden afgerond.

7.7. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser in zoverre slaagt dat de hiervoor geciteerde regelgeving geen ruimte biedt voor een afronding van het op basis van het PTSS Protocol vastgestelde invaliditeitspercentage op (een veelvoud van) 5%. Uit artikel 7, tweede lid, van het Besluit AO/IV, zijnde een algemene maatregel van bestuur, volgt immers dat het invaliditeitspensioen gelijk is aan zoveel procent van de toepasselijke berekeningsgrondslag als de mate van invaliditeit met dienstverband beloopt. Voor zover het PTSS Protocol, dat is gebaseerd op de Regeling geneeskundige protocollen, zijnde een ministeriële regeling van lagere orde dan het Besluit AO/IV, een afronding voorschrijft van het invaliditeitspercentage op (een veelvoud van) 5%, dient dit voorschrift buiten toepassing te worden gelaten, wegens strijd met artikel 7, tweede lid, van het Besluit AO/IV. De rechtbank is dus van oordeel dat noch afronding naar boven noch afronding naar beneden van het op basis van het PTSS Protocol berekende invaliditeitspercentage met dienstverband dient plaats te vinden.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuurrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser ingaande 28 januari 2008 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen berekend onder meer naar een mate van 17,9% van de pensioengrondslag, waarbij nog geen sprake is van een eindtoestand.

9. Aangezien daarmee het primaire besluit wegens onrechtmatigheid wordt herroepen en ook voor het overige aan de voorwaarden van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb verweerder veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De rechtbank zal verweerder voorts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.311,--, te weten € 437,,-- voor het bezwaarschrift, € 437,-- voor het beroepschrift en € 437,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 23 november 2011, kenmerk [a];

herroept het primaire besluit van 18 juni 2009;

bepaalt dat eiser ingaande 28 januari 2008 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen berekend onder meer naar een mate van 17,9% van de pensioengrondslag;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten

€ 41,--, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van bezwaar en beroep ten bedrage van

€ 1.311,--, welke kosten verweerder aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, voorzitter, mr. B. Meijer, lid, en B. Dedden, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.